IBhayibheli

 

Exodus 29:6

Funda

       

6 En gij zult den hoed op zijn hoofd zetten; de kroon der heiligheid zult gij aan den hoed zetten.

Okususelwe Emisebenzini kaSwedenborg

 

Hemelse Verborgenheden in Genesis en Exodus #10143

Funda lesi Sigaba

  
Yiya esigabeni / 10837  
  

10143. Een brandoffer geduriglijk; dat dit alle Goddelijke eredienst in het algemeen betekent, staat vast uit de betekenis van het brandoffer, namelijk de Goddelijke eredienst, waarover hierna en uit de betekenis van geduriglijk, namelijk alles en in alles, waarover eerder in nr. 10133.

Vandaar wordt met het gedurig brandoffer alle Goddelijke eredienst in het algemeen aangeduid en wanneer het lam wordt verstaan, waarmee het brandoffer plaatsvond en het goede van de onschuld wordt aangeduid, zo wordt ook aangeduid alle eredienst, want alle eredienst, die waarlijk eredienst is, zal zijn vanuit de waarheden van het geloof en de goedheden van de liefde en in elk goede van de liefde en in elk ware van het geloof daaruit, zal het goede van de onschuld zijn, nr. 10133.

Vandaar is het dat met het gedurig brandoffer ook wordt aangeduid: in alle eredienst.

Dat het brandoffer de Goddelijke eredienst is, is omdat de brandoffers en de slachtoffers de voornaamste dingen van de uitbeeldende eredienst waren bij de Israëlitische en de Joodse natie en alle dingen op het voornaamste ervan betrekking hebben en daarnaar hun benaming krijgen.

Dat het voornaamste van de eredienst bij die natie heeft bestaan in slachtoffers en brandoffers en dat vandaar hiermee het al van de eredienst in het algemeen wordt aangeduid, zie de nrs. 922, 1343, 2180, 6905, 8680, 8936, 10042.

Maar wat de Goddelijke eredienst is, die met de slachtoffers en de brandoffers wordt aangeduid, zal in het kort worden gezegd.

Met de slachtoffers en de brandoffers in het bijzonder werd aangeduid de zuivering van de boosheden en de valsheden en daarna de inplanting van het ware en het goede en de verbinding van het ene en het andere, en dus zo de wederverwekking, nrs. 10022, 10053, 10057.

De mens die in deze dingen is, is in de echte eredienst, want de zuivering van de boosheden en de valsheden, is daarvan aflaten en ze schuwen en verafschuwen en de inplanting van het goede en het ware, is het goede en het ware denken en willen en spreken en doen en de verbinding van het ene met het andere is vandaaruit leven.

Want wanneer het goede en het ware zijn verbonden bij de mens, dan heeft hij een nieuwe wil en een nieuw verstand en dus een nieuw leven.

Wanneer de mens zodanig is, dan is in elk werk dat hij verricht, de Goddelijke eredienst; de mens immers schouwt dan het Goddelijke in alles; dit eerbiedigt hij en dit heeft hij lief en vandaar vereert hij.

Dat dit de echte Goddelijke eredienst is, weten degenen niet die alle eredienst stellen in de aanbidding en de gebeden, dus in zulke zaken die van de mond en van het denken zijn en niet in zulke dingen die zijn van het handelen vanuit het goede van de liefde en het goede van het geloof, terwijl toch de Heer niets anders beschouwt bij de mens die in de aanbidding en in de gebeden is, dan zijn hart, dat wil zeggen, zijn innerlijk, zodanig als die is ten aanzien van de liefde en van het geloof daaruit.

Daarom, indien dezen niet van binnen in de aanbidding en in de gebeden zijn, niet de ziel en het leven daarin zijn, maar het uiterlijke, zodanig als het is van de vleiers en de huichelaars en dat dezen ook de wijzen in de wereld niet behagen, is bekend.

In één woord, doen volgens de geboden van de Heer, is de waarlijke eredienst van Hem, ja zelfs is het waarlijk de liefde en waarlijk het geloof.

Dit kan ook voor iedereen vaststaan die het overweegt; wie immers iemand liefheeft en wie iemand gelooft, wenst niets liever dan te willen en te doen wat de ander wil en denkt; zijn enig verlangen is het immers diens wil en denken te kennen en zo diens welbehagen.

Anders is het gesteld met degene die niet liefheeft, noch gelooft.

Evenzo is het gesteld met de liefde tot God, wat de Heer ook leert bij Johannes: ‘Wie Mijn geboden heeft en dezelve doet, die is het die Mij liefheeft; wie echter Mij niet liefheeft, bewaart Mijn woorden niet’, (Johannes 14:21,24).

En elders bij dezelfde: ‘Indien gij Mijn geboden zult hebben bewaard, zo zult gij in Mijn liefde blijven; Mijn gebod is, dat gij elkaar liefhebt’, (Johannes 15:10,12).

Dat de uiterlijke eredienst zonder dit innerlijke geen eredienst is, wordt ook aangeduid met de teksten die over de brandoffers en de slachtoffers staan bij Jeremia: ‘Ik heb niet met uw vaderen gesproken over de woorden van het brandoffer en het slachtoffer, maar dit woord heb Ik hun geboden, al zeggende: Gehoorzaamt aan Mijn stem en Ik zal tot u een God zijn’, (Jeremia 7:21-23).

Bij Hosea: ‘Barmhartigheid wil ik en niet slachtoffer en de erkentenissen van God meer dan brandoffers’, (Hosea 6:6).

Bij Micha: ‘Zal men tot Jehovah komen met brandoffers; zal Jehovah een welgevallen hebben aan duizenden van rammen; Hij heeft u te kennen gegeven wat het goede is en wat eist Jehovah van u, slechts alleen het gericht te doen en de barmhartigheid lief te hebben en zich te vernederen, al wandelende met uw God’, (Micha 6:6-8).

In het eerste boek van Samuël: ‘Heeft Jehovah een welbehagen in brandoffers en slachtoffers; ziet, zich voegen is beter dan het slachtoffer van ossen, gehoorzaamheid beter dan het vet der rammen’, (1 Samuël 15:22).

Dat de eigenlijke eredienst zelf van de Heer bestaat in het leven van de naastenliefde en niet in een leven van vroomheid zonder dat, zie de nrs. 8252 tot 8257.

  
Yiya esigabeni / 10837  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, van 2012 t/m 2021 op www.swedenborg.nl

Okususelwe Emisebenzini kaSwedenborg

 

Hemelse Verborgenheden in Genesis en Exodus #10133

Funda lesi Sigaba

  
Yiya esigabeni / 10837  
  

10133. Geduriglijk; dat dit betekent in elke Goddelijke eredienst, staat vast uit de betekenis van geduriglijk, wanneer er gehandeld wordt over zulke dingen die van de Goddelijke eredienst zijn, namelijk alles en in alles.

Er wordt immers gehandeld over de zuivering van de boosheden en de valsheden door het goede van de onschuld, want dit goede wordt aangeduid met de lammeren en de zuivering van de boosheden en de valsheden daaruit met het brandoffer ervan.

Dit wordt geduriglijk genoemd, omdat het in alle Goddelijke eredienst was, daarom vond het ook tweemaal iedere dag plaats,’s morgens en ’s avonds; en wat ’s morgens en ’s avonds plaatsvond, beeldde in het algemeen alle eredienst en in elke eredienst uit.

Het goede van de onschuld immers zal in elk goede en daaruit in elk ware zijn, opdat het het goede en het ware is, waaruit het leven uit het Goddelijke is, dus in elke eredienst, want alle eredienst zal zijn vanuit het goede van de liefde en vanuit het ware van het geloof, opdat het een eredienst is.

Dat al het goede van de Kerk en van de hemel in zich de onschuld heeft en dat zonder haar het goede niet het goede is, dus ook de eredienst niet de eredienst, zie de nrs. 2736, 2780, 6013, 7840, 9262, 7887; en wat de onschuld is, nrs. 3994, 4001, 4797, 5236, 6107, 6765, 7902, 9262, 9936 en de aanhalingen in nr. 10021.

Dat geduriglijk is alles en in alles, namelijk alle eredienst en in elke eredienst, is omdat het de tijd insluit en in de hemelen waar het Woord niet wordt verstaan in de natuurlijke zin, maar in de geestelijke zin, is niet enig begrip van tijd, maar in plaats van tijden worden daar zulke dingen doorvat die van de staat of toestand zijn.

Hier dus wordt met geduriglijk de voortdurende staat in de eredienst doorvat, dus alle eredienst en in elke eredienst; evenzo met de overige woorden in het Woord die iets van tijd in zich sluiten, zoals met: gisteren, heden en morgen, in twee dagen, in drie dagen, met de dag, de week, de maand en het jaar en ook met de tijden van de dag en het jaar, zoals met: de morgen, de middag, de avond en de nacht, met de lente, de zomer, de herfst en de winter.

Daarom, opdat de geestelijke zin van het Woord wordt verstaan, uit de natuurlijke zin ervan, al datgene moet worden verwijderd wat van de tijd is en eveneens wat van een plaatsaanduiding is, en ook al wat van een persoon is en daarvoor in de plaats de staten van de dingen moeten worden opgevat.

Hieruit kan vaststaan hoe zuiver het Woord is in de innerlijke zin, dus hoe zuiver het wordt doorvat door de engelen in de hemelen, bijgevolg hoezeer de wijsheid en het inzicht van de engelen uitmunt boven het inzicht en de wijsheid van de mensen, die alleen denken vanuit het natuurlijke dat bepaald is tot de dingen in de wereld en op de aardbol, die tenslotte eindig zijn.

Dat de tijden in de hemelen staten zijn, zie de nrs. 1274, 1382, 2625, 2788, 2837, 3254, 3356, 3404, 3827, 4814, 4882, 4901, 4916, 6110, 7218, 7381, 8070 en wat staten zijn nr. 4850.

Hieruit blijkt wat met het gedurig brandoffer van lammeren wordt aangeduid; dus wat met gedurig en geduriglijk elders, zoals ‘dat het vuur geduriglijk zal branden op het altaar’, (Leviticus 6:6) dat ‘het gedurige brood zal zijn op de tafel’, (Numeri 4:7).

Met het vuur daar en met het brood wordt het goede van de liefde uit de Heer tot de Heer aangeduid.

Dat het vuur dit is, zie de nrs. 4906, 5215, 6314, 6832, 6849, 7324, 7852, 10055 en eveneens het brood, nrs. 2165, 2177, 3478, 3735, 3813, 4211, 4217, 4735, 4976, 9323, 9545.

Met geduriglijk wordt daar ook aangeduid dat dit goede in alle eredienst zal zijn en dat uit dat goede zoals uit het vuur ervan het ware van het geloof zou lichten, wordt daarmee aangeduid ‘dat zij de lamp bij voortduur zouden doen opgaan’, (Ezechiël 27:20; dat de lamp het ware en het goede van het geloof is, zie de nrs. 9548, 9783.

  
Yiya esigabeni / 10837  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, van 2012 t/m 2021 op www.swedenborg.nl