Leviticus 18

Studovat vnitřní smysl

Dutch Staten Vertaling         

← Leviticus 17   Leviticus 19 →

1 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

2 Spreek tot de kinderen Israels en zeg tot hen: Ik ben de HEERE, uw God!

3 Gij zult niet doen naar de werken des Egyptischen lands, waarin gij gewoond hebt; en naar de werken des lands Kanaan, waarheen Ik u brenge, zult gij niet doen, en zult in hun inzettingen niet wandelen.

4 Mijn rechten zult gij doen, en Mijn inzettingen zult gij houden, om in die te wandelen; Ik ben de HEERE, uw God!

5 Ja, Mijn inzettingen en Mijn rechten zult gij houden; welk mens dezelve zal doen, die zal door dezelve leven; Ik ben de HEERE!

6 Niemand zal tot enige nabestaande zijns vleses naderen, om de schaamte te ontdekken; Ik ben de HEERE!

7 Gij zult de schaamte uws vaders en de schaamte uwer moeder niet ontdekken; zij is uw moeder; gij zult haar schaamte niet ontdekken.

8 Gij zult de schaamte der huisvrouw uws vaders niet ontdekken; het is de schaamte uws vaders.

9 De schaamte uwer zuster, der dochter uws vaders, of der dochter uwer moeder, te huis geboren of buiten geboren, haar schaamte zult gij niet ontdekken.

10 De schaamte der dochter uws zoons, of der dochter uwer dochter, haar schaamte zult gij niet ontdekken; want zij zijn uw schaamte.

11 De schaamte van de dochter der huisvrouw uws vaders, die uw vader geboren is (zij is uw zuster), haar schaamte zult gij niet ontdekken.

12 Gij zult de schaamte van de zuster uws vaders niet ontdekken; zij is uws vaders nabestaande.

13 Gij zult de schaamte van de zuster uwer moeder niet ontdekken; want zij is uwer moeder nabestaande.

14 Gij zult de schaamte van den broeder uws vaders niet ontdekken; tot zijn huisvrouw zult gij niet naderen; zij is uw moei.

15 Gij zult de schaamte uwer schoondochter niet ontdekken; zij is uws zoons huisvrouw; gij zult haar schaamte niet ontdekken.

16 Gij zult de schaamte der huisvrouw uws broeders niet ontdekken; het is de schaamte uws broeders.

17 Gij zult de schaamte ener vrouw en harer dochter niet ontdekken; de dochter haars zoons, noch de dochter van haar dochter zult gij nemen, om haar schaamte te ontdekken; zij zijn nabestaanden; het is een schandelijke daad.

18 Gij zult ook geen vrouw tot haar zuster nemen, om haar te benauwen, mits haar schaamte nevens haar, in haar leven, te ontdekken.

19 Ook zult gij tot de vrouw in de afzondering van haar onreinigheid niet naderen, om haar schaamte te ontdekken.

20 En gij zult niet liggen bij uws naasten huisvrouw ter bezading, om met haar onrein te worden.

21 En van uw zaad zult gij niet geven, om voor den Molech door het vuur te doen gaan; en den Naam uws Gods zult gij niet ontheiligen; Ik ben de HEERE!

22 Bij een manspersoon zult gij niet liggen met vrouwelijke bijligging; dit is een gruwel.

23 Insgelijks zult gij bij geen beest liggen, om daarmede onrein te worden; een vrouw zal ook niet staan voor een beest, om daarmede te doen te hebben; het is een gruwelijke vermenging.

24 Verontreinigt u niet met enige van deze; want de heidenen, die Ik van uw aangezicht uitwerpe, zijn met alle deze verontreinigd;

25 Zodat het land onrein is, en Ik over hetzelve zijn ongerechtigheid bezoeke, en het land zijn inwoners uitspuwt.

26 Maar gij zult Mijn inzettingen en Mijn rechten onderhouden, en van al die gruwelen niets doen, inboorling noch vreemdeling, die in het midden van u als vreemdeling verkeert.

27 Want de lieden dezes lands, die voor u geweest zijn, hebben al deze gruwelen gedaan; en het land is onrein geworden.

28 Dat u dat land niet uitspuwe, als gij hetzelve zult verontreinigd hebben; gelijk als het het volk, dat voor u was, uitgespuwd heeft.

29 Want al wie enige van deze gruwelen doen zal, die zielen, die ze doen, zullen uit het midden van haar volk uitgeroeid worden.

30 Daarom zult gij Mijn bevel onderhouden, dat gij niet doet van die gruwelijke inzettingen, die voor u zijn gedaan geweest, en u daarmede niet verontreinigt; Ik ben de HEERE, uw God!

← Leviticus 17   Leviticus 19 →
   Studovat vnitřní smysl

Explanation of Leviticus 18      

Napsal(a) Henry MacLagan

Verses 1-5. The man of the church is instructed that he ought not to live according to the evils and falsities of the merely natural man, nor of the corrupted church; but that the Lord who is Good and Truth conjoined, or rather united, ought to be worshiped.

Verse 6. Therefore, generally, man is forbidden to profane good or truth by conjoining them with evil or falsity

Verses 7-25. Nor, in particular, ought he to profane them by any illegitimate conjunctions whatever, which are described in a series, and by which the corrupted church is defiled, and is incapable of properly realizing either good or evil

Verses 26-30. On the contrary, the man of the Spiritual Church must live according to the laws of Divine Order and avoid abominations, lest he too should become corrupt, be entirely separated from genuine good and truth, and be altogether incapable of that obedience to the Lord which is the result of the heavenly marriage of good and truth from Him.


Hlavní výklad ze Swedenborgových prací:

Echtelijke Liefde 519

Další odkazy Swedenborga k této kapitole:

Hemelse Verborgenheden in Genesis en Exodus 4434, 6348, 7192, 8972, 9282

Apocalyps Onthuld 204

Conjugial Love 484

Doctrine of Life 2, 39

Odkazy ze Swedenborgových nevydaných prací:

Apocalypse Explained 235, 304, 410, 434, 768, 785, 946, ...

Spiritual Experiences 5979

Marriage 84

Jiný komentář


Skočit na podobné biblické verše

Genesis 19:5, 32, 35:22, 38:18

Exodus 20:14, 22:18, 23:24, 30:33

Leviticus 7:20, 21, 11:44, 18:2, 30, 19:19, 20:3, 11, 23, 21:6, 22:2, 24:15

Numeri 35:34

Deuteronomium 4:1, 9:4, 5, 12:30, 31, 23:1, 27:22, 23, 29:17, 30:6, 20

Rechters 20:5, 6, 10

II Samuël 13:12

I Koningen 14:24, 21:26

2 Koningen 16:3

2 Kronieken 33:2

Ezra 9:1, 11

Nehemiah 29

Psalm 106:37, 38

Proverbs 6:29

Jeremia 2:7, 5:9, 7:31, 10:2

Ezechiël 18:6, 20:5, 7, 11, 19, 22:10, 11, 36:17

Amos 2:7

Maleachi 12

Mattheüs 14:3, 4, 19:17

Marcus 6:18

Romeinen 1:27, 10:5

1 Korintiërs 5:1

Galaten 3:12

Efeziërs 4:17

Hebreeuwen 13:4

Významy biblických slov

The Lord, in the simplest terms, is love itself expressed as wisdom itself. In philosophic terms, love is the Lord's substance and wisdom is His...

Moses's name appears 814 times in the Bible (KJV), third-most of any one character (Jesus at 961 actually trails David at 991). He himself wrote...

A child is a young boy or girl in the care of parents, older than a suckling or an infant, but not yet an adolescent....

'Israel,' in Jeremiah 23:8, signifies the spiritual natural church. The children of Israel dispersed all the literal sense of the Word by falsities. 'The children...

De Heer is de liefde zelf, uitgedrukt in de vorm van de wijsheid zelf. Liefde is dan ook zijn essentie, zijn in wezen. Wijsheid -...

'Works,' as in Genesis 46:33, denote goods, because they are from the will, and anything from the will is either good or evil, but anything...

'Lands' of different nations are used in the Word to signify the different kinds of love prevalent in the inhabitants.

Canaan signifies a worship in things external without internals, which arose out of the internal church corrupted, called Ham. Thus it is that Ham is...

To walk in the Bible represents living, and usually means living according to the true things taught to us by the Lord -- to "walk...

"Keeping" in the Bible generally has to do with controlling the actual actions of life, though in some cases it can mean holding something away...

Clothing in general represents day-to-day knowledge about spiritual things, held in the memory so it can be used for the goodness of life. For someone...

Father in the Word means what is most interior, and in those things that are following the Lord's order, it means what is good. In...

In general, mothers in the Bible represent the Lord's church on earth, or the church among those who know and follow the Lord. In some...

The Lord calls people who are in truth from the good of charity from Him 'sisters,' as in Matthew 12:50. 'Sister' denotes intellectual truth, when...

Marriages among people – both in the Bible and in life – represent spiritual marriage. Women represent the desire to be good and to do...

A "house" is essentially a container - for a person, for a family, for several families or even for a large group with shared interests...

Father in the Word means what is most interior, and in those things that are following the Lord's order, it means what is good. In...

There are two ways "brother" is used in the Bible, ways that are still reflected in modern language. One denotes an actual blood relationship; the...

'Women,' as in Genesis 45:19, signify the affections of truth. But in Genesis 31:50, 'women' signify affections of not genuine truth, so not of the...

'Lives' is used in the plural, because of the will and understanding, and because these two lives make one.

Uncleanness and scum, as in Ezekiel 24:11, signifies evil and falsity.

'Pollution' denotes the truth of faith defiled.

'A seed' signifies love, and everyone who has love, as in Genesis 12:7. 8:15, 16. 'A seed' signifies faith grounded in charity. 'A seed' signifies...

Like other common verbs, the meaning of "give" in the Bible is affected by context: who is giving what to whom? In general, though, giving...

It's easy to see that names are important in the Bible. Jehovah changed Abram and Sarai to Abraham and Sarah, changed Jacob to Israel and...

"Beasts" represent the affection for doing good things, a true desire to do them from the heart. In the negative sense, "beasts" stand for the...

'To stand,' and 'come forth' as in Daniel 7:10, refers to truth. In Genesis 24:13, it signifies a state of conjunction of divine truth with...

'A nation,' as in Genesis 21:18, signifies the spiritual church which should receive the good of faith. Nation from afar,' as in Jeremiah 5:17, signifies...

Generally in the Bible a "country" means a political subdivision ruled by a king, or sometimes a tribe with a territory ruled by a king...

In the Word three terms are used to mean bad things that are done. These three are transgression, iniquity, and sin, and they are here...

Inhabitants,' in Isaiah 26:9, signify the men of the church who are in good of doctrine, and thence in the good of life.

'Vomit' relates to the falsification of divine truth.

The word "stranger" is used many times in the Bible, and it is sometimes paired with the word "sojourner". They are different concepts in the...

The "midst" of something in the Bible represents the thing that is most central and most important to the spiritual state being described, the motivation...

'Vomit' relates to the falsification of divine truth.

The nature of the soul is a deep and complicated topic, but it can be summarized as "spiritual life," who we are in terms of...