Le texte de la Bible

 

Exodus 19

Étudier

   

1 In de derde maand, na het uittrekken der kinderen Israels uit Egypteland, ten zelfden dage kwamen zij in de woestijn Sinai.

2 Want zij togen uit Rafidim, en kwamen in de woestijn Sinai, en zij legerden zich in de woestijn; Israel nu legerde zich aldaar tegenover dien berg.

3 En Mozes klom op tot God. En de HEERE riep tot hem van den berg, zeggende: Aldus zult gij tot het huis van Jakob spreken, en den kinderen Israels verkondigen:

4 Gijlieden hebt gezien, wat Ik den Egyptenaren gedaan heb; hoe Ik u op vleugelen der arenden gedragen en u tot Mij gebracht hebt.

5 Nu dan, indien gij naarstiglijk Mijner stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult gij Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de ganse aarde is Mijn;

6 En gij zult Mij een priesterlijk koninkrijk, en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden, die gij tot de kinderen Israels spreken zult.

7 En Mozes kwam en riep de oudsten des volks, en stelde voor hun aangezichten al deze woorden, die de HEERE hem geboden had.

8 Toen antwoordde al het volk gelijkelijk, en zeide: Al wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen! En Mozes bracht de woorden des volks weder tot den HEERE.

9 En de HEERE zeide tot Mozes: Zie, Ik zal tot u komen in een dikke wolk, opdat het volk hore, als Ik met u spreek, en dat zij ook eeuwiglijk aan u geloven. Want Mozes had de HEERE de woorden des volks verkondigd.

10 Ook zeide de HEERE tot Mozes: Ga tot het volk, en heilig hen heden en morgen, en dat zij hun klederen wassen,

11 En bereid zijn tegen den derden dag; want op den derden dag zal de HEERE voor de ogen van al het volk afkomen, op den berg Sinai.

12 En bepaal het volk rondom, zeggende: Wacht u op den berg te klimmen, en deszelfs einde aan te roeren; al wie den berg aanroert, zal zekerlijk gedood worden.

13 Geen hand zal hem aanroeren, maar hij zal zekerlijk gestenigd, of zekerlijk doorschoten worden; hetzij een beest, hetzij een man, hij zal niet leven. Als de ramshoorn langzaam gaat, zullen zij op den berg klimmen.

14 Toen ging Mozes van den berg af tot het volk, en hij heiligde het volk; en zij wiesen hun klederen.

15 En hij zeide tot het volk: Weest gereed tegen den derden dag, en nadert niet tot de vrouw.

16 En het geschiedde op den derden dag, toen het morgen was, dat er op den berg donderen en bliksemen waren, en een zware wolk, en het geluid ener zeer sterke bazuin, zodat al het volk verschrikte, dat in het leger was.

17 En Mozes leidde het volk uit het leger, Gode tegemoet; en zij stonden aan het onderste des bergs.

18 En de ganse berg Sinai rookte, omdat de HEERE op denzelven nederkwam in vuur; en zijn rook ging op, als de rook van een oven; en de ganse berg beefde zeer.

19 Toen het geluid der bazuin gaande was, en zeer sterk werd, sprak Mozes; en God antwoordde hem met een stem.

20 Als de HEERE nedergekomen was op den berg Sinai, op de spits des bergs, zo riep de HEERE Mozes op de spits des bergs; en Mozes klom op.

21 En de HEERE zeide tot Mozes: Ga af, betuig dit volk, dat zij niet doorbreken tot den HEERE, om te zien, en velen van hen vallen.

22 Daartoe zullen ook de priesters, die tot den HEERE naderen, zich heiligen, dat de HEERE niet tegen hen uitbreke.

23 Toen zeide Mozes tot den HEERE: Het volk zal op den berg Sinai niet kunnen klimmen, want Gij hebt ons betuigd, zeggende: Bepaal den berg, en heilig hem.

24 De HEERE dan zeide tot hem: Ga heen, klim af, daarna zult gij, en Aaron met u, opklimmen; doch dat de priesters en het volk niet doorbreken, om op te klimmen tot den HEERE, dat Hij tegen hen niet uitbreke.

25 Toen klom Mozes af tot het volk, en zeide het hun aan.

   

Des oeuvres de Swedenborg

 

Hemelse Verborgenheden in Genesis en Exodus #6804

Étudier ce passage

  
/ 10837  
  

6804. En God gedacht aan Zijn verbond met Abraham, met Izaäk en met Jakob; dat dit betekent ter wille van de verbinding met de Kerk door het Goddelijk Menselijke van de Heer, staat vast uit de betekenis van het verbond, namelijk de verbinding, waarover hierna; en uit de uitbeelding van Abraham, Izaäk en Jakob, met wie het verbond was gemaakt, namelijk het Goddelijk Menselijke van de Heer.

Dat Abraham de Heer uitbeeldt ten aanzien van het Goddelijke Zelf, Izaäk ten aanzien van het Goddelijk Redelijke en Jakob ten aanzien van het Goddelijk Natuurlijke, zie de nrs. 1893, 2011, 2066, 2072, 2083, 2630, 3194, 3210, 3245, 3251, 3305, 3439, 3576, 3599, 3704, 4180, 4286, 4538, 4570, 4615, 6098, 6185, 6276, 6425.

Dat, waar Abraham, Izaäk en Jakob in het Woord worden genoemd, in de geestelijke zin niet zij worden verstaan, kan daaruit vaststaan dat namen nooit tot de hemel doordringen, maar slechts datgene wat met hen die worden genoemd, wordt aangeduid, dus de dingen zelf, de hoedanigheid van de dingen en de staten ervan, namelijk die dingen die van de Kerk zijn en die van het rijk van de Heer zijn en die van de Heer Zelf zijn; en bovendien bepalen de engelen in de hemel hun gedachten nooit tot de afzonderlijke personen; dit zou gelijk staan met de gedachten eindig maken en die te verwijderen van het universele doorvatten van onderwerpen, waaruit hun spraak is.

Vandaar komt het, dat over hetgeen de engelen in de hemel spreken, onuitsprekelijk is en ver boven het menselijk denken gaat, dat zich niet uitstrekt tot de universele dingen, maar zich samentrekt tot de bijzondere dingen; wanneer er dus gelezen wordt ‘dat velen uit het oosten en het westen zullen komen en zullen aanzitten met Abraham. Izaäk en Jakob, in het koninkrijk der hemelen’, (Mattheüs 8:12) dan doorvatten de engelen de tegenwoordigheid van de Heer en de toe-eigening van het ware en het goede die van Zijn Goddelijk Menselijke voortgaan; verder doorvatten de engelen wanneer er gelezen wordt ’dat Lazarus werd opgeheven tot de schoot van Abraham’, (Lucas 16:22), dat hij werd opgeheven tot de hemel waar de Heer tegenwoordig is; daaruit kan eveneens vaststaan, dat onder het verbond met Abraham, Izaäk en Jakob, in de innerlijke zin de verbinding met het Goddelijk Menselijke van de Heer wordt verstaan.

Dat het Goddelijk Menselijke het verbond is, dat wil zeggen, de verbinding zelf, kan vaststaan uit verscheidene plaatsen in het Woord, zoals bij Jesaja: ‘Ik zal U geven tot een verbond voor het volk, tot een licht der natiën’, (Jesaja 42:6).

Bij dezelfde: ‘Ik heb U gegeven tot een verbond des volks, om het land te herstellen, om de verwoeste erfenissen te verdelen’, (Jesaja 49:8).

Bij dezelfde: ‘Neigt uw oor en gaat tot Mij, hoort en uw ziel leve, aldus zal Ik met u een verbond der eeuwigheid maken, de vaste barmhartigheden van David; ziet, Ik heb Hem gegeven tot een getuige aan de volken, tot een Vorst en Wetgever aan de natiën’, (Jesaja 55:3,4).

Bij Maleachi: ‘Plotseling komt tot Zijn tempel de Heer, Die gijlieden zoekt en de Engel des verbonds Die gijlieden verlangt; zie, Hij komt’, (Maleachi 3:1).

Bij Samuël: ‘Hij heeft mij een verbond der eeuwigheid gesteld, om te beschikken voor allen en om te bewaren’, (2 Samuël 23:5).

In deze plaatsen wordt klaarblijkend gehandeld over de Heer en over de verbinding van het menselijk geslacht met het Goddelijke Zelf van de Heer door Zijn Goddelijk Menselijke; dat de Heer ten aanzien van het Goddelijk Menselijke de Middelaar is en dat niemand tot het Goddelijke Zelf, dat in de Heer is, en de Vader wordt genoemd, kan komen dan door de Zoon, dat wil zeggen, door het Goddelijk Menselijke, is in de Kerk bekend; dus is de Heer ten aanzien van het Goddelijk Menselijke de Verbinding.

Wie kan het Goddelijke Zelf met enige gedachte begrijpen en indien niet met de gedachte, wie kan ermee verbonden worden door de liefde?

Dat het verbond de verbinding is, kan vaststaan uit de verbonden tussen koninkrijken, namelijk dat zij daardoor worden verbonden en dat zij afspraken zijn van elk van beide zijden, die gehouden moeten worden, opdat de beklonken verbinding zich zal handhaven; die afspraken of verdragen worden ook verbond genoemd.

De afspraken of verdragen die in het Woord verbond worden genoemd, zijn van de zijde van de mens in de strikte zin de Tien Geboden of de Decaloog; in de bredere zin zijn het alle inzettingen, bevelen, wetten, getuigenissen en geboden, die de Heer vanaf de berg Sinaï door Mozes heeft opgelegd; en in een nog bredere zin de Boeken van Mozes; de dingen die daar zijn gesteld, moesten van de zijde van de zonen Israëls in acht worden genomen; van de zijde van de Heer is het de barmhartigheid en de uitverkiezing.

Dat de Tien Geboden of de Decaloog het verbond zijn, staat vast uit deze plaatsen bij Mozes: ‘Jehovah heeft u te kennen gegeven Zijn verbond, dat Hij ulieden gebood om te doen, de Tien Woorden, die Hij schreef op de twee tafelen van stenen’, (Deuteronomium 4:13,23); en omdat de twee stenen tafelen waarin de Tien Geboden waren gegrift, in de ark waren gelegd, (Exodus 25:16,21,22; 31:18; 32:15,16,19; 40:20), werd daarom de ark genoemd ‘de Ark des Verbonds’, (Deuteronomium 31:9,24-26; Jozua 3:3,6,14; 4:7; Richteren 20:27; 2 Samuël 15:24; 1 Koningen 8:21); hier spreekt Salomon als volgt: ‘Ik heb daar een plaats beschikt voor de ark, waar het verbond van Jehovah is, hetwelk Hij met onze vaderen maakte’, en bij Johannes: ‘Geopend werd de Tempel Gods in de hemel en gezien werd de ark Zijns verbonds in Zijn Tempel’, (Apocalyps 11:19).

Dat een verbond genoemd worden alle gerichten en inzettingen die de Heer door Mozes heeft bevolen aan het Israëlitische volk; en eveneens de Boeken van Mozes zelf; bij Mozes: ‘Op de mond van deze woorden het Ik een verbond met u gemaakt en met Israël’, (Exodus 34:27); de dingen die daar verbond worden genoemd, waren verscheidene dingen ten aanzien van de slachtoffers, de feesten, de ongezuurde dingen.

Bij dezelfde: ‘Mozes nam het Boek des verbonds en hij las in de oren des volks en zij zeiden: Al wat Jehovah heeft gesproken, zullen wij doen en horen’, (Exodus 24:7,8).

In Koningen: ‘Josia, de koning van Juda, las in het huis van Jehovah voor allen de woorden van het Boek des verbonds, gevonden in het huis van Jehovah; en hij maakte een verbond voor Jehovah, om te bevestigen de woorden des verbonds, geschreven in dat Boek; en het gehele volk stond in dat verbond.

De koning gebood het gehele volk, om Jehovah God het Pascha te houden, naar wat geschreven is in het Boek des verbonds’, (2 Koningen 23:2,3,23).

Bij David: ‘Indien uw zonen zullen hebben gehouden Mijn verbond en Mijn getuigenis, die Ik hun geleerd heb, zo zullen ook hun zonen tot in het eeuwige zitten op de troon voor u’, (Psalm 132:12).

Dat het verbond de verbinding is door de liefde en het geloof, bij Jeremia: ‘Ziet, de dagen zijn komende, gezegde van Jehovah, waarop Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken, niet zoals het verbond dat Ik gemaakt heb met hun vaders, omdat zij Mijn verbond teniet hebben gedaan; maar dit is het verbond dat Ik maken zal met het huis Israëls na deze dagen; Ik zal Mijn wet in het midden van hen geven en Ik zal die op hun hart schrijven en Ik zal hun tot God zijn en zij zullen Mij tot volk zijn’, (Jeremia 31:31-33); de wet in het midden van hen geven en die op hun hart schrijven, is met geloof en met naastenliefde begiftigen; door het geloof en de naastenliefde vindt de verbinding plaats, die daarmee wordt beschreven dat ‘Ik hun tot God zal zijn en zij Mij tot volk zullen zijn’.

Bij dezelfde: ‘Ik zal een verbond der eeuw met hen maken, dat Ik Mij niet langer van achter hen zal afkeren en hun zal weldoen, echter zal Ik Mijn vrees in hun hart geven, opdat zij niet van Mij afwijken’, (Jeremia 32:40); de verbinding door de liefde, die het verbond is, wordt aangeduid met ‘Mijn vrees zal Ik in hun hart geven, opdat zij niet van Mij afwijken’.

Bij Ezechiël: ‘Ik zal met hen maken een verbond des vredes, een verbond der eeuwigheid zal het met hen zijn en Ik zal ze geven en ze vermenigvuldigen en het heiligdom zetten in het midden van hen en Mijn habitakel zal bij hen zijn en Ik zal hun tot God zijn en zij zullen Mij tot volk zijn’, (Ezechiël 37:26,27); daar wordt de verbinding door de liefde en door het geloof, die het verbond zijn, beschreven met het heiligdom in het midden van hen en met de woonplaats bij hen en daarmee dat Ik hun tot God zal zijn en zij Mij tot volk zullen zijn.

Bij dezelfde: ‘Toen Ik aan u voorbijging en Ik zag u, dat ziet, het was uw tijd, de tijd der liefden en Ik ging een verbond met u in, opdat gij de Mijne zou zijn’, (Ezechiël 16:8); daar over Jeruzalem, waarmee de Oude Kerk wordt aangeduid; dat een verbond ingaan opdat gij de Mijne zou zijn, het huwelijk of de geestelijke verbinding is, is duidelijk.

Omdat het verbond de verbinding betekent, wordt ook de echtgenote de echtgenote des verbonds genoemd, (Maleachi 2:14); en de verbinding tussen broeders wordt het verbond der broeders genoemd, (Amos 1:9).

Met het verbond wordt ook de verbinding aangeduid bij David: ‘Ik heb een verbond gemaakt met Mijn uitverkorene; Ik heb David Mijn knecht gezworen’, (Psalm 89:4).

Dat het verdrag des verbonds van de zijde van de Heer de barmhartigheid en de uitverkiezing is, staat vast bij David: ‘Alle wegen van Jehovah barmhartigheid en waarheid, degenen die Zijn verbond bewaren en Zijn getuigenissen’, (Psalm 25:10).

Bij Jesaja: ‘Bergen zullen wijken en heuvelen wankelen en Mijn barmhartigheid zal niet wijken en het verbond van Mijn vrede zal niet wankelen, zei uw Erbarmer Jehovah’, (Jesaja 54:10).

Bij Mozes: ‘Jehovah uw God, Hij God Zelf, de getrouwe God, houdende het verbond en de barmhartigheid hun die Hem liefhebben en Zijn geboden houden tot in het duizendste geslacht’, (Deuteronomium 7:9,12).

Bij dezelfde: ‘Indien gij Mijn verbond zult gehouden hebben, zo zult gij Mij tot eigendom zijn uit alle volken’, (Exodus 19:5).

Bij dezelfde: ‘Ik zal naar u omzien en u vruchtbaar maken en u vermenigvuldigen en Mijn verbond met u bevestigen’, (Leviticus 26:9); naar hen omzien, is van de barmhartigheid; hen vruchtbaar maken en vermenigvuldigen, is met naastenliefde en geloof begiftigen; zij die daarmee worden begiftigd worden uitverkorenen genoemd; zo zijn deze dingen dus van de uitverkiezing en verder eveneens dat zij tot eigendom zullen zijn.

De tekenen des verbonds waren ook in de uitbeeldende Kerk en het waren de uitbeeldingen krachtens welke zij van de verbinding indachtig zouden zijn; de besnijdenis was zo’n teken, (Genesis 17:11); de besnijdenis betekende immers de zuivering van de vuile liefden, waarna de hemelse liefde wordt ingeboezemd, waardoor de verbinding plaatsvindt.

De sabbat wordt ook een eeuwig verbond genoemd, (Exodus 31:16); ook van de toonbroden wordt gezegd dat zij de zonen Israëls tot een eeuwig verbond zouden zijn, (Leviticus 24:8,9); vooral het bloed, zoals vaststaat bij Mozes: ‘Mozes nam het Boek des verbonds en hij las in de oren des volks en zij zeiden: Al wat Jehovah gesproken heeft, zullen wij doen en horen. Toen nam Mozes het bloed des vredeoffers en sprengde het op het volk en hij zei: Ziet, het bloed des verbonds hetwelk Jehovah met ulieden gesloten heeft over al deze woorden’, (Exodus 24:7,8).

Bij Zacharia: ‘Door het bloed uws verbonds zal Ik de gebondenen uitlaten uit de kuil waarin geen water is’, (Zacharia 9:11); het bloed was het verbond of het teken van het verbond, omdat het de verbinding betekende door de geestelijke liefde, dat wil zeggen, door de liefde jegens de naaste; daarom noemde de Heer toen Hij het Heilig Avondmaal instelde, Zijn Bloed het bloed van het nieuwe verbond, (Mattheüs 26:28).

Hieruit nu kan vaststaan wat onder het verbond in de innerlijke zin in het Woord wordt verstaan.

  
/ 10837  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, van 2012 t/m 2021 op www.swedenborg.nl

Des oeuvres de Swedenborg

 

Hemelse Verborgenheden in Genesis en Exodus #4180

Étudier ce passage

  
/ 10837  
  

4180. Indien niet de God van mijn vader, de God van Abraham en de Schrik van Izaäk met mij geweest was; dat dit betekent indien er niet het Goddelijke en het Goddelijk Menselijke geweest was, staat vast uit de betekenis van de God des vaders, wanneer daarvan wordt gesproken met betrekking tot de Heer, namelijk het Goddelijke ten aanzien van het goede; dat de Vader het Goddelijk Goede is en de Zoon het Goddelijk Ware, zie de nrs. 2803, 3704; hier het Goddelijk Goede van het ene en het andere Wezen; uit de betekenis van de God van Abraham, namelijk het Goddelijke Zelf dat het Goddelijk Wezen wordt genoemd; dat Abraham de Heer uitbeeldt ten aanzien van het Goddelijke Zelf, nrs. 2011, 3439;

en uit de betekenis van de Schrik van Izaäk, namelijk het Goddelijk Menselijke; gezegd wordt ‘schrik’, omdat het het Goddelijk ware is dat bedoeld wordt, want het Goddelijk Ware brengt bij hen die niet in het goede zijn: vrees, schrik en ontsteltenis met zich mee, niet echter het Goddelijk Goede; dit verschrikt niemand; evenzo in het vervolg van dit hoofdstuk:

‘Jakob zwoer bij de Schrik van zijn vader Izaäk’, vers 53. Want omdat Laban, toen hij van Jakob gescheiden was, dat wil zeggen, het goede als middel gescheiden van het Goddelijk Goede, was hij in zo’n staat dat hij het boze wilde aandoen, zoals blijkt wat van Laban gezegd wordt; omdat hij toen zodanig was, wordt er daarom gezegd ‘de Schrik van Izaäk’; dat ‘de Schrik van Izaäk’ de God van Izaäk betekent, kan voor eenieder duidelijk zijn en ook dat het in die staat was. Dat Izaäk het Goddelijk Menselijke van de Heer uitbeeldt en wel ten aanzien van het Goddelijk Redelijke zie de nrs. 1893, 2066, 2072, 2083, 2630, 3012, 3194, 3210, 3973. Daarmee, dat het Goddelijk Ware, dat uit de Heer is, schrik met zich meebrengt bij degenen die niet in het goede zijn, niet echter het Goddelijk Goede, is het als volgt gesteld: het heilige dat uit de Heer is, heeft in zich het Goddelijk Goede en het Goddelijk Ware; deze gaan aanhoudend uit de Heer voort; vandaar het licht dat in de hemelen is en vandaar het licht dat in de menselijke gemoederen is en vandaar met als gevolg de wijsheid en het inzicht, want deze liggen in dat licht; maar dit licht of de wijsheid en het inzicht, doet allen aan overeenkomstig de opneming; diegenen die in het boze zijn, nemen het Goddelijk Goede niet op, want zij zijn in geen liefde en naastenliefde; want al het goede is van de liefde en van de naastenliefde; maar het Goddelijk ware kan wel opgenomen worden, ook door de bozen, maar slechts door hun uiterlijke mens, niet door hun innerlijke mens. Het is hiermee gesteld als met de warmte en het licht welke uit de zon zijn; de geestelijke warmte is de liefde, dus het goede; het geestelijk licht is het geloof, dus het ware; wanneer de warmte uit de zon wordt opgenomen, gedijen de bomen en de bloemen, en brengen dan bladeren, bloesems en vruchten of zaden voort; dit vindt plaats in de lente- en zomertijd; maar wanneer de warmte uit de zon niet wordt opgenomen, maar alleen het licht, dan gedijt er niets, maar alle plantengroei begint te verstarren, zoals gebeurt in de herfst en de winter; zo is het ook gesteld met de geestelijke warmte en het geestelijk licht, welke uit de Heer zijn; indien de mens is zoals de lente en de zomer, dan neemt hij het goede dat van de liefde en de naastenliefde is, op en brengt vruchten voort; maar indien de mens is zoals de herfst en de winter, dan neemt hij het goede van de liefde en van de naastenliefde niet op, dus dan brengt hij geen vruchten voort, niettemin kan hij het licht opnemen, dat wil zeggen, die dingen weten die van het geloof of van het ware zijn; het winterlicht doet iets dergelijks, want het vertoont op eendere wijze de kleuren en de schoonheden en maakt die zichtbaar, maar met dit verschil dat het niet naar de innerlijke dingen doordringt, omdat daar niet de warmte is, vandaar geen groei. Wanneer daarom het goede niet wordt opgenomen, maar alleen het licht, dan is het evenals wanneer in de objecten niet de warmte wordt opgenomen, maar alleen het beeld en de schoonheid van de vorm uit het licht; vandaar is van binnen de koude en waar van binnen de koude is, daar is een verstarring van alle dingen en als het ware een samenkrimpen en een huiveren wanneer het licht daarin valt; dit is het wat in de levende wezens de vrees, de schrik en de ontsteltenis teweegbrengt. Door deze vergelijking kan men enigszins begrijpen hoe het gesteld is met de vrees, de schrik en de ontsteltenis bij de bozen, namelijk dat deze niet zijn uit het Goddelijk Goede maar uit het Goddelijk Ware en dat zij er dan zijn wanneer men het Goddelijk Goede niet opneemt, maar toch het Goddelijk Ware opneemt; verder dat het Goddelijk Ware zonder het Goede niet kan doordringen tot de innerlijke dingen, maar slechts in de uiterste dingen blijft hangen, dat wil zeggen, in de uiterlijke mens en meestal in het zinlijke van hem; en dat vandaar de mens in de uiterlijke vorm als schoon verschijnt, terwijl hij in de innerlijke vorm afgrijselijk is. Daaruit kan ook vaststaan hoedanig het geloof bij zeer velen is, van welk geloof zij zeggen dat het zaligt zonder de goede werken, dat wil zeggen, zonder goed willen en goed doen. Omdat het Goddelijk Ware uit het Goddelijk Menselijke voortgaat, maar niet uit het Goddelijke Zelf, zo is het daarom het Goddelijk Menselijke dat hier wordt aangeduid door ‘de Schrik van Izaäk’, want het is, zoals gezegd, het Goddelijk Ware dat verschrikt en niet het Goddelijk Goede. Dat het Goddelijk Ware uit het Goddelijk Menselijke van de Heer voortgaat, maar niet uit het Goddelijke Zelf, is een tot dusver nog niet onthulde verborgenheid; hiermee is het als volgt gesteld: voordat de Heer in de wereld kwam, vloeide het Goddelijke Zelf in de gehele hemel in en omdat de hemel toen voor het grootste deel uit hemelsen bestond, dat wil zeggen uit diegenen die in het goede van de liefde waren, werd door die invloeiing, vanuit de Goddelijke Almacht, het licht voortgebracht dat in de hemelen is en daaruit de wijsheid en het inzicht; maar nadat het menselijk geslacht zich had verwijderd van het goede van de liefde en van de naastenliefde, kon dat licht niet langer door de hemel voortgebracht worden en dus ook niet de wijsheid en het inzicht, dat moest doordringen tot aan het menselijk geslacht; en daarom kwam de Heer, uit noodzaak opdat het gezaligd zou worden, in de wereld en maakte Hij het Menselijke in Zich Goddelijk, opdat Hijzelf ten aanzien van het Goddelijk Menselijke het Goddelijk Licht zou worden en zo dus de gehele hemel en de gehele wereld zou verlichten. Hij was het Licht zelf uit het eeuwige geweest; want dat Licht was uit het Goddelijke Zelf door de hemel en het was het Goddelijke Zelf dat het Menselijke opnam en dit Goddelijk maakte; en toen dit Goddelijk was gemaakt, kon Hij uit dit, niet slechts de hemelse hemel zelf verlichten, maar ook de geestelijke hemel en eveneens het menselijk geslacht, dat het Goddelijk Ware opnam en opneemt in het goede, dat wil zeggen, in de liefde tot Hem en in de naastenliefde jegens de naaste, zoals blijkt bij Johannes:

‘Zo velen Hem opgenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven, zonen Gods te zijn, die, die in Zijn naam geloven; die niet uit de bloeden, noch uit de wil des vleezes, noch uit de wil des mans, maar uit God geboren zijn’, (Johannes 1:12, 13). Uit wat nu gezegd is, kan vaststaan wat door het volgende bij Johannes wordt aangeduid:

‘In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en God was het Woord; dit was in den beginne bij God; alle dingen zijn door hetzelve gemaakt en zonder hetzelve is niets gemaakt dat gemaakt is. In hetzelve was het leven en het leven was het licht der mensen; het was het ware licht, dat verlicht eenieder mens komende in de wereld’, (Johannes 1:1-4, 9) en vervolg. Het Woord betekent daar het Goddelijk Ware; dat echter de Heer ten aanzien van het ene en het andere Wezen het Goddelijk Goede is, maar dat uit Hem het Goddelijk Ware voortgaat, zie nr. 3704; want het Goddelijk Goede kan niet door de mens worden opgenomen, zelfs niet door de engel, maar alleen door het Goddelijk Menselijke van de Heer en dit wordt verstaan onder deze woorden bij Johannes:

‘Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon die in de schoot van de Vader is, die heeft Hem verklaard’, (Johannes 1:8);

maar het Goddelijk Ware kan opgenomen worden, maar zodanig als het bij de mens die het opneemt, mogelijk is; en in dit ware kan het Goddelijk Goede wonen, met een verschil overeenkomstig de opneming. Van dien aard zijn de verborgenheden die zich aan de engelen voordoen wanneer door de mens deze woorden gelezen worden:

‘Indien niet de God van mijn vader, de God van Abraham en de Schrik van Izaäk, met mij geweest was’. Hieruit blijkt hoeveel hemels er is in het Woord en in de afzonderlijke dingen van ervan, hoewel niets ervan in de letterlijke zin verschijnt; en daaruit blijkt eveneens hoedanig de wijsheid van de engelen is in vergelijking tot de menselijke wijsheid; en dat de engelen in de diepste verborgenheden zijn, terwijl de mens zelfs niet eens weet dat er een verborgenheid in gelegen is. Maar wat hier wordt vermeld, is slechts heel weinig, want in deze verborgenheid zien en doorvatten de engelen ontelbare, ja zelfs in dat opzicht eindeloze dingen, die nooit uitgesproken kunnen worden, omdat de menselijke spraak niet toereikend is om die uit te drukken, noch het menselijk gemoed bij machte is om ze op te nemen.

  
/ 10837  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, van 2012 t/m 2021 op www.swedenborg.nl