圣经文本

 

Deuteronomium第16章

学习

   

1 Neemt waar de maand Abib, dat gij den HEERE, uw God, pascha houdt; want in de maand Abib heeft u de HEERE, uw God, uit Egypteland uitgevoerd, bij nacht.

2 Dan zult gij den HEERE, uw God, het pascha slachten, schapen en runderen, in de plaats, die de HEERE verkiezen zal, om Zijn Naam aldaar te doen wonen.

3 Gij zult niets gedesemds op hetzelve eten; zeven dagen zult gij ongezuurde op hetzelve eten, een brood der ellende, (want in der haast zijt gij uit Egypteland uitgetogen); opdat gij gedenkt aan den dag van uw uittrekken uit Egypteland, al de dagen uws levens.

4 Er zal bij u in zeven dagen geen zuurdeeg gezien worden in enige uwer landpalen; ook zal van het vlees, dat gij aan den avond van den eersten dag geslacht zult hebben, niets tot den morgen overnachten.

5 Gij zult het pascha niet mogen slachten in een uwer poorten, die de HEERE, uw God, u geeft.

6 Maar aan de plaats, die de HEERE, uw God, verkiezen zal om daar Zijn Naam te doen wonen, aldaar zult gij het pascha slachten aan den avond, als de zon ondergaat, ter bestemder tijd van uw uittrekken uit Egypte.

7 Dan zult gij het koken en eten in de plaats, die de HEERE, uw God, verkiezen zal; daarna zult gij u des morgens keren, en heengaan naar uw tenten.

8 Zes dagen zult gij ongezuurde broden eten, en aan den zevenden dag is een verbods dag den HEERE, uw God; dan zult gij geen werk doen.

9 Zeven weken zult gij u tellen; van dat men met de sikkel begint in het staande koren, zult gij de Zeven weken beginnen te tellen.

10 Daarna zult gij den HEERE, uw God, het feest der weken houden; het zal een vrijwillige schatting uwer hand zijn, dat gij geven zult, naardat u de HEERE, uw God, zal gezegend hebben.

11 En gij zult vrolijk zijn voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, gij, en uw zoon, en uw dochter, en uw dienstknecht, en uw dienstmaagd, en de Leviet, die in uw poorten is, en de vreemdeling, en de wees, en de weduwe, die in het midden van u zijn; in de plaats, die de HEERE, uw God, zal verkiezen, om Zijnen Naam aldaar te doen wonen.

12 En gij zult gedenken, dat gij een dienstknecht geweest zijt in Egypte; en gij zult deze inzettingen houden en doen.

13 Het feest der loofhutten zult gij u zeven dagen houden, als gij zult hebben ingezameld van uw dorsvloer en van uw wijnpers.

14 En gij zult vrolijk zijn op uw feest, gij, en uw zoon, en uw dochter, en uw dienstknecht, en uw dienstmaagd, en de Leviet, en de vreemdeling, en de wees, en de weduwe, die in uw poorten zijn.

15 Zeven dagen zult gij den HEERE, uw God, feest houden, in de plaats, die de HEERE verkiezen zal; want de HEERE, uw God, zal u zegenen in al uw inkomen, en in al het werk uwer handen; daarom zult gij immers vrolijk zijn.

16 Driemaal in het jaar zal alles, wat mannelijk onder u is, voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, verschijnen, in de plaats, die Hij verkiezen zal: op het feest der ongezuurde, en op het feest der weken, en op het feest der loofhutten; maar het zal niet ledig voor het aangezicht des HEEREN verschijnen:

17 Een ieder, naar de gave zijner hand, naar den zegen des HEEREN, uws Gods, dien Hij u gegeven heeft.

18 Rechters en ambtlieden zult gij u stellen in al uw poorten, die de HEERE, uw God, u geven zal, onder uw stammen; dat zij het volk richten met een gericht der gerechtigheid.

19 Gij zult het gericht niet buigen; gij zult het aangezicht niet kennen; ook zult gij geen geschenk nemen; want het geschenk verblindt de ogen der wijzen, en verkeert de woorden der rechtvaardigen.

20 Gerechtigheid, Gerechtigheid zult gij najagen; opdat gij leeft, en erfelijk bezit het land, dat u de HEERE, uw God, geven zal.

21 Gij zult u geen bos planten van enig geboomte, bij het altaar des HEEREN, uws Gods, dat gij u maken zult.

22 Ook zult gij u geen opgericht beeld stellen, hetwelk de HEERE, uw God, haat.

   

来自斯威登堡的著作

 

Apocalyps Onthuld#298

学习本章节

  
/962  
  

298. En ik zag en zie, een wit paard, betekent het verstand van het ware en het goede vanuit het Woord bij dezen.

Met het paard wordt het verstand van het Woord aangeduid en met het witte paard het verstand van het ware vanuit het Woord; van het witte immers wordt gesproken met betrekking tot de ware dingen, nr. 167.

Dat het paard het verstand van het Woord betekent, is getoond in een afzonderlijk werkje over ‘het Witte Paard’; maar omdat daar alleen enkele plaatsen zijn aangevoerd, zullen hier ter bevestiging meerdere worden aangevoerd; dit blijkt duidelijk hieruit dat er paarden gezien werden die uitgingen van het Boek dat het Lam opende en dat de levende wezens zeiden: Kom en zie toe; met de levende wezens immers wordt het Woord aangeduid, nrs. 239, 275, 286; met het Boek evenzo, nr. 256; en met de Zoon des Mensen, Die hier het Lam is, de Heer ten aanzien van het Woord, nr. 44; uit deze dingen blijkt ineens, dat niet iets anders hier onder het paard wordt verstaan dan het verstand van het Woord; dit kan nog duidelijker vaststaan uit het volgende in de Openbaring:

‘Ik zag de hemel geopend, toen, zie, een wit paard en Die op hetzelve zat, wordt genaamd het Woord Gods; en Hij heeft op Zijn bekleedsel en op Zijn dij de naam geschreven: Koning der koningen en Heer der heren; en de heirlegers van Hem in de hemelen volgden Hem op witte paarden’, (Openbaring 19:11, 13, 14, 16).

Dat het paard het verstand van het Woord betekent, kan verder nog vaststaan uit de volgende plaatsen:

‘Is Uw ontsteking tegen de zee, Jehovah, dat Gij rijdt op Uw paarden; Uw wagens zijn heil; Gij vertrad met Uw paarden de zee, het slijk der wateren’, (Habakuk 3:8, 15).

‘De hoeven der paarden van Jehovah worden geacht zoals steenrotsen’, (Jesaja 5:28).

‘Te dien dage zal Ik alle paard met verbijstering slaan en zijn ruiter met woede; en alle paard der volken zal Ik slaan met blindheid’, (Zacharia 12:4).

‘Te dien dage zal op de bellen der paarden staan: Heiligheid van Jehovah’, (Zacharia 14:20).

‘Omdat God haar de wijsheid heeft doen vergeten en haar ook niet het inzicht heeft toebedeeld; op de tijd waarop zij zich in hoogte verheft, belacht zij het paard en zijn ruiter’, (Job 39:17, 18) e.v..

‘Ik zal het paard vanuit Jeruzalem afhouwen; daarentegen zal Hij de natie vrede spreken’, (Zacharia 9:10).

‘Van Uw schelden, o Jehovah, is zowel wagen als paard ingesluimerd’, (Psalm 76:6, 7).

‘Ik zal de troon der koningen omkeren en Ik zal omkeren de wagen en die daarin rijden en de paarden en hun ruiters zullen nederdalen’, (Haggaï 2:13).

‘Ik zal door U koninkrijken verstrooien, Ik zal door U het paard en zijn ruiter verstrooien’, (Jeremia 51:20, 21).

‘Vergadert u van de omtrek over Mijn slachtoffer; gij zult verzadigd worden aan Mijn tafel met het paard en de wagen; zo zal Ik Mijn heerlijkheid geven onder de natiën’, (Ezechiël 39:17, 20, 21).

‘Vergadert u tot het grote Avondmaal Gods en gij zult eten de vlezen der paarden en van degenen die daarop zitten’, (Openbaring 19:17, 18).

‘Dan zal een adder zijn op het pad, bijtende des paards verzenen en zijn ruiter zal achterovervallen; Uw heil verwacht ik, o Jehovah’, (Genesis 49:17, 18).

‘Gord Uw zwaard aan, Machtige, stijg op, rijd op het Woord der Waarheid’, (Psalm 45:4-6).

‘Zingt Gode, verhoogt Hem die op de wolken rijdt’, (Psalm 68:5).

‘Zie, Jehovah rijdende op de wolk’, (Jesaja 19:1, 2).

‘Psalmzingt de Heer, Die daar rijdt op de hemel des hemels der oudheid’, (Psalm 68:33, 34).

‘God reed op een cherub’, (Psalm 18:11).

‘Dan zult gij verlustigd worden in Jehovah en Ik zal u doen rijden op de hoogten der aarde’, (Jesaja 58:14).

‘Jehovah alleen leidde hem, en deed hem rijden op de hoogten der aarde’, (Deuteronomium 32:12, 13).

‘Ik zal Efraïm doen rijden’, (Hosea 10:11); Efraïm betekent ook het verstand van het Woord.

Daar Elia en Elisa de Heer uitbeelden ten aanzien van het Woord, werden zij daarom ‘de wagen Israëls en zijn ruiters’ genoemd; Elisa zei tot Elia:

‘Mijn vader, mijn vader, wagen Israëls en zijn ruiters’, (2 Koningen 2:12); en de koning Joas zei tot Elisa:

‘Mijn vader, wagen Israëls en zijn ruiters’, (2 Koningen 13:14).

‘Jehovah opende de ogen van de knaap van Elisa, en hij zag, en zie, de berg was vol vurige paarden en wagens rondom Elisa’, (2 Koningen 6:17); de wagen betekent de leer vanuit het Woord en de ruiter hij die wijs is daaruit.

Eendere dingen worden aangeduid met ‘de vier wagens uitgaande tussen de bergen van brons en met de vier daaraan gebonden paarden, die rossig, zwart, wit en hagelvlekkig waren’, die ook de vier geesten worden genoemd en waarvan gezegd wordt dat ‘zij uitgingen van te staan naast de Heer der ganse aarde’, (Zacharia 6:1-8, 15).

In deze plaatsen wordt met de paarden het verstand van het Woord aangeduid of het verstand van het ware vanuit het Woord; evenzo in andere plaatsen.

Dit kan verder nog vaststaan uit de in de tegengestelde zin genoemde paarden, waarin zij betekenen, het verstand van het Woord en van het ware, maar door redeneringen vervalst en eveneens te gronde gericht en ook het eigen inzicht, zoals in de volgende plaatsen:

‘Wee degenen die tot Egypte om hulp afklimmen en op paarden steunen en niet zien op de Heilige Israëls, want Egypte is mens en niet God en zijn paarden vlees en niet geest’, (Jesaja 31:1, 3).

‘Stel over Israël een koning, die Jehovah verkiezen zal, alleen zal hij voor zich de paarden niet vermenigvuldigen, opdat hij niet het volk zal terugleiden tot Egypte, om de paarden te vermenigvuldigen’, (Deuteronomium 17:14-16).

Deze dingen zijn gezegd, omdat met Egypte wordt aangeduid de wetenschap en de redenering vanuit het eigen inzicht, vanwaar de vervalsing van het ware van het Woord, welke hier het paard is.

‘Assur zal ons niet behouden, op paarden zullen wij niet rijden’, (Hosea 14:4).

‘Dezen beroemen zich op de wagen en genen op paarden, wij echter zullen ons beroemen op de Naam van onze God’, (Psalm 20:8, 9).

‘De leugen, het paard tot heil’, (Psalm 33:17).

‘Jehovah heeft geen lust aan de sterkte des paards’, (Psalm 147:10).

‘De Heilige Israëls zei: In het vertrouwen zal uw kracht zijn; maar gij zei: Neen; op het paard zullen wij vlieden en op het snelle zullen wij rijden’, (Jesaja 30:15, 16).

‘Jehovah zal Jehudah stellen gelijk het paard der heerlijkheid; beschaamd zullen zijn zij die op paarden rijden’, (Zacharia 10:3-5).

‘Wee de stad der bloeden, gans vol van leugen en het paard hinnikend en de wagen opspringend; de ruiter doende opklimmen’, (Nahum 3:1-4).

‘Ik zal tegen Tyrus de koning van Babel toevoeren met paard en met wagen en met ruiters; vanwege de overvloed der paarden zal u hun stof bedekken; vanwege de stem des ruiters en des wagens zullen uw muren geschud worden; met de hoeven van zijn paarden zal hij al uw straten vertreden’, (Ezechiël 26:7-15); met Tyrus wordt de Kerk aangeduid ten aanzien van de erkentenissen van het ware, hier de vervalste erkentenissen van het ware van de Kerk, namelijk de paarden van Babel, behalve in andere plaatsen, zoals in, (Jesaja 5:26, 28; Jeremia 6:22, 23; 8:16; 46:4, 9; 50:37, 38, 42; Ezechiël 17:15; 23:6, 20; Habakuk 1:6, 8-10; Psalm 66:11, 12).

Het te gronde gerichte verstand van het Woord wordt ook aangeduid met het: rossige, het zwarte en het vale paard in wat nu volgt.

Dat het paard het verstand van het ware vanuit het Woord betekent is vanuit de verschijningen in de geestelijke wereld, zie het werkje ‘het Witte Paard’.

  
/962  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, 2017, op www.swedenborg.nl

圣经文本

 

Ezechiël第39章:20

学习

       

20 En gij zult verzadigd worden aan Mijn tafel van rij paarden en wagen paarden, van helden en alle krijgslieden, spreekt de Heere Heere.