Bible

 

Joël 2:3

Studie

       

3 Voor hetzelve verteert een vuur, en achter hetzelve brandt een vlam; het land is voor hetzelve als een lusthof, maar achter hetzelve een woeste wildernis, en ook is er geen ontkomen van hetzelve.

Bible

 

2 Koningen 19:31

Studie

       

31 Want van Jeruzalem zal het overblijfsel uitgaan, en het ontkomene van den berg Sion; de ijver van den HEERE der heirscharen zal dit doen.

Ze Swedenborgových děl

 

Hemelse Verborgenheden in Genesis en Exodus # 3652

Prostudujte si tuto pasáž

  
/ 10837  
  

3652. Volgens de innerlijke zin is het met deze dingen als volgt gesteld:

‘Wanneer gij derhalve zult zien de gruwel der verlating’, betekent de verwoesting van de Kerk die dan plaatsvindt, wanneer de Heer niet langer wordt erkend, dus wanneer er geen liefde meer tot Hem is en geen geloof in Hem is; en verder wanneer er niet enige naastenliefde jegens de naaste meer is en wanneer er daardoor niet enig geloof van het goede en ware is. Wanneer dit het geval is in de Kerk, of liever in het gebied waar het Woord is – namelijk in de gedachten van het hart, zij het ook niet in de leer in de leer met de mond – dan is de verlating daar en de dingen die genoemd zijn, zijn de gruwel ervan. Vandaar wil ‘wanneer gij zult zien de gruwel der verlating’ zeggen: wanneer iemand zulke dingen waarneemt; wat er dan gedaan moet worden, wordt gezegd in de verzen 17-18, volgt. ‘Waarvan gesproken is door Daniël de profeet’, betekent in de innerlijke zin door de profeten; want wanneer er een bepaalde profeet met name in het Woord genoemd wordt, is het niet die profeet die bedoeld wordt, maar het profetische Woord zelf, aangezien namen nooit in de hemel doordringen, nrs. 1876, 1888; maar door de ene profeet wordt niet hetzelfde aangeduid als door de andere. Wat wordt aangeduid door: Mozes, Elia en Elisa, zie men in de inleiding tot het 18de hoofdstuk en in nr. 2762. Door Daniël wordt evenwel al het profetische ten aanzien van de Komst van de Heer aangeduid en over de staat van de Kerk; hier over haar laatste staat. Er wordt bij de profeten veel gehandeld over de verwoesting en daarmee wordt in de zin van de letter daar de verwoesting van de Joodse en Israëlitische Kerk aangeduid, maar in de innerlijke zin de verwoesting van de Kerk in het algemeen, dus ook de verwoesting die nu nabij is. ‘Staande in de heilige plaats’ betekent de verwoesting ten aanzien van alle dingen, die tot het goede en ware behoren. De heilige plaats is de staat van de liefde en van het geloof – dat de plaats in de innerlijke zin de staat is, zie de nrs. 2625, 2837, 3356, 3387 – het heilige van deze staat is het goede, dat van de liefde is en vandaar het ware dat van het geloof is; niets anders wordt onder het heilige in het Woord verstaan, want deze dingen gaan van de Heer uit, die het Heilige Zelf of het Heiligdom is. ‘Die leest, die merke daarop’, betekent, dat op deze dingen goed acht geslagen moet worden door degenen die in de Kerk zijn, vooral door hen die in de liefde en in het geloof zijn; over hen wordt nu gehandeld. ‘Dat alsdan, die in Judea zijn, in de bergen vluchten’, betekent dat zij die van de Kerk zijn, nergens anders mogen heenzien dan naar de Heer, dus naar de liefde tot Hem en naar de naastenliefde jegens de naaste. Dat door Judea de Kerk wordt aangeduid, zal hierna worden aangetoond; dat door de berg de Heer zelf wordt aangeduid, maar door de bergen de liefde tot Hem en de naastenliefde jegens de naaste, zie de nrs. 795, 796, 1430, 2722. Volgens de zin van de letter zou het willen zeggen, dat wanneer Jeruzalem, zoals het gebeurd is, door de Romeinen belegerd zou worden, men zich niet daarheen zou begeven, maar op de bergen, overeenkomstig deze woorden bij Lukas:

‘Wanneer gij zult zien, dat Jeruzalem van heirlegers omsingeld wordt, zo weet alsdan, dat de verwoesting nabij gekomen is; alsdan die in Judea zijn, dat zij vlieden op de bergen; en die in het midden van dezelve zijn, dat zij daaruit trekken; maar die in de streken zijn, dat zij in dezelve niet komen’, (Lukas 21:20, 21);

maar het is daar met Jeruzalem evenzo gesteld, namelijk dat het in de zin van de letter Jeruzalem is dat bedoeld wordt, maar in de innerlijke zin de Kerk van de Heer, zie de nrs. 402, 2117; want alle dingen afzonderlijk die in het Woord over het Joodse en Israëlitische volk vermeld worden, zijn uitbeeldend voor het rijk van de Heer in de hemelen en voor het rijk van de Heer op aarde, dat wil zeggen, de Kerk, zoals vaak werd aangetoond. Dit is de reden, waarom onder Jeruzalem in de innerlijke zin nergens Jeruzalem wordt verstaan, noch onder Judea, Judea. Maar deze dingen waren van dien aard, dat daardoor de hemelse en geestelijke dingen van het rijk van de Heer konden worden uitgebeeld; en opdat zij ze zouden uitbeelden, vonden zij ook plaats. Op deze wijze kon het Woord zo geschreven worden dat het binnen het bereik viel van het bevattingsvermogen van de mens die het lezen zou en overeenkomstig het verstand van de engelen die bij de mens zijn. Dit was ook de reden, waarom de Heer evenzo sprak; want wanneer Hij anders had gesproken, zou Zijn Woord geen aanpassing gevonden hebben aan het bevattingsvermogen van hen die het lezen, vooral toentertijd en evenmin tegelijk aan het verstand van de engelen, zo zou het dus niet ontvangen zijn door de mens, noch verstaan zijn door de engelen. ‘Die op het dak van het huis is, kome niet af, om iets uit zijn huis weg te nemen’, betekent dat zij die in het goede van de naastenliefde zijn, zich niet van daar zouden begeven tot die dingen die tot de leerstellige dingen van het geloof behoren. Het dak van het huis betekent in het Woord de hogere staat van de mens, dus zijn staat ten aanzien van het goede, maar de dingen die beneden zijn, betekenen de lagere staat van de mens, dus de staat ten aanzien van het ware; wat het huis is, zie de nrs. 710, 1708, 2233, 2234, 3142, 3538. Met de staat van de mens van de Kerk is het als volgt gesteld; wanneer deze wordt wederverwekt, leert hij het ware ter wille van het goede, want hij heeft de aandoening van het ware ter wille daarvan; maar nadat hij is wederverwekt, handelt hij uit het ware en goede. Nadat hij tot deze staat is gekomen, moet hij zich niet in de vorige staat terug begeven, want wanneer hij dat deed, zou hij vanuit het ware over het goede waarin hij is, redeneren en dus zo zijn staat verdraaien; want alle redenering houdt op en moet ophouden, wanneer de mens in de staat is, het ware en goede te willen, immers, het is dan vanuit de wil en dus uit het geweten dat hij denkt en handelt, en niet, zoals eerder vanuit het verstand; wanneer hij opnieuw van dit laatste uitging, zou hij in verzoekingen vallen, waarin hij zou bezwijken. Dit is het wat wordt aangeduid door de woorden ‘die op het dak van het huis is, kome niet af, om iets uit zijn huis weg te nemen’. ‘En die in het veld is, kere niet weder terug, om zijn kleed weg te nemen of de rok’, betekent, dat zij die in het goede van het ware zijn, zich evenmin van dit goede weg zouden begeven naar het leerstellige van het ware; het veld betekent in het Woord die staat van de mens ten aanzien van het goede; wat het veld is, zie de nrs. 368, 2971, 3196, 3310, 3317, 3500, 3508;

en het kleed of de rok betekent datgene, wat het goede bekleedt, dat wil zeggen, het leerstellige van het ware, want dit is als het ware een kleed voor het goede; dat het kleed dit is, zie de nrs. 297, 1073, 2576, 3301. Eenieder kan zien dat hier diepere dingen verborgen liggen, dan in de letter uitkomt; want het is de Heer Zelf die deze woorden sprak.

  
/ 10837  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, van 2012 t/m 2021 op www.swedenborg.nl