Van Swedenborgs Werken

 

Hemelse Verborgenheden in Genesis #5044

Hemelse Verborgenheden in Genesis (Weevers vertaling)      

Study this Passage

Ga naar sectie / 10837  

← Vorige   Volgende →

5044. 'En de vorst van het huis der gevangenis gaf'; dat dit het in de staat der verzoekingen leidende ware betekent, staat vast uit de betekenis van de vorst, te weten het primaire ware, dus dat wat geleid, waarover hierna; en uit de betekenis van het huis der gevangenis, namelijk de verwoesting van het valse, dus de verzoeking, nrs. 5038, 5039, 5043.

Wat het in de staat der verzoekingen leidende ware is, moet eerst worden gezegd: bij allen die in de verzoekingen zijn, vloeit het ware uit de Heer in, en dit regeert het denken en leidt het; dit richt hen op zo vaak als zij in twijfels en eveneens in wanhoop vallen; dit geleidende ware is dat ware en zo’n ware dat zij vanuit het Woord of vanuit de leer hebben geleerd en zij zelf bij zich hebben bevestigd; andere ware dingen worden dan weliswaar ook opgeroepen, maar die leiden hun innerlijke dingen niet; soms vertoont dat ware dat geleid zich niet zichtbaar voor het verstand, maar het schuilt in het duister, maar geleid niettemin; het Goddelijke van de Heer vloeit immers daarin, en houdt zo de innerlijke dingen van het gemoed daarin; daarom ontvangt, wanneer dat in het licht komt, hij die in verzoeking is, vertroosting en wordt hij opgeheven. Het is niet dat ware zelf, maar het is de aandoening van dat ware, waardoor de Heer hen geleid die in de verzoekingen zijn; het Goddelijke immers vloeit niet in dan in de dingen die van de aandoening zijn. Het ware dat in de innerlijke dingen van de mens is ingeplant en ingeworteld, is ingeplant en ingeworteld door de aandoening en volledig niets zonder aandoening. Het ware dat is ingeplant en ingeworteld door de aandoening, dit kleeft aan en het wordt teruggeroepen door de aandoening en wanneer zo dat ware wordt teruggeroepen, doet het de daarmee verbonden aandoening optreden en deze aandoening is de wederkerige van de mens. Omdat het dus zo is gesteld met de mens die in de verzoekingen is, wordt daarom niemand in enige geestelijke verzoeking toegelaten voordat hij in de volwassen leeftijd is en dus van enig ware is doordrenkt, waardoor hij geleid kan worden; is dit niet het geval, dan bezwijkt hij en dan wordt zijn latere staat erger dan de vorige. Hieruit kan vaststaan wat onder het in de staat der verzoekingen geleidende ware wordt verstaan, dat wordt aangeduid met de vorst van het huis der gevangenis. Dat de vorst het primaire ware is, komt omdat de koning in de innerlijke zin het ware zelf betekent, nrs. 1672, 1728, 2015, 2069, 3009, 3670, 4575, 4581, 4789, 4966; vandaar betekenen de vorsten, omdat zij tot de koning behoren, de primaire dingen van dat ware. Dat de vorsten die dingen betekenen zie de nrs. 1482, 2089; maar omdat het daar uit andere plaatsen in het Woord niet zodanig werd getoond, zo mogen hier enige worden aangevoerd.

Bij Jesaja:

‘Een Knaap is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, op Wiens schouder het vorstendom zal zijn; de Vorst des vredes; vermenigvuldigende het vorstendom en de vrede, er zal geen einde zijn’, (Jesaja 9:5, 6);

daar wordt over de Heer gehandeld; het vorstendom op de schouder, is al het Goddelijk Ware in de hemelen uit Hem; de hemelen immers zijn onderscheiden in vorstendommen volgens de ware dingen vanuit het goede; vandaar eveneens worden de engelen vorstendommen genoemd; de vrede is de gezegende staat in de hemelen, die het goede en het ware uit de binnenste dingen aandoet, nr. 3780;

vandaar wordt de Heer de Vorst des vredes genoemd en wordt er gezegd: vermenigvuldigende het vorstendom en de vrede, waaraan geen einde zal zijn.

Bij dezelfde:

‘Dwaas zijn de vorsten van Zoan, de wijzen, de raadgevers van Farao; hoe zegt gij tot Farao: Een zoon der wijzen ben ik, een zoon der koningen der oudheid; verdwaasd zijn de vorsten van Zoan, bedrogen de vorsten van Nof; en zij hebben Egypte verleid, de hoeksteen der stammen’, (Jesaja 19:11, 13), waar over Egypte wordt gehandeld, waarmee het wetenschappelijke van de Kerk wordt aangeduid, nr. 4749, dus het natuurlijk ware, dat het laatste van de orde is; en daarom ook wordt hier Egypte de hoeksteen der stammen genoemd; de stammen immers zijn alle dingen van het ware in één samenvatting, nrs. 3858, 3862, 3926, 3939, 4060; hier is echter Egypte het wetenschappelijke dat de ware dingen van de Kerk verdraait, dus de vervalste ware dingen in het laatste van de orde, die de vorsten van Zoan en de vorsten van Nof zijn; dat het zichzelf een zoon der koningen der oudheid noemt, komt omdat de wetenschappelijke dingen daar waren vanuit de ware dingen van de Oude Kerk; de ware dingen zelf worden aangeduid met de koningen, zoals eerder is getoond, en de ware dingen van de Oude Kerk met de koningen der oudheid.

Bij dezelfde:

‘Aschur denkt niet het rechte en zijn hart overdenkt niet het rechte, want tot verderven is zijn hart en tot het uitroeien van niet weinige natiën; want hij zegt: Zijn niet mijn vorsten koningen’, (Jesaja 10:7, 8);

Aschur staat voor de redenering over de Goddelijke ware dingen, vanwaar de valsheden zijn, dus voor de verdraaide rede, nr. 1186;

de vandaar vervalste ware dingen of de valse dingen die door redeneringen ontstaan en verschijnen als de eigenlijke ware dingen zelf, worden daarmee aangeduid met de woorden: Zijn niet mijn vorsten koningen. Dat Aschur de redenering is en dat de vorsten die koningen zijn, die worden beschouwd als de primaire valse dingen, waarvan men gelooft dat die de eigenlijke ware dingen zelf zijn, kan men niet zien en vandaar niet geloven, zolang het gemoed in de historische zin van de letter wordt gehouden en nog minder, indien het gemoed in het ontkennende is dat er in het Goddelijk Woord iets heiligers en universeler is gelegen dan wat in de letter verschijnt, terwijl toch in de innerlijke zin onder Aschur niets anders in het Woord wordt verstaan dan de rede en de redenering en onder de koningen de ware dingen zelf en onder de vorsten de primaire dingen van het ware. Ook weet men in de hemel niet wat Aschur is en eveneens werpen de engelen de voorstelling van een koning en van een vorst van zich en wanneer zij die bij de mens bemerken, dragen zij haar op de Heer over en doorvatten zij datgene wat uit de Heer voortgaat en wat van de Heer is in de hemel, namelijk het Goddelijk Ware uit Zijn Goddelijk Goede.

Bij dezelfde:

‘Aschur valt door het zwaard, niet eens mans en het zwaard, niet eens mensen, zal hem verteren; ook zal zijn rots van schrik doorgaan en zijn vorsten zullen ontsteld worden door de banier’, (Jesaja 31:8, 9);

daar wordt ook over Egypte gehandeld, namelijk het verdraaide wetenschappelijke van de Kerk; de redenering uit de wetenschappelijke dingen over de Goddelijke ware dingen, vanwaar de verdraaiing en de vervalsing is, is Aschur; die verdraaide en vervalste ware dingen, zijn de vorsten; het zwaard waardoor Aschur zal vallen, is het valse dat het ware bestrijdt en verwoest, nrs. 2799, 4499.

Bij dezelfde:

‘De sterkte van Farao zal ulieden tot schaamte worden en het vertrouwen in de schaduw van Egypte tot schande, wanneer zijn vorsten in Zoan zullen zijn geweest’, (Jesaja 30:3, 4);

de vorsten van Zoan voor de vervalste ware dingen, dus voor de valse dingen, zoals eerder.

Bij dezelfde:

‘De pelikaan en de eend zullen het bezitten en de nachtuil en de raaf zullen daarin wonen; Hij zal een richtsnoer der ledigheid en een richtlood der woestheid over het trekken; zijn edelen zijn daar niet, laten zij het koninkrijk roepen en al zijn vorsten zullen niets zijn’, (Jesaja 34:11, 12);

de pelikaan, de eend, de nachtuil en de raaf staan voor de geslachten van het valse, die ontstaan wanneer de Goddelijke ware dingen die in het Woord zijn, te niet gaan; de verlating en de verwoesting van het ware wordt aangeduid met het richtsnoer der ledigheid en het richtlood der woestheid; en de valse dingen die voor hen de primaire ware dingen zijn, door de vorsten.

Bij dezelfde:

‘Ik zal de vorsten der heiligheid profaan maken en Ik zal Jakob ten vloek geven en Israël tot beschimpingen’, (Jesaja 43:28);

de vorsten der heiligheid profaan maken, voor de heilige ware dingen; de uitroeiing van het ware van de uiterlijke en van de innerlijke Kerk wordt aangeduid met Jakob ten vloek en Israël tot beschimpingen geven; dat Jakob de uiterlijke Kerk en Israël de innerlijke Kerk is, zie nr. 4286.

Bij Jeremia:

‘Binnentreden door de poorten van deze stad zullen de koningen en de vorsten, zittende op de troon van David, rijdende in de wagen en op paarden, zijzelf en hun vorsten’, (Jeremia 17:25). Wie het Woord hier in de historische zin verstaat, kan niet weten dat in deze dingen iets hogers en heiligers is verborgen dan dat koningen en vorsten zullen binnentreden door de poorten van de stad in de wagen en op de paarden en hij maakt daaruit op dat de duur van het koninkrijk wordt aangeduid, maar wie weet wat in de innerlijke zin de stad betekent, wat de koningen, de vorsten, de troon van David en wat rijden in de wagen en op de paarden, zie de hogere en de meer heilige dingen daar; de stad of Jeruzalem immers betekent het geestelijk rijk van de Heer, nrs. 2117, 3654;

de koningen de Goddelijk ware dingen, zoals eerder is getoond; de vorsten de primaire dingen van het ware; de troon van David de hemel van de Heer, nr. 1888; rijden in de wagen en op de paarden, het geestelijk verstandelijke van de Kerk, nrs. 2760, 2761, 3217.

Bij dezelfde:

‘O zwaard, tegen de Chaldeeën en tegen de bewoners van Babel en tegen haar vorsten en tegen haar wijzen; o zwaard, tegen de leugenaars; o zwaard, tegen haar paarden en tegen haar wagens’, (Jeremia 50:35-37);

het zwaard voor het tegen het valse strijdende ware, en voor het tegen het ware strijdende en dit verwoestende valse, nrs. 2799, 4499;

de Chaldeeën voor hen die de ware dingen ontwijden en de bewoners van Babel voor hen die het goede ontwijden, nrs. 1182, 1283, 1295, 1304, 1307, 1308, 1321, 1322, 1326, 1327;

de vorsten voor de valse dingen die voor hen de primaire ware dingen zijn; de paarden voor het verstandelijke van de Kerk, de wagens voor het leerstellige ervan, waarvan de verwoesting wordt aangeduid met het zwaard tegen de paarden en tegen de wagens.

Bij dezelfde:

‘Hoe omwolkt de Heer in Zijn toorn de dochter Zions: de Heer heeft verzwolgen, Hij heeft niet verschoond al de habitakels van Jakob, Hij heeft in Zijn ontsteking de vestingen van de dochter van Jehudah vernietigd, nedergeworpen ter aarde, Hij heeft het koninkrijk en deszelfs vorsten ontwijd; de poorten zijn in de aarde verzonken en de grendelen heeft Hij verbroken; de koning en de vorsten zijn onder de natiën’, (Klaagliederen 2:1, 2, 9);

de dochter van Zion en van Jehudah voor de hemelse Kerk, hier voor haar, vernietigd zijnde; het koninkrijk voor de ware dingen van de leer daar, nr. 2547, 4691;

de koning voor het ware zelf, de vorsten voor de primaire dingen ervan.

Bij dezelfde:

‘Onze huiden zijn zwart geworden zoals een oven, vanwege de stormen des hongers; zij hebben de vrouwen in Zion verkracht, de maagden in de steden van Jehudah, de vorsten zijn door hun hand opgehangen’, (Klaagliederen 5:10-12);

de door hun hand opgehangen vorsten, staat daarvoor dat de ware dingen zijn ontwijd, de ophanging immers beeldde de verdoemenis van de ontwijding uit; en omdat de ophanging dit uitbeeldde, werd het ook bevolen, toen het volk Baälpeor nahoereerde en zij hun goden aanbaden; ‘dat de vorsten zouden worden opgehangen vóór de zon’, (Numeri 25:1-4);

Baälpeor nahoereren immers en hun goden aanbidden, was de eredienst ontwijden.

Bij Ezechiël:

‘De koning zal rouw bedrijven en de vorst zal met verbijstering worden bekleed en de handen van het volk des lands zullen verschrikt worden; Ik zal naar hun weg met hen handelen’, (Ezechiël 7:27);

de koning eender voor het ware in het algemeen en de vorst voor de primaire dingen ervan.

Bij dezelfde:

‘De vorst die in het midden van hen is, zal op de schouder worden gedragen onder de duisternis en hij zal uitgaan; zij zullen de wand doorboren om daardoor uit te leiden; en hij zal zijn aangezichten oversluieren, zodat hij niet met het oog de aarde zie’, (Ezechiël 12:12);

dat de vorst hier niet een vorst is, blijkt duidelijk, maar dat hij het ware van de Kerk is; en wanneer daarvan wordt gezegd dat het op de schouder zal worden gedragen onder de duisternis, dan is het dat het met alle macht tussen de valse dingen wordt weggevoerd; de duisternis immers is de valse dingen; de aangezichten oversluieren is dat het ware in het geheel niet wordt gezien; dat hij niet met het oog de aarde ziet, is dat niets van de Kerk wordt gezien; dat de aarde de Kerk is, zie de nrs. 662, 1066, 1067, 1262, 1413, 1607, 1733, 1850, 2117, 2118, 2928, 3355, 4447, 4535.

Bij Hosea:

‘Vele dagen zullen de zonen Israëls zitten, er is geen koning en geen vorst en geen slachtoffer en geen opgericht beeld en geen efod en geen terafim’, (Hosea 3:4). En bij David:

‘Geheel heerlijk is des konings dochter van binnen en van ineenvlechtingen van goud haar kleed; in borduursels zal zij tot de koning worden geleid; in de plaats van uw vaderen zullen uw zonen zijn; gij zult hen tot vorsten zetten in de ganse aarde’, (Psalm 45:14, 15, 17);

de dochter des konings is het geestelijk rijk van de Heer; het wordt Zijn geestelijk rijk genoemd naar het Goddelijk Ware van de Heer, dat daar wordt beschreven door het kleed uit ineenvlechtingen van goud en uit borduursels; de zonen zijn de ware dingen van dat rijk, die uit het Goddelijke van de Heer zijn, die de vorsten, dat wil zeggen de primaire dingen zullen zijn. Met de vorst over wie en over wiens bezittingen in het Nieuwe Jeruzalem en in de Nieuwe Aarde wordt gehandeld bij, (Ezechiël 44:3; 45:7, 8, 17; 46:8, 10, 12, 16, 18; 48:21), wordt in het algemeen het ware aangeduid dat uit het Goddelijke van de Heer is; onder het Nieuwe Jeruzalem immers daar en onder de Nieuwe Tempel en onder de Nieuwe Aarde, wordt het rijk van de Heer in de hemelen en op aarde verstaan, dat daar met uitbeeldingen, zodanig als die elders in het Woord voorkomen, wordt beschreven.

(Referenties: Hemelse Verborgenheden 5038-5039)


Ga naar sectie / 10837  

← Vorige   Volgende →

   Study this Passage
From Swedenborg's Works

Inbound References:

Hemelse Verborgenheden in Genesis 5043, 5047, 5082, 5236, 5290, 5313, 5321, 5323, 5619, 5922, 6015, 6087, 6125, 6148, 6410, 6413, 6432, 6508, 6524, 6651, 6659, 6742, 6745, 6766, 7351, 7524, 8142, 8314, 8330, 8491, 8712, 8904, 9093, 9139, 9144, 9146, 9212, 9222, ...

Over het Nieuwe Jeruzalem en haar Hemelse Leer 1, 121, 148, 200


References from Swedenborg's unpublished works:

Apocalypse Explained 27, 29, 63, 236, 365


Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, van 2012 t/m 2017 op www.swedenborg.nl

De Bijbel

 

Jesaja 34:11

Dutch Staten Vertaling         

Bestudeer de innerlijke betekenis

← Vorige    volledig hoofdstuk    Volgende →

11 Maar de roerdomp en de nachtuil zullen het erfelijk bezitten, en de schuifuit, en de raaf zal daarin wonen; want Hij zal een richtsnoer der woestigheid over hen trekken, en een richtlood der ledigheid.

   Bestudeer de innerlijke betekenis

Explanation of Isaiah 34      

By Rev. John H. Smithson

THE EXPLANATION of Isaiah Chapter 34

(Note: Rev. Smithson's translation of the Isaiah text is appended below the explanation)

1. COME near, O you nations, to hear; and hearken, O you peoples! let the earth hear, and the fulness thereof; the world, and all its productions.

VERSE 1. Here " nations" signify those who are in the Good of love, and "peoples" those who are in the Goods of charity and the Truths of faith thence derived; and therefore it is said of the nations that "they should come near", and of the peoples that "they should hearken." To "come near" signifies to be conjoined by love, and to "hearken" is to obey and to be instructed. Hence also it is said, "Let the earth hear, and the fulness thereof"; the "earth" signifying the church as to Good, and the "fulness" thereof signifying Truths. Apocalypse Explained 331.

2. For the anger of Jehovah is upon all the nations, and His wrath upon all the host thereof: He has utterly destroyed them; He has given them up to slaughter.

Verse 2. By "nations" are here signified evils, and by "host" falsities from evil; the total destruction thereof by their being "utterly destroyed [or delivered to the curse], and given up to slaughter." Apocalypse Explained 573. See also Arcana Coelestia 3614.

Verses 2, 3. The anger of Jehovah, etc. - These things are said concerning the Last Judgment. By "the anger of Jehovah upon all the nations, and His wrath upon all the host thereof", is signified the destruction and damnation of all who are in evils and falsities thence derived, purposely and from the heart; "nations" are those evils, and the "host" or "army "all falsities thence derived. That such should be accursed and perish, is signified by "He has utterly destroyed them, and has given them up to slaughter. "The damnation of those who would perish by falsities, is signified by "their slain shall be cast out"; "slain", in the Word, being predicated of those who perish by falsities, and to be "cast out" is to be damned. The damnation of those who would perish by evils, is signified by "the stench of their carcases shall ascend"; "carcases", in the Word, being predicated of those who perish by evils, and their "stench" signifying damnation. "The mountains shall melt down with their blood", signifies the evils of the loves of self and of the world, and "blood" the falsities connected therewith.

4.Apocalypse Explained 405.

3. And their slain shall be cast out; and from their carcases their stench shall ascend; and the mountains shall melt down with their blood.

Verse 3. From their carcases their stench shall ascend. - Spheres of love and of faith are perceived in heaven as grateful odours; hence it was that aromatics and incense and odours in ointments were made representative in the Jewish church. But spheres of what is evil and false are perceived as stenches of various kinds. A cadaverous stench, as from putrid carcases, is perceived from the hell of robbers and murderers, and an excrementitious stench from the hell of adulters; thus everything evil has its own stench, and everything good has its own fragrance. Arcana Coelestia 925, 4631.

4. And all the host of heaven shall be dissolved; and the heavens shall be rolled up like a scroll: and all their host shall fall down, as the leaf falls off from the vine, and as the falling [fruit] from the fig-tree.

Verse 4. In this passage the sun, moon, and stars are called a "host" or "army", because by the "sun" is signified the Good of love; by the "moon", Truth from Good; and by the "stars", the knowledges of Truth and of Good. consequently they signify Goods and Truths in all their aggregate, which are called an "army" because they resist evils and falsities, and perpetually conquer them as enemies. Apocalypse Explained 573.

These, words are said concerning the day of the Last Judgrnent which was to come, and which also did come; for the Last Judgment predicted by the prophets of the Old 'I'estament, was executed by the Lord when He was in the world; and because then similar things were done to those described in the Last Judgment prodicted in the Apocalypse, which at this day has been performed by the Lord, therefore similar things are here said, as that "the heavens shall be rolled up like a scroll", etc., as in Revelation 6:14. Apocalypse Explained 403.

5. For My sword shall be drunken in heaven: behold, on Edom it shall descend; and on the people of My curse, to judgment.

Verse 5. [To denote the interior falsities in the minds of those who are represented by " Edom" in a bad sense; for "heaven" is predicated of the interiors, and the "sword" is said to be "drunken in heaven" when the doctrine of the false, or when false doctrine is so imbued and impregnated with false principles as to be entirely false. As to the meaning of "drunkenness", see Chapter 28:1, the Exposition.]

On Edom it shall descend. - By "Edom" is signified the good of the natural principle to which are adjoined the doctrinals of Truth, but, in the opposite sense, by "Edom" [as in this passage] is signified the evil of self-love when false principles [or false doctrines] are adjoined to it. Many names, in the Word, have also an opposite sense, as has been often shown above, by reason that what is Good and True in the church in process of time degenerates into what is evil and false by various adulterations. Arcana Coelestia 3322. See also further respecting "Edom", Chapter 63:1, 2, 3, 5, the Exposition.

[" Edom", therefore, in a bad sense, denotes all those in the church who, although they bear the Christian name, yet do not, on account of the, prevalence of selfish and worldly love in their minds, concern themselves about the truths of the Word and the spiritual things of the church. They thus remain merely natural; and when, at death, they come into the world of spirits, the judgment described in this chapter is executed upon them. Everyone should earnestly watch and pray against such a state. As to "Edom", see also above, Chapter 11:14, the Exposition.]

6. The sword of Jehovah is filled with blood; it is made fat with fatness: with the blood of lambs, and of goats; with the fat of the kidneys of rams: for Jehovah has a sacrifice in Bozrah, and a great slaughter in the land of Edom.

Verse 6. Here by "lambs", "rams", and "goats" are signiiled three degrees of the Good of innocence, spoken of above; but the subject here treated of is concerning the destruction of them by the falsities of evil; for "sword" signifies the false destroying Truth and Good, and "the blood with which it shall be filled" signifies destruction. Inasmuch as by "lamb" is signified innocence, which, viewed in itself, is love to the Lord, therefore by "Lamb", in the supreme sense, is signified the Lord as to the Divine Human; for the Lord, as to that principle, was Innocence itself. This appears in the following passage:

"He was oppressed and affiicted, yet He opened not His mouth; as a lamb He is led to the slaughter." (Isaiah 53:7) Apocalypse Explained 314.

7. And the unicorns shall fall down with them; and the bullocks, together with the bulls: and their land shall be drunken with blood, and their dust shall be made fat with fatness.

Verse 7. By "unicorns", in a bad sense, are meant the falsities of the sensual man S. S. 18.

[These words, as said of "Edom" in a bad sense, involve the destruction of all the semblances of good, denoted by "bullocks", etc., adopted by the natural man during his life in the world, which were confirmed by reasonings from fallacies, and from the literal sense of the Word not understood by means of genuine doctrine. These external semblances of good, which have merely selfish considerations for their origin, are, at the time of Judgment, destroyed by the falsities and by the falsifications of Truth in which they have lived, and which are signified by "the sword being filled" and by "the land being drunken with blood."]

8. For it is the day of vengeance to Jehovah; the year of recompences for the controversy of Zion.

Verse 8. By "the day of vengeance to Jehovah" and by "the year of recompences" is signified the Last Judgment and the damnation of those who, by falsities and evils, have desolated all the Truths of the church, thus "for the controversy of Zion." Apocalypse Explained 850.

Verses 8-10. "The day of vengeance to Jehovah, and the year of recompences for the controversy of Zion", signifies the advent of the Lord, and the Last Jugment then accomplished by Him. "The torrents being turned into pitch, and the dust into brimstone", signifies the hell into which they are cast who are in the falsities of evil, and in the evils of the false. The evil of infernal love and its punishment, is signified by "the pitch burning night and day, and not being quenched"; and the dire false from that evil is signified by "the smoke ascending for ever." Apocalypse Explained 578.

9. And the torrents thereof shall be turned into pitch, and the dust thereof into brimstone; and the land thereof shall become burning pitch:

10. By night and by day it shall not be quenched; for ever shall her smoke ascend: from generation to generation she shall lie waste; for ever and ever one shall pass through her;

Verses 9, 10. The land thereof shall become burning pitch; - from generation to generation she shall lie waste, etc. - By "burning pitch" is signified all evil originating in the love of self, by which the church altogether perishes and is devastated; wherefore it is said "The earth [or land] shall be turned into burning pitch; from generation to generation she shall lie waste." Who does not see that such things are not said of the earth itself? Apocalypse Explained 304.

11. But the cormorant and the bittern shall possess her; and the owl and the raven shall dwell there: and He shall stretch over her the line of emptiness, and the plummet of devastation.

12. As to her nobles, none shall be there whom they can call [to] the kingdom; and all her princes shall be nothing.

Verses 11, 12. The "cormorant", the "bittern", the "owl", and the "raven" signify various kinds of, falsity, which exist when the divine Truths of the Word are accounted as nothing. The desolation and devastation of Truth is denoted by "the line of emptiness and the plummets of devastation"; and the falsities which, with such persons, are as primary truths, are signified by "princes." Arcana Coelestia 5043.

Verses 11, 13, 14, 15. These words describe not only the fallen church, but the quality of the unregenerate man. That every man ought to be regenerated is not only declared in the Word, but is obvious also to reason, since he is born with a propensity to evils of every kind derived from his parents, and these have their abode in his natural man, who of himself is diametrically opposed to the spiritual man; and yet he is born to be an inhabitant of heaven, to which place he cannot be admitted unless he be rendered spiritual, which call only be effected by regeneration. Hence it necessarily follows that the natural man, with his lusts, ought to be conquered, subdued, and inverted, for otherwise he cannot stir a step towards heaven, but must needs cast himself deeper and deeper into hell. How plain must this appear to everyone who believes that he is born with a propensity to evils of every kind, and who acknowledges that there are such principles as good and evil, and that the one is contrary to the other: also that there is a life after death, a hell, and a heaven; and that hell is formed by evil, and heaven by good. 'The natural man, considered in himself, as to his nature, differs not at all from the nature of beasts, nay, with regard to his will, to all intents and purposes he is a wild beast; he differs, indeed, from beasts with respect to his understanding, for this is capable of elevation above the lusts of the will, and not only of seeing, but also of regulating them; hence it is that a man is capable of thought from understanding, and of speech fron thought, which beasts are not. What is the quality of man by birth, and what it would be unless he were regenerated, may be seen in savage beasts of all kinds; - he would be a tiger, a panther, a leopard, a wild boar, a scorpion; a tarantula; a viper, a crocodile, etc.; so that unless he were transformed into a sheep by regeneration, what would he be but a devil amongst devils in hell? And supposing the innate ferocity of men under no restraint from the laws of civil government, would they not assault and murder one another, or at least despoil one another of their possessions, even to their very clothes? Are there any of the human species who are not by birth satyrs and priapi, or four-footed reptiles? And who among them, unless he be regenerated, becomes after all anything better than an ape. That external morality, which man assumes for the purpose of concealing his internals, can make him nothing more. True Christian Religion 574.

13. And in her palaces shall spring up thorns; the thistle and the bramble in her fortresses: and she shall become a habitation of dragons, a court for the daughters of the owl.

Verse 13. Treating concerning "Edam", and concerning the "Gentiles", by whom are understood those who are in falsities and evils. The falsities and evils in which they are, are signified by "thorns", the "thistle", and the "bramble"; the dogmas defending them are signified by "palaces" and by " fortresses"; the devastation of all Good and Truth is signified by being "a habitation of dragons" and "a court for the daughters of the owl"; "owls" denoting those 'who for Truth see falsities, and their "daughters" the concupiscences of falsifying Truths. Apocalypse Explained 714.

14. And monsters [Zijim] and wild beasts [Ijim] shall meet together; and the satyr shall call to his fellow: there also the screech-owl shall repose, and shall find for herself a place of rest.

15. There shall the arrow-snake nestle, and lay; and she shall hatch, and gather [her young] under her shadow: there also shall the vultures be gathered together, each one with her mate.

Verse 14. Monsters [ZijimJ and wild beasts [Ijim], etc. - See above, Chapter 13:21, 22, the Exposition and note.

16. Search you out from the Book of Jehovah, and read: not one of these shall fail; not a female shall lack her mate: for His mouth, it has commanded; and His spirit, it has gathered them.

Verse 16. Search you out from the Book of Jehovah, etc. - [These words involve the command to "search the Scriptures", etc., as in John 5:39, and denote that the truths of prophecy, or of the Word, will be certainly fulfilled, and that the fallen state of the church and of the individual unregenerate mind, signified by "Edom", in a bad sense, will experience what is here depicted.]

The necessity of searching the Scriptures may appear from considering the conjunction of the truths of the church with its scientifics, and the manner in which it is effected; for a principle is not to be drawn from scientifics, so that the truths of faith may by them be entered into, since the scientifics appertaining to man are derived from things sensual, thus from the world, whence result innumerable fallacies; but a principle is to be derived from the truths of faith, that is, by this method; - first, the doctrinals of the church are to be learned; and afterwards exploration is to be made from the Word whether they be true, since they are not true because the rulers of the church have pronounced them so, and their followers confirm them to be so, for thus the doctrinals of all churches and of all religions would be pronounced true merely on the authority of the soil in which they are propagated, and of their birth-place; thus not only the doctrinals of the Papists, and also of the Quakers, would be true, but also of the Jews, and likewise of the Mahometans, because their leaders have pronounced them so, and their followers confirm the same. From which considerations it is evident that the Word ought to be searched, and examination to be made from the Word whether the above doctrinals be true; when this is done from the affection of truth, then man is enlightened by the Lord, so as to apperceive, without knowing whence, what is true, and he is confined therein according to the good in which he is principled. Afterwards, when he is confirmed, and thus in an affirmative principle from the Word that they are the truths of faith, it is then allowable for him to confirm them by all the scientifics he possesses, of whatsoever name and nature, for then, inasmuch as a principle of affirmation reigns universally, he accepts the scientifics which are in agreement, and rejects those which, by reason of the fallacies they contain, disagree. Arcana Coelestia 6047.

They who read the Word, and on such occasion look to the Lord, by acknowledging that all Truth and all Good are from Him, and not in the least from themselves, are illustrated, and see Truth and perceive Good from the Word. This illustration is from the light of heaven. Arcana Coelestia 9405.

17. And He has cast the lot for them; and His hand has divided it unto them by the line: they shall possess it for ever; from generation to generation shall they dwell therein.

Verse 17. [These words are quoted in Arcana Coelestia 6343, but only to show the frequent employment of the expressions in the Word to indicate the marriage union of the Good and the True, which is everywhere in the Word, and in which its great sanctity consists. This verse, however, is considered by expositors in general to relate to the desolate state of Edom at the fulfilment of this prophecy, when "the land of Edam would be inhabited for ever by the birds and beasts" mentioned in the previous verses. (See note, p. 359.) But, judging from the internal sense affixed to the margin, it would appear that this verse does not describe the land of Edom as "marked out by the line" for the habitation of wild beasts and for consequent desolation, but for the remnant of those signified by "Edam", who, at the time of judgment, can be delivered from destruction and reclaimed. We know that, at the time of judgment" there are always such "remnants", and such as "escape." (See Chapter 11:11-14, the Exposition.) These" remnants", in the world of spirits, are eventually; after instruction, raised up into heaven, which is "the land they shall possess for ever"; and of those in the church on earth who correspond to these "remnants", the Lord can make a New Church.]

---
Isaiah Chapter 34

1. COME near, O you nations, to hear; and hearken, O you peoples! let the earth hear, and the fulness thereof; the world, and all its productions.

2. For the anger of Jehovah is upon all the nations, and His wrath upon all the host thereof: He has utterly destroyed them; He has given them up to slaughter.

3. And their slain shall be cast out; and from their carcases their stench shall ascend; and the mountains shall melt down with their blood.

4. And all the host of heaven shall be dissolved; and the heavens shall be rolled up like a scroll: and all their host shall fall down, as the leaf falls off from the vine, and as the falling [fruit] from the fig-tree.

5. For My sword shall be drunken in heaven: behold, on Edom it shall descend; and on the people of My curse, to judgment.

6. The sword of Jehovah is filled with blood; it is made fat with fatness: with the blood of lambs, and of goats; with the fat of the kidneys of rams: for Jehovah has a sacrifice in Bozrah, and a great slaughter in the land of Edom.

7. And the unicorns shall fall down with them; and the bullocks, together with the bulls: and their land shall be drunken with blood, and their dust shall be made fat with fatness.

8. For it is the day of vengeance to Jehovah; the year of recompences for the controversy of Zion.

9. And the torrents thereof shall be turned into pitch, and the dust thereof into brimstone; and the land thereof shall become burning pitch:

10. By night and by day it shall not be quenched; for ever shall her smoke ascend: from generation to generation she shall lie waste; for ever and ever one shall pass through her;

11. But the cormorant and the bittern shall possess her; and the owl and the raven shall dwell there: and He shall stretch over her the line of emptiness, and the plummet of devastation.

12. As to her nobles, none shall be there whom they can call [to] the kingdom; and all her princes shall be nothing.

13. And in her palaces shall spring up thorns; the thistle and the bramble in her fortresses: and she shall become a habitation of dragons, a court for the daughters of the owl.

14. And monsters [Zijim] and wild beasts [Ijim] shall meet together; and the satyr shall call to his fellow: there also the screech-owl shall repose, and shall find for herself a place of rest.

15. There shall the arrow-snake nestle, and lay; and she shall hatch, and gather [her young] under her shadow: there also shall the vultures be gathered together, each one with her mate.

16. Search you out from the Book of Jehovah, and read: not one of these shall fail; not a female shall lack her mate: for His mouth, it has commanded; and His spirit, it has gathered them.

17. And He has cast the lot for them; and His hand has divided it unto them by the line: they shall possess it for ever; from generation to generation shall they dwell therein.

From Swedenborg's Works

Belangrijkste verklaring(en) van Swedenborgs werken:

The Inner Meaning of the Prophets and Psalms 34


Andere referenties door Swedenborg in verband met dit vers:

Hemelse Verborgenheden in Genesis 866, 4744, 5044

Apocalyps Onthuld 757

Ware Christelijke Religie 575


References from Swedenborg's unpublished works:

Apocalypse Explained 373

Scriptural Confirmations 4, 43

Andere commentaar

  Verhalen:


  Commentaar (pdf)


Hop to Similar Bible Verses

2 Koningen 21:13

Jesaja 14:23

Zefanja 2:14

Word/Phrase Explanations

roerdomp
'A pelican,' as in Zephaniah 2:14, signifies affections for falsity.

raaf
'A raven,' as in Genesis 8:7, signifies falsities. The spiritual self only knows general truths from the Word, and forms its conscience from these, and...


Vertalen: