სვედენბორგის ნაშრომებიდან

 

Over het Nieuwe Jeruzalem en haar Hemelse Leer # 248

შეისწავლეთ ეს პასაჟი.

  
/ 325  
  

ჯერჯერობით, ეს თარგმანი შეიცავს პასაჟებს #325 -მდე. ალბათ ჯერ კიდევ სამუშაოა. თუ მარცხენა ისარს დააჭერთ, ნახავთ ბოლო თარგმნილ რიცხვს.

  
/ 325  
  

Published by Swedenborg Boekhuis.

სვედენბორგის ნაშრომებიდან

 

Hemelse Verborgenheden in Genesis en Exodus # 3686

შეისწავლეთ ეს პასაჟი.

  
/ 10837  
  

3686. Dat de woorden ‘en Ezau zag, dat de dochters van Kanaän boos waren in de ogen van Izaäk zijn vader’ het vooruitzien en de voorzienigheid van de Heer betekenen, dat de aandoeningen van dit ware, waarmee het natuurlijk goede tot dusver verbonden was, niet tot verbinding zouden leiden, blijkt uit de betekenis van ‘zien’ hier, namelijk het vooruitzien en de voorzienigheid, waarover de nrs. 2837, 2839;

uit de uitbeelding van Ezau, namelijk de Heer ten aanzien van het Goddelijk Goede van het Natuurlijke, waarover eerder; uit de betekenis van de dochters van Kanaän, hier de dochters van Cheth, namelijk de aandoeningen van het ware van een niet echte oorsprong, waarover de nrs. 3470, 3620-3622;

en uit de betekenis van ‘boos in de ogen van Izaäk zijn vader’, namelijk niet leiden tot verbinding, te weten door het goede van het natuurlijke, dat Ezau is, met het goede van het redelijke, dat Izaäk is. Hieruit blijkt duidelijk, dat door deze woorden wordt aangeduid het vooruitzien en de voorzienigheid van de Heer, dat de aandoeningen van dit ware, aangezien het niet uit het echte voortkomt, niet tot verbinding zouden leiden. Hoe het hiermee gesteld is, kan uit de verklaring van de verzen 34 en 35 van het 26ste hoofdstuk blijken, waar wordt gehandeld over de dochters van Cheth, die Ezau zich tot vrouwen had genomen en uit de verklaring van vers 46 van het 27ste hoofdstuk, waar gehandeld wordt over Jakob, dat hij zich geen vrouw zou nemen uit de dochters van Kanaän. Dat door de dochters van Kanaän hier de aandoeningen van het ware van niet echte oorsprong worden aangeduid en eerder door de dochters van Kanaän de aandoeningen van het valse en boze, nrs. 3662, 3683, komt omdat de Chittieten in het land Kanaän tot de Kerk van de natiën behoorden en niet zozeer in het valse en boze waren als de andere natiën daar, zoals de Kanaänieten, Emorieten en Perisieten. Daar kwam het vandaan dat door de Chittieten de geestelijke Kerk van de Heer bij de heidenen werd uitgebeeld, nrs. 2913, 2986.

Dat de Oudste Kerk, die hemels was en vóór de vloed bestond, in het land Kanaän was, zie nr. 567;

en dat de Oude Kerk die na de vloed bestond, ook daar was, behalve in verschillende andere koninkrijken, nrs. 1238, 2385. Zo is het gekomen dat alle rivieren daar een uitbeeldend karakter aannamen en ook alle landen daar en alle rivieren die daar waren, een uitbeeldend karakter aannamen; want de Oudsten, die hemelse mensen waren, werden door alle voorwerpen die zij zagen, innerlijk zulke dingen gewaar als tot het rijk van de Heer behoren, nrs. 920, 1409, 2896, 2897, 2995; dus ook door de landen en rivieren daar. Deze uitbeeldende dingen bleven na de tijden van de Oudsten in de Oude Kerk voortbestaan, dus ook de uitbeeldende dingen van de plaatsen daar. Het Woord in de Oude Kerk, nr. 2897-2899 had daarvandaan ook de uitbeeldende namen van plaatsen, zoals ook het Woord na hun tijd had, dat ‘Mozes en de Profeten’ wordt genoemd. En omdat dit zo was, werd het Abraham bevolen daarheen te gaan en werd hem de belofte gedaan, dat zijn nakomelingen dat land zouden bezitten en dit niet omdat zij beter waren dan de overige natiën – want zij behoorden onder de allerslechtsten, nrs. 1167, 3373 – maar opdat door hen de uitbeeldende Kerk zou worden ingesteld, waarin niets zou terugslaan op de persoon en op de plaatsen, maar op de dingen die werden uitgebeeld, nr. 3670 en opdat dus zo eveneens de namen van de Oudste en de Oude Kerk bewaard zouden blijven.

  
/ 10837  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, van 2012 t/m 2021 op www.swedenborg.nl

სვედენბორგის ნაშრომებიდან

 

Hemelse Verborgenheden in Genesis en Exodus # 1032

შეისწავლეთ ეს პასაჟი.

  
/ 10837  
  

1032. Dat de woorden ‘En Ik richt Mijn verbond op met u’ de tegenwoordigheid van de Heer betekenen bij eenieder die naastenliefde heeft, en betrekking hebben op hen die uit de ark gaan, en op al het wild gedierte op het veld, dat wil zeggen, op de mensen binnen de Kerk en op de mensen buiten de Kerk, blijkt uit hetgeen kort tevoren is gezegd. Dat de Heer ook een verbond aangaat, of zich door naastenliefde ook verbindt met hen, die buiten de Kerk zijn, en heidenen genoemd worden, hiermee is het als volgt gesteld: de mens van de Kerk meent, dat allen die buiten de Kerk zijn en heidenen genoemd worden niet zalig kunnen worden, omdat zij geen erkentenissen van het geloof hebben en dus hoegenaamd niets van de Heer weten; hij zegt dat er zonder geloof en zonder erkentenis van de Heer geen heil is; zo verdoemt hij allen die buiten de Kerk zijn. Er zijn zelfs velen van dien aard, die in een leer, ja in een ketterij zijn, en menen, dat allen die buiten hun leer of buiten hun ketterij staan, dat wil zeggen, die niet zo voelen als zij, niet zalig worden; toch is het daarmee geheel anders gesteld. De Heer strekt Zijn barmhartigheid over het gehele menselijk geslacht uit, en Hij wil allen in de gehele wereld zalig maken en tot zich trekken. De barmhartigheid van de Heer is oneindig, en laat zich niet beperken tot de weinigen die binnen de Kerk zijn, maar zij strekt zich uit over allen op het gehele aardrijk; dat zij buiten de Kerk geboren zijn en zo in de onwetendheid van het geloof verkeren, is niet hun schuld, en nooit wordt iemand verdoemd omdat hij geen geloof in de Heer heeft, wanneer hij Hem niet kent. Welk weldenkend mens zou nu ooit kunnen zeggen, dat het grootste deel van het menselijk geslacht de eeuwige dood moet sterven, omdat het niet in Europa is geboren, waar betrekkelijk weinig mensen zijn? En welk weldenkend mens zou ooit kunnen zeggen, dat de Heer een zo grote menigte mensen laat geboren worden om hen de eeuwige dood te laten sterven? Dat zou in strijd zijn met het Goddelijke en met de barmhartigheid. En bovendien leiden zij, die buiten de Kerk zijn en heidenen genoemd worden, een veel zedelijker leven dan zij, die in de Kerk zijn, en nemen zij veel lichter de leer van het ware geloof aan. Dit komt nog duidelijker uit bij de zielen in het andere leven; uit de zogenaamde christelijke wereld komen de allerergsten, die een dodelijke haat tegen de naaste en een dodelijke haat tegen de Heer koesteren, en die meer dan alle anderen in de gehele wereld echtbrekers zijn; niet in die mate uit de overige werelddelen, want zeer velen van diegenen, die afgoden hadden vereerd, zijn van zo’n inborst, dat zij haat en echtbreuk verafschuwen, en de christenen vrezen, omdat dezen zo aangelegd zijn en omdat zij iedereen willen kwellen. Zelfs zijn de heidenen van dien aard, dat zij, wanneer zij door de engelen worden onderwezen, de waarheden van het geloof en dat de Heer het heelal regeert, bereidwillig luisteren en gemakkelijk van het geloof doordrongen worden, en zo hun afgoden verwerpen. Daarom worden de heidenen, die een zedelijk leven geleid hebben, en in wederkerige naastenliefde en in onschuld geleefd hebben, in het andere leven wedergeboren. Zolang zij in de wereld leven, is de Heer bij hen tegenwoordig in de naastenliefde en in de onschuld, want er is geen naastenliefde en geen onschuld, tenzij van de Heer. De Heer schenkt hun ook een geweten voor het rechte en het goede, overeenkomstig hun godsdienst, en in dit geweten legt Hij onschuld en naastenliefde, en wanneer er onschuld en naastenliefde in hun geweten is, laten zij zich gemakkelijk doordringen van het ware van het geloof dat uit het goede voortkomt. Dit heeft de Heer Zelf gezegd, bij Lukas:

‘En er zei één tot Jezus: Heer, zijn er ook weinigen die zalig worden? En Hij zei tot hen: Gij zult Abraham, Izaäk en Jakob zien, en al de profeten in het Koninkrijk Gods, maar ulieden buiten uitgeworpen. En daar zullen er komen van oosten en westen, en van noorden en zuiden, en zullen aanzitten in het koninkrijk Gods; en ziet, er zijn laatsten, die de eersten zullen zijn, en er zijn eersten, die de laatsten zullen zijn’, (Lukas 13:23, 28, 29, 30);

onder Abraham, Izaäk en Jakob worden hier allen verstaan, die in de liefde zijn, zoals eerder is aangetoond.

  
/ 10837  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, van 2012 t/m 2021 op www.swedenborg.nl