Bible

 

Jeremia 48

Studie

   

1 Tegen Moab zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels, alzo: Wee over Nebo, want zij is verstoord; Kirjathaim is beschaamd, zij is ingenomen; de stad des hogen vertreks is beschaamd en verschrikt.

2 Moabs roem van Hesbon is er niet meer; zij hebben kwaad tegen haar gedacht, zeggende: Komt, en laat ons haar uitroeien, dat zij geen volk meer zij; ook gij, o Madmen! zult nedergehouwen worden, het zwaard zal achter u heengaan.

3 Er is een stem des gekrijts van Horonaim; verstoring en een grote breuk!

4 Moab is verbroken; haar kleine kinderen hebben een gekrijt laten horen.

5 Want in den opgang van Luhith zal geween bij geween opgaan, want in den afgang van Horonaim hebben Moabs wederpartijders een jammergeschrei gehoord.

6 Vlucht, redt ulieder ziel! en wordt als de heide in de woestijn;

7 Want om uw vertrouwen op uw werken, en op uw schatten, zult gij ook ingenomen worden; en Kamos zal henen uitgaan in gevangenis, zijn priesteren en zijn vorsten te zamen.

8 Want de verstoorder zal komen over elke stad, dat niet een stad ontkomen zal; en het dal zal verderven, en het effen veld verdelgd worden; want de HEERE heeft het gezegd.

9 Geeft Moab vederen, want al vliegende zal zij uitgaan; en haar steden zullen ter verwoesting worden, dat niemand in dezelve wone.

10 Vervloekt zij, die des HEEREN werk bedriegelijk doet; ja, vervloekt zij, die zijn zwaard van het bloed onthoudt!

11 Moab is van zijn jeugd aan gerust geweest, en hij heeft op zijn heffe stil gelegen, en is van vat in vat niet geledigd, en heeft niet gewandeld in gevangenis; daarom is zijn smaak in hem gebleven, en zijn reuk niet veranderd.

12 Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik hem vreemde gasten zal toeschikken, die hem in vreemde plaatsen zullen voeren, en zijn vaten ledigen, en hunlieder flessen in stukken slaan.

13 En Moab zal beschaamd worden vanwege Kamos, gelijk als het huis Israels beschaamd is geworden vanwege Beth-El, hunlieder vertrouwen.

14 Hoe zult gij zeggen: Wij zijn helden en dappere mannen ten strijde?

15 Moab is verstoord, en uit zijn steden opgegaan, en de keur zijner jongelingen is ter slachting afgegaan, spreekt de Koning, Wiens Naam is HEERE der heirscharen.

16 Moabs verderf is nabij om te komen, en zijn kwaad haast zeer.

17 Beklaagt hem, gij allen, die rondom hem zijt, en allen, die zijn naam kent; zegt: Hoe is de sterke staf, de sierlijke stok verbroken?

18 Daal neder uit uw heerlijkheid, en woon in dorst, gij inwoneres, gij dochter van Dibon! want Moabs verstoorder is tegen u opgetogen, hij heeft uw vestingen verdorven.

19 Sta aan den weg, en zie toe, gij inwoneres van Aroer! Vraag den vluchtenden man en de ontkomene vrouw; zeg: Wat is er geschied?

20 Moab is beschaamd, want hij is verslagen; huilt en krijt! verkondigt te Arnon, dat Moab verstoord is.

21 En het oordeel is gekomen over het vlakke land; over Holon, en over Jahza, en over Mefaath.

22 En over Dibon, en over Nebo, en over Beth-Diblathaim,

23 En over Kirjathaim, en over Beth-Gamul, en over Beth-Meon,

24 En over Kerioth, en over Bozra; ja, over alle steden van Moabs land, die verre en die nabij zijn.

25 Moabs hoorn is afgesneden, en zijn arm verbroken, spreekt de HEERE.

26 Maak hem dronken, omdat hij zich groot gemaakt heeft tegen den HEERE; zo zal Moab met de handen klappen in zijn uitspuwsel, en hij zelf zal ook ter belaching zijn.

27 Want is u niet Israel ter belaching geweest? Was hij onder de dieven gevonden, dat gij u zo bewoogt, van den tijd af, dat uw woorden van hem waren?

28 Verlaat de steden, en woont in de steenrots, gij inwoners van Moab! en wordt gelijk een duif, die in de doorgangen van den mond eens hols nestelt.

29 Wij hebben Moabs hovaardij gehoord (hij is zeer hovaardig), zijn trotsheid, en zijn hovaardij, en zijn hoogmoed, en zijns harten hoogmoed.

30 Ik ken zijn verbolgenheid, spreekt de HEERE, maar niet alzo; zijn grendelen doen het zo niet.

31 Daarom zal Ik over Moab huilen, ja, om gans Moab zal Ik krijten; over de lieden van Kir-heres zal men zuchten.

32 Boven het geween van Jaezer zal Ik u bewenen, gij wijnstok van Sibma! uw wijnranken zijn over zee gegaan, zij hebben gereikt tot aan Jaezers zee; maar de verstoorder is gevallen op uw zomervruchten en op uw wijnoogst;

33 Zodat de blijdschap en verheuging uit het vruchtbare veld, namelijk uit Moabs land, weggenomen is; want Ik heb den wijn doen ophouden uit de kuipen; men zal geen druiven treden met vreugdegeschrei; het vreugdegeschrei zal geen vreugdegeschrei zijn.

34 Vanwege Hesbons gekrijt tot Eleale toe, tot Jahaz toe, hebben zij hun stem verheven, van Zoar tot aan Horonaim, die driejarige vaarze; want ook de wateren van Nimrim zullen tot verwoestingen worden.

35 En Ik zal in Moab doen ophouden, spreekt de HEERE, dien, die op de hoogte offert, en die zijn goden rookt.

36 Daarom zal Mijn hart over Moab getier maken als de fluiten; ook zal Mijn hart over de lieden van Kir-heres getier maken als de fluiten, omdat het overschot, dat hij gemaakt had, verloren is.

37 Want alle hoofden zijn kaal, en alle baarden afgekort; op alle handen zijn insnijdingen, en op de lenden is een zak.

38 Op alle daken van Moab, en op al haar straten is overal misbaar; want Ik heb Moab verbroken als een vat, waar men geen lust aan heeft, spreekt de HEERE.

39 Hoe is hij verslagen! zij huilen; hoe heeft Moab den nek met schaamte gewend! Alzo zal Moab allen, die rondom hem zijn, tot belaching en tot een ontzetting worden.

40 Want zo zegt de HEERE: Ziet, hij zal snel vliegen als een arend, en hij zal zijn vleugelen over Moab uitbreiden.

41 Elk een der steden is gewonnen, en elk een der vastigheden is ingenomen; en het hart van Moabs helden zal te dien dage wezen, als het hart ener vrouw, die in nood is.

42 Want Moab zal verdelgd worden, dat hij geen volk zij, omdat hij zich groot gemaakt heeft tegen den HEERE.

43 De vreze, en de kuil, en de strik, over u, gij inwoner van Moab! spreekt de HEERE.

44 Die van de vreze ontvliedt, zal in den kuil vallen, en die uit den kuil opkomt, zal in den strik gevangen worden; want Ik zal over haar, over Moab, het jaar van hunlieder bezoeking brengen, spreekt de HEERE.

45 Die voor des vijands macht vluchtten, bleven staan in de schaduw van Hesbon; maar een vuur is uitgegaan van Hesbon, en een vlam van tussen Sihon, en heeft de hoeken van Moab en den schedel der kinderen van het gedruis verteerd.

46 Wee u, Moab! het volk van Kamos is verloren; want uw zonen zijn weggenomen in gevangenis; ook zijn uw dochters in gevangenis.

47 Maar in het laatste der dagen, zal Ik Moabs gevangenis wenden, spreekt de HEERE. Tot hiertoe is Moabs oordeel.

   

Ze Swedenborgových děl

 

Hemelse Verborgenheden in Genesis en Exodus # 6377

Prostudujte si tuto pasáž

  
/ 10837  
  

6377. Hij wast in de wijn zijn bekleedsel; dat dit betekent dat Zijn Natuurlijke het Goddelijk Ware is vanuit Zijn Goddelijk Goede, staat vast uit de betekenis van wassen, namelijk zuiveren, nr. 3147;

uit de betekenis van de wijn, namelijk het goede van de liefde jegens de naaste en het goede van het geloof en in de hoogste zin het Goddelijk Ware vanuit het Goddelijk Goede van de Heer, waarover hierna; en uit de betekenis van het bekleedsel, namelijk het uiterlijke dat het innerlijke bedekt, nr. 5248, dus het natuurlijke, want dit is uiterlijk en bedekt het redelijke, dat innerlijk is; vandaar is ook het bekleedsel het ware, omdat dit uiterlijk is en het innerlijke aanwezige goede bedekt, nrs. 2576, 4545, 4763, 5319, 5954.

Dat de wijn de liefde jegens de naaste en het goede van het geloof is, kan vaststaan uit de dingen die over het brood en de wijn in het Heilig Avondmaal zijn getoond, nrs. 2165, 2177, 3464, 4581, 5915, namelijk dat het brood het goede van de hemelse liefde is en dat de wijn het goede van de geestelijke liefde is; dit kan eveneens vaststaan uit het spijsoffer en het drankoffer in de slachtoffers; het spijsoffer betekende daar het goede van de liefde en het drankoffer het goede van het geloof; het spijsoffer bestond uit zulke dingen die het goede van de liefde aanduidden en het drankoffer uit wijn, dat het goede van het geloof aanduidde; de slachtoffers zelf werden ook brood genoemd, nr. 2165;

dat een drankoffer uit wijn werd gebruikt in de slachtoffers, zie, (Exodus 29:40; Leviticus 23:12, 13, 18, 19; Numeri 15:2-15; 28:6, 7, 18; 29:1-7 e.v.). Dat de wijn de liefde jegens de naaste en het goede van het geloof aanduidt, blijkt ook bij Jesaja:

‘Alle dorstige, ga tot de wateren en wie geen zilver heeft, ga, koop en eet en ga, koop zonder zilver en zonder prijs, wijn en melk’, (Jesaja 55:1);

dat zij niet wijn en melk zouden kopen, kan eenieder weten, maar dat wat met de wijn en de melk wordt aangeduid, dat wil zeggen, de liefde jegens de naaste en het geloof; deze worden uit de Heer gegeven zonder zilver en prijs.

Bij Hosea:

‘De dorsvloer en de wijnpersbak zullen hen niet weiden en de most zal hun liegen; Efraïm zal weder in Egypte keren en in Assyrië zullen zij het onreine eten; zij zullen Jehovah geen wijn plengen en hun slachtoffers zullen Hem niet aangenaam zijn’, (Hosea 9:2-4);

ook daar wordt in de innerlijke zin gehandeld over het goede van de liefde en over het goede van het geloof, namelijk dat zij hebben opgehouden; het goede van de liefde is de dorsvloer vanwege het koren daar en het brood daaruit; en het goede van het geloof is de wijnpersbak, de most en het drankoffer van wijn. Efraïm zal weder in Egypte keren, staat daarvoor dat het verstandelijke de wetenschappelijke dingen zal raadplegen ten aanzien van de verborgenheden van het geloof; in Assyrië zullen zij het onreine eten, voor datgene wat is vanuit de redenering daaruit; dat Efraïm het verstandelijke van de Kerk is, zie de nrs. 5354, 6222, 6238, 6267;

dat Egypte het wetenschappelijke is, nrs. 1164, 1165, 1186, 1462, 5702;

en dat Assyrië de redenering is, nr. 1186;

de reeks zelf openbaart ook dat in de woorden daar iets anders is gelegen dan dat wat in de letter verschijnt; in de innerlijke zin immers hangen de dingen samen, niet echter in de uiterlijke zin, zoals dat de dorsvloer en de wijnpersbak hen niet zullen weiden en de most hun zal liegen en gelijk daarna: Efraïm zal weder in Egypte keren en in Assyrië zullen zij het onreine eten; en wat zou het eveneens zonder innerlijke zin dat Efraïm in Egypte zal wederkeren en zij in Assyrië het onreine zullen eten? Het ophouden van de wederzijdse liefde en van het goede van het geloof wordt ook met de wijnpersbak en de wijn beschreven bij Jeremia:

‘Op uw wijnoogst is de verwoester gevallen, weswege de blijdschap is weggenomen en de vreugde vanuit Karmel en vanuit het land van Moab; immers, de wijn vanuit de wijnpersbakken heb Ik doen ophouden; men zal niet treden met hedad [vreugdekreten]’, (Jeremia 48:32, 33). Dat de wijn het goede van de wederzijdse liefde en van het geloof betekent, blijkt ook bij Johannes:

‘Ik hoorde een stem vanuit het midden der vier dieren, zeggende: beschadig de olie en de wijn niet’, (Openbaring 6:6);

de olie staat voor het goede van de hemelse liefde en de wijn voor het goede van de geestelijke liefde. Onder de olie en de wijn wordt iets eenders verstaan in de gelijkenis van de Heer over de Samaritaan, bij Lukas:

‘Een zekere Samaritaan, reizende en ziende hem die door rovers gewond was, werd met innerlijke ontferming bewogen en daarom nader tredende, verbond hij zijn wonden en goot daarin olie en wijn’, (Lukas 10:33, 34);

dat hij olie en wijn daarin goot, betekent dat hij de werken van de liefde en van de naastenliefde betrachtte; dat olie het goede van de liefde is, zie de nrs. 886, 3728; evenzo worden zij daarmee aangeduid dat de Ouden olie en wijn goten op een opgericht beeld, wanneer zij dat heiligden, (Genesis 35:14) en de nrs. 4581, 4582.

Dat de wijn het goede van de liefde en van het geloof is, blijkt uit de woorden van de Heer, toen Hij het Heilig Avondmaal instelde, die Hij toen over de wijn zei:

‘Ik zeg u dat Ik van nu aan niet zal drinken van dit gewas des wijnstoks, tot op die dag wanneer Ik met u hetzelve nieuw zal drinken in het Koninkrijk van Mijn Vader’, (Mattheüs 26:29; Lukas 22:17, 18);

dat Hij daar niet wijn zal drinken, kan voor eenieder vaststaan, maar dat het goede van de liefde en van het geloof wordt aangeduid, dat Hij zal geven aan hen die van Zijn Rijk zijn. Iets eenders wordt met wijn aangeduid bij, (Jesaja 24:9, 11; Klaagliederen 2:11, 12; Hosea 14:8; Amos 9:13, 14; Zacharia 9:15, 16; Lukas 5:37-39). Aangezien wijn het goede van de liefde en van het geloof betekent, betekent het dus in de hoogste zin het Goddelijk Ware uit het Goddelijk Goede van de Heer, want vanuit dit heeft de mens die opneemt, door invloeiing het goede van de liefde en het geloof. Aangezien de meeste dingen in het Woord ook een tegengestelde zin hebben, is dit ook zo gesteld met wijn, in welke zin de wijn het valse vanuit het boze aanduidt, zoals bij Jesaja:

‘Wee degenen die des morgens opstaan onder het morgenrood en sterke drank najagen, die vertoeven tot in de schemering, opdat de wijn hen in brand zette; wee de helden om wijn te drinken en de mannen der sterkte om sterke drank te mengen’, (Jesaja 5:11, 22).

Bij dezelfde:

‘Dezen dwalen ook door de wijn en door de sterke drank dwalen zij af; de priester en de profeet dwalen door de sterke drank, zij worden verzwolgen van de wijn, zij dwalen af door de sterke drank, zij dwalen onder de zienden, zij waggelen in het gericht’, (Jesaja 228:7).

Bij dezelfde:

‘De herders weten niet te verstaan; allen nemen hun eigen weg in aanmerking; komt, ik zal wijn nemen en wij zullen ons dronken maken met sterke drank; en er zij de dag van morgen zoals deze, grote overvloed’, (Jesaja 56:11, 12). En bovendien bij, (Jeremia 13:12; Hosea 4:11; 7:5; Amos 2:8; Micha 2:11; Psalm 75:9; Deuteronomium 32:33). Het valse vanuit het boze wordt ook aangeduid met ‘de beker van de wijn des toorns’, (Jeremia 25:15, 16; Openbaring 14:8, 10; 16:19;

met de ‘wijnpersbak van de wijn der woede des toorns Gods’, (Openbaring 19:15, en met ‘de wijn der hoererij’, (Openbaring 17:2; 18:3).

  
/ 10837  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, van 2012 t/m 2021 op www.swedenborg.nl

Ze Swedenborgových děl

 

Hemelse Verborgenheden in Genesis en Exodus # 5954

Prostudujte si tuto pasáž

  
/ 10837  
  

5954. En hun allen gaf hij eenieder wisselklederen; dat dit de in het goede ingewijde ware dingen betekent, staat vast uit de betekenis van de klederen, namelijk de ware dingen, waarover hierna; vandaar zijn wisselklederen de ware dingen die nieuw zijn en de ware dingen worden nieuw wanneer zij in het goede worden ingewijd; dan immers ontvangen zij het leven; er wordt immers gehandeld over de verbinding van de natuurlijke met de geestelijke mens of van de uiterlijke met de innerlijke mens; wanneer de verbinding plaatsvindt, dan worden de ware dingen veranderd en worden zij nieuw, want zij ontvangen het leven vanuit de invloeiing van het goede, zie nr. 5951;

dat de klederen wisselen uitbeeldend was daarvoor dat de heilige ware dingen werden aangetrokken en dat er vandaar eveneens wisselklederen waren, zie nr. 4545.

Dat met de klederen in het Woord de ware dingen worden aangeduid, komt omdat de ware dingen het goede bekleden, bijna zoals de vaten het bloed en de vezels de geest; dat het kleed het aanduidende van het ware is, komt omdat geesten en eveneens engelen met klederen gekleed verschijnen en eenieder volgens de ware dingen die bij hen zijn; in witte klederen verschijnen zij die in de ware dingen van het geloof zijn waardoor het goede is, maar in glanzende blanke klederen diegenen die in de ware dingen van het geloof zijn die vanuit het goede zijn; het goede immers schijnt door het ware heen, vandaar de glans, zie nr. 5248.

Dat geesten en engelen gekleed verschijnen, kan ook vaststaan uit het Woord waar wordt vermeld dat engelen werden gezien zoals bij Mattheüs:

‘De gedaante van de engel zittende aan het graf des Heren, was zoals een bliksem en het bekleedsel wit zoals sneeuw’, (Mattheüs 28:3).

Bij Johannes:

‘Op de tronen zag ik de vierentwintig ouderlingen zitten, bekleed met witte bekleedselen’, (Openbaring 4:4).

Bij dezelfde:

‘Hij Die op het witte paard zat was bekleed met een bekleedsel dat met bloed geverfd was en Zijn naam wordt genoemd het Woord Gods; Zijn heirlegers in de hemel volgden Hem op witte paarden, bekleed met wit en rein fijn lijnwaad’, (Openbaring 19:11, 13, 14);

de bekleedselen wit zoals sneeuw en het wit fijn lijnwaad betekenen de heilige ware dingen; van het witte en het blanke immers, wordt gesproken met betrekking tot de ware dingen, nrs. 3301, 3993, 4007, 5319, de oorzaak hiervan is dat zij het dichtst tot het licht naderen en het licht dat uit de Heer is, is het Goddelijk Ware; daarom verschenen, toen de Heer van gedaante werd veranderd, Zijn bekleedselen zoals het Licht, waarover bij Mattheüs:

‘Toen Jezus van gedaante werd veranderd, blonk Zijn aangezicht zoals de Zon en Zijn bekleedselen werden zoals het Licht’, (Mattheüs 17:2);

dat het licht het Goddelijk Ware is, is in de Kerk bekend, maar dat het met een kleed wordt vergeleken, staat vast bij David:

‘Jehovah bedekt Zich met het licht als met een kleed’, (Psalm 104:2). Dat de klederen de ware dingen zijn, blijkt uit tal van plaatsen in het Woord, zoals bij Mattheüs:

‘Als de koning ingegaan was om de aanliggenden te zien, zag hij daar een mens die niet was gekleed met een bruiloftskleed; en hij zei tot hem: Vriend, hoe zijt gij hier ingekomen, geen bruiloftskleed hebbende; en daarom werd hij uitgeworpen in de uiterlijke duisternis’, (Mattheüs 22:11-13);

wie onder de niet beklede met een bruiloftskleed worden verstaan, zie nr. 2132.

Bij Jesaja:

‘Waak op, waakt op, trek uw sterkte aan, o Zion, trek de klederen van uw sierlijkheid aan, o Jeruzalem, stad der heiligheid, omdat in u voortaan geen met de voorhuid behepte en onreine meer zal komen’, (Jesaja 52:1);

klederen der sierlijkheid voor de ware dingen vanuit het goede.

Bij Ezechiël:

‘Ik bekleedde u met gestikt werk en Ik schoeide u met dassenvel en Ik omgordde u met fijn linnen en Ik bedekte u met zijde; uw klederen waren fijn linnen en zijde en gestikt werk; gij at meelbloem, honing en olie’, (Ezechiël 16:10, 13);

over Jeruzalem, waaronder daar de geestelijke Oude Kerk wordt verstaan, die nadat de hemelse Oudste Kerk de geest had gegeven, door de Heer werd geïnstaureerd; de ware dingen waarmee die Kerk was begiftigd, worden met klederen beschreven; het gestikt werk is het wetenschappelijke; dit verschijnt ook, wanneer het echt is, als gestikt werk en als kant in het andere leven, wat ook te zien werd gegeven; fijn linnen en zijde zijn de ware dingen vanuit het goede, maar die zijn in de hemel, omdat zij daar in het licht ervan zijn, zeer blinkend en doorzichtig.

Bij dezelfde:

‘Fijn linnen in stiksel uit Egypte was uw uitbreidsel en hemelsblauw en purper uit de eilanden van Elisa was uw deksel’, (Ezechiël 27:7);

daar over Tyrus, waardoor de erkentenissen van het ware en het goede worden uitgebeeld, nr. 1201, die wanneer zij echt zijn, fijn linnen in stiksel uit Egypte zijn; het goede daaruit, of het goede van het ware, zijn het hemelsblauwe en het purper.

Bij David:

‘Des konings dochter is gans heerlijk; van invlechtingen van goud is haar kleed; in stiksels zal zij tot de koning worden geleid’, (Psalm 45:14, 15);

de dochter des konings voor de aandoening van het ware; van invlechtingen van goud is haar kleed, staat voor de ware dingen waarin het goede is; stiksels voor de laagste ware dingen.

Bij Johannes:

‘Gij hebt weinige namen in Sardis, die hun bekleedselen niet bevlekt hebben; en zij zullen met Mij wandelen in witte, omdat zij waardig zijn. Die overwint, deze zal bekleed worden met witte bekleedselen’, (Openbaring 3:4, 5);

de bekleedselen niet bevlekken, voor de ware dingen niet bezoedelen met valse dingen.

Bij dezelfde:

‘Gezegend hij die waakt en zijn bekleedselen bewaart, opdat hij niet naakt wandele en zij zijn schaamte zien’, (Openbaring 16:15);

de bekleedselen eveneens voor de ware dingen; het zijn de ware dingen van het geloof vanuit het Woord die eigenlijk met bekleedselen worden aangeduid; wie zich die niet daaruit heeft verworven of wie zich niet ware dingen of waarschijnlijkheden vanuit zijn godsdienst heeft verworven zoals de heidenen en ze aan het leven heeft aangehecht, is, hoezeer hij ook meent in het goede te zijn, toch niet daarin; want omdat hij geen ware dingen vanuit het Woord of vanuit het godsdienstige heeft, laat hij zich door redeneringen evenzeer door boze als door goede geesten leiden en kan hij dus zo niet door de engelen verdedigd worden; dit wordt daaronder verstaan dat hij moet waken en zijn bekleedselen bewaren, opdat hij niet naakt wandele en zij zijn schaamte zien.

Bij Zacharia:

‘Jozua was in bevlekte klederen; zo stond hij voor de engel, die zei tot de voor hem staanden: Verwijdert de bevlekte klederen van voor hem; tot hem echter zei hij: Zie, ik heb uw ongerechtigheid van u doen voorbijgaan en ben bekledende u met wisselklederen’, (Zacharia 3:3, 4);

de bevlekte klederen voor de ware dingen die door de valse dingen die uit het boze zijn, zijn bevuild; en daarom wordt na het verwijderen van die klederen en het aandoen van andere, gezegd: Zie, ik heb uw ongerechtigheid van u doen voorbijgaan. Dat de ongerechtigheid niet voorbijgaat door een verandering van klederen, kan eenieder weten; daaruit kan ook eenieder besluiten dat de verandering van klederen een uitbeelding was, zoals ook het wassen van de klederen, dat bevolen was wanneer zij gezuiverd moesten worden, zoals toen zij tot de berg Sinaï naderden, (Exodus 19:14) en wanneer zij van onzuivere dingen gezuiverd moesten worden, (Leviticus 11:25, 40; 14:8, 9; Numeri 8:6, 7; 19:21; 31:19-24);

de reinigingen immers van onzuivere dingen vinden plaats door de ware dingen van het geloof, omdat deze leren wat het goede is, wat de naastenliefde, wat de naaste, wat het geloof, dat de Heer is, dat de hemel is, dat het eeuwige leven is; wat deze dingen zijn weet men niet zonder de ware dingen die leren en zelfs niet dat zij zijn; wie weet vanuit zichzelf anders dan dat het goede van de liefde van zich en van de wereld het enige is wat voor de mens het goede is; het ene en het andere immers is de verkwikking van zijn leven; en wie kan, tenzij vanuit de ware dingen van het geloof, kennen dat er een ander goede is, dat aan de mens kan worden aangehecht, namelijk het goede van de liefde tot de Heer en het goede van de liefde jegens de naaste en dat in die goeden het hemelse leven is; en verder, dat het goede ervan voor evenzoveel door de hemel uit de Heer invloeit, als de mens niet zichzelf boven anderen liefheeft; hieruit kan vaststaan dat de zuivering, die met het wassen van de klederen werd uitgebeeld, door de ware dingen van het geloof plaatsvindt.

  
/ 10837  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, van 2012 t/m 2021 op www.swedenborg.nl