圣经文本

 

Genesis第4章

学习

   

1 En Adam bekende Heva, zijn huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde Kain, en zeide: Ik heb een man van de HEERE verkregen!

2 En zij voer voort te baren zijn broeder Habel; en Habel werd een schaapherder, en Kain werd een landbouwer.

3 En het geschiedde ten einde van enige dagen, dat Kain van de vrucht des lands den HEERE offer bracht.

4 En Habel bracht ook van de eerstgeborenen zijner schapen, en van hun vet. En de HEERE zag Habel en zijn offer aan;

5 Maar Kain en zijn offer zag Hij niet aan. Toen ontstak Kain zeer, en zijn aangezicht verviel.

6 En de HEERE zeide tot Kain: Waarom zijt gij ontstoken, en waarom is uw aangezicht vervallen?

7 Is er niet, indien gij weldoet, verhoging? en zo gij niet weldoet, de zonde ligt aan de deur. Zijn begeerte is toch tot u, en gij zult over hem heersen.

8 En Kain sprak met zijn broeder Habel; en het geschiedde, als zij in het veld waren, dat Kain tegen zijn broeder Habel opstond, en sloeg hem dood.

9 En de HEERE zeide tot Kain: Waar is Habel, uw broeder? En hij zeide: Ik weet het niet; ben ik mijns broeders hoeder?

10 En Hij zeide: Wat hebt gij gedaan? daar is een stem des bloeds van uw broeder, dat tot Mij roept van den aardbodem.

11 En nu zijt gij vervloekt van den aardbodem, die zijn mond heeft opengedaan, om uws broeders bloed van uw hand te ontvangen.

12 Als gij den aardbodem bouwen zult, hij zal u zijn vermogen niet meer geven; gij zult zwervende en dolende zijn op aarde.

13 En Kain zeide tot den HEERE: Mijn misdaad is groter, dan dat zij vergeven worde.

14 Zie, Gij hebt mij heden verdreven van den aardbodem, en ik zal voor Uw aangezicht verborgen zijn; en ik zal zwervende en dolende zijn op de aarde, en het zal geschieden, dat al wie mij vindt, mij zal doodslaan.

15 Doch de HEERE zeide tot hem: Daarom, al wie Kain doodslaat, zal zevenvoudig gewroken worden! En de HEERE stelde een teken aan Kain; opdat hem niet versloeg al wie hem vond.

16 En Kain ging uit van het aangezicht des HEEREN; en hij woonde in het land Nod, ten oosten van Eden.

17 En Kain bekende zijn huisvrouw, en zij werd bevrucht en baarde Henoch; en hij bouwde een stad, en noemde den naam dier stad naar den naam zijns zoons, Henoch.

18 En aan Henoch werd Hirad geboren; en Hirad gewon Mechujael; en Mechujael gewon Methusael; en Methusael gewon Lamech.

19 En Lamech nam zich twee vrouwen; de naam van de eerste was Ada, en de naam van de andere Zilla.

20 En Ada baarde Jabal; deze is geweest een vader dergenen, die tenten bewoonden, en vee hadden.

21 En de naam zijns broeders was Jubal; deze werd de vader van allen, die harpen en orgelen handelen.

22 En Zilla baarde ook Tubal-Kain, een leermeester van allen werker in koper en ijzer; en de zuster van Tubal-Kain was Naema.

23 En Lamech zeide tot zijn vrouwen Ada en Zilla: Hoort mijn stem, gij vrouwen van Lamech! neemt ter ore mijn rede! Voorwaar, ik sloeg wel een man dood, om mijn wonde, en een jongeling, om mijn buile!

24 Want Kain zal zevenvoudig gewroken worden, maar Lamech zeventigmaal zevenmaal.

25 En Adam bekende wederom zijn huisvrouw, en zij baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Seth; want God heeft mij, sprak zij, een ander zaad gezet voor Habel; want Kain heeft hem doodgeslagen.

26 En denzelven Seth werd ook een zoon geboren, en hij noemde zijn naam Enos. Toen begon men den naam des HEEREN aan te roepen.

   

来自斯威登堡的著作

 

Arcana Coelestia#349

学习本章节

  
/10837  
  

349. 'A gift' is used to mean worship. This becomes clear from the representative acts in the Jewish Church where, in addition to first-fruits of the earth and of all it yields, and also presentation of the firstborn, sacrifices of every kind are called 'gifts'. It was in these acts that worship consisted. And because they each represented something heavenly and had reference to the Lord, these gifts meant true worship, a fact that anyone is capable of recognizing. For what is any representative without the real thing it represents, and what is anything external without an internal but some idol or object that is dead? That which is external has life from things that are internal, that is, from the Lord through those internal things. From this it is clear that all gifts in the representative Church mean worship of the Lord. Further details on these points will in the Lord's Divine mercy be presented later on.

[2] That 'gifts' in general means worship becomes clear from various places in the Prophets, as in Malachi,

Who endures the day of His coming? He will sit as a refiner and purifier of silver, and He will purify the sons of Levi and purge them like gold, and like silver, and they will be people who present to Jehovah a gift in righteousness. Then the gift of Judah and Jerusalem will be pleasing to Jehovah as in the days of old and as in the former years. Malachi 3:2-4.

'A gift in righteousness' means something internal, which 'the sons of Levi', that is, devout worshippers, are going to offer. 'The days of old' means the Most Ancient Church, and 'former years' the Ancient Church.

In Ezekiel,

On My holy mountain, on the mountain height of Israel, all the house of Israel, the whole of that land, will worship Me. There I will be well-disposed towards them, and there I will require your offerings and the first-fruits comprising your gifts in all your holy acts. Ezekiel 20:40.

'Offerings and first-fruits comprising gifts in holy acts' similarly are works that have been made holy through charity from the Lord. In Zephaniah,

From beyond the rivers of Ethiopia those who adore Me will bring My gift. Zephaniah 3:10.

'Ethiopia' stands for people who are in possession of celestial things, namely love, charity, and works stemming from charity.

  
/10837  
  

Thanks to the Swedenborg Society for the permission to use this translation.