Die Bibel

 

Genesis 12

Lernen

   

1 De HEERE nu had tot Abram gezegd: Ga gij uit uw land, en uit uw maagschap, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal.

2 En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen!

3 En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden.

4 En Abram toog heen, gelijk de HEERE tot hem gesproken had; en Lot toog met hem; en Abram was vijf en zeventig jaren oud, toen hij uit Haran ging.

5 En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijns broeders zoon, en al hun have, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaan, en zij kwamen in het land Kanaan.

6 En Abram is doorgetogen in dat land, tot aan de plaats Sichem, tot aan het eikenbos More; en de Kanaanieten waren toen ter tijd in dat land.

7 Zo verscheen de HEERE aan Abram, en zeide: Aan uw zaad zal Ik dit land geven. Toen bouwde hij aldaar een altaar den HEERE, Die hem aldaar verschenen was.

8 En hij brak op van daar naar het gebergte, tegen het oosten van Beth-El, en hij sloeg zijn tent op, zijnde Beth-El tegen het westen, en Ai tegen het oosten; en hij bouwde aldaar den HEERE een altaar, en riep den naam des HEEREN aan.

9 Daarna vertrok Abram, gaande en trekkende naar het zuiden.

10 En er was honger in dat land; zo toog Abram af naar Egypte, om daar als een vreemdeling te verkeren, dewijl de honger zwaar was in dat land.

11 En het geschiedde, als hij naderde, om in Egypte te komen, dat hij zeide tot Sarai, zijn huisvrouw: Zie toch, ik weet, dat gij een vrouw zijt, schoon van aangezicht.

12 En het zal geschieden, als u de Egyptenaars zullen zien, zo zullen zij zeggen: Dat is zijn huisvrouw; en zij zullen mij doden, en u in het leven behouden.

13 Zeg toch: Gij zijt mijn zuster; opdat het mij wel ga om u, en mijn ziel om uwentwil leve.

14 En het geschiedde, als Abram in Egypte kwam, dat de Egyptenaars deze vrouw zagen, dat zij zeer schoon was.

15 Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao.

16 En hij deed Abram goed, om harentwil; zodat hij had schapen, en runderen, en ezelen, en knechten, en maagden, en ezelinnen, en kemelen.

17 Maar de HEERE plaagde Farao met grote plagen, ook zijn huis, ter oorzake van Sarai, Abrams huisvrouw.

18 Toen riep Farao Abram, en zeide: Wat is dit, dat gij mij gedaan hebt? waarom hebt gij mij niet te kennen gegeven, dat zij uw huisvrouw is?

19 Waarom hebt gij gezegd: Zij is mijn zuster; zodat ik haar mij tot een vrouw zoude genomen hebben? en nu, zie, daar is uw huisvrouw; neem haar en ga henen!

20 En Farao gebood zijn mannen vanwege hem, en zij geleidden hem, en zijn huisvrouw, en alles wat hij had.

   

Aus Swedenborgs Werken

 

Arcana Coelestia #1495

studieren Sie diesen Abschnitt

  
/ 10837  
  

1495. Why saidst thou, She is my sister? That this signifies that He then knew no otherwise than that He had intellectual truth, is evident from the signification of a “sister,” as being intellectual truth; and also from the fact that Abram had said so (as is evident from verse 13), which was done to the end that the celestial might not suffer any violence, but might be saved. From all this it is evident that when the Lord as a child learned memory knowledges, He first of all knew no otherwise than that those knowledges were solely for the sake of the intellectual man, that is, in order that He might get to know truths from them; but it was afterwards disclosed that they had existed in order that He might attain to celestial things; and this took place to prevent celestial things from suffering violence, and in order that they might be saved. When man is being instructed, there is a progression from memory-knowledges to rational truths; further, to intellectual truths; and finally, to celestial truths, which are here signified by the “wife.” If the progression is made from memory knowledges and rational truths to celestial truths without intellectual truths as media, the celestial suffers violence, because there can be no connection of rational truths-which are obtained by means of memory-knowledges-with celestial truths, except by means of intellectual truths, which are the media. What celestial truths are, and what intellectual truths are, will be seen presently.

[2] That it may be known how these things stand, something shall be said respecting order. The order is for the celestial to inflow into the spiritual and adapt it to itself; for the spiritual thus to inflow into the rational and adapt it to itself; and for the rational thus to inflow into the memory-knowledge and adapt it to itself. But when a man is being instructed in his earliest childhood, the order is indeed the same, but it appears otherwise, namely, that he advances from memory-knowledges to rational things, from these to spiritual things, and so at last to celestial things. The reason it so appears is that a way must thus be opened to celestial things, which are the inmost. All instruction is simply an opening of the way; and as the way is opened, or what is the same, as the vessels are opened, there thus flow in, as before said, in their order, rational things that are from celestial spiritual things; into these flow the celestial spiritual things; and into these, celestial things. These celestial and spiritual things are continually presenting themselves, and are also preparing and forming for themselves the vessels which are being opened; which may also be seen from the fact that in themselves the memory-knowledge and rational are dead, and that it is from the inflowing interior life that they seem to be alive. This can become manifest to anyone from the thought, and the faculty of judgment.

[3] In these lie hidden all the arcana of analytical art and science, which are so many that they can never be explored even as to the ten-thousandth part; and this not with the adult man only, but also with children, whose every thought and derivative expression of speech is most full of them (although man, even the most learned, is not aware of this), and this could not possibly be the case unless the celestial and spiritual things within were coming forth, flowing in, and producing all these things.

  
/ 10837  
  

Thanks to the Swedenborg Foundation for the permission to use this translation.