Over de Goddelijke Liefde #9

Over de Goddelijke Liefde (Zelling and Janssens Vertaling)      

Ga naar sectie / 21  

← Vorige   Volgende →

9. Dat er zoveel aandoeningen zijn als er nutten zijn.

Dat de Goddelijke Liefde het leven zelf is, en dat vandaar de liefde bij de mens het leven van hem is, daarvoor zijn er verscheidene dingen die daarvan getuigenis afleggen.

Maar onder de getuigenis afleggende bewijsstukken is dit een overduidelijke, namelijk dat de geest van de mensen niets anders dan aandoening is, en dat vandaar de mens na de dood aandoening wordt, een hemelse engel indien hij de aandoening van een goed nut is, en een helse geest indien hij de aandoening van een boos nut is.

Vandaar is het, dat de algehele Hemel is onderscheiden in gezelschappen volgens de geslachten en soorten van de aandoeningen, en eender de hel vanuit het tegengestelde.

Vandaar is het dat het hetzelfde is of gij zegt aandoeningen, dan wel gezelschappen in de geestelijke wereld.

Onder de aandoeningen worden de voortzettingen en de afleidingen van de liefde verstaan.

De liefde kan worden vergeleken met een bron, en de aandoeningen met de beken daaruit; en zij kan ook worden vergeleken met het hart, en de aandoeningen met de vaten daaruit afgeleid en voortgezet; en het is bekend, dat de vaten die het bloed vanuit het hart voeren, in elk punt hun hart weergeven, zodat zij als het ware de uitbreidingen ervan zijn; vandaar de omlopen van het bloed uit het hart door de slagaderen, en uit de slagaderen in de aderen, en wederom in het hart; zodanig zijn ook de aandoeningen; zij worden immers afgeleid en voortgezet uit de liefde, en zij brengen nutten in vormen voort, en daarin schrijden zij voort uit het eerste van de nutten tot het laatste ervan, en vanuit deze keren zij terug tot de liefde waaruit zij zijn.

Uit deze dingen blijkt, dat de aandoening de liefde in haar wezen is, en dat het nut de liefde in haar vorm is.

Uit deze dingen spruit voort dat de objecten of de doelen van de aandoeningen de nutten zijn.

En dat vandaar de subjecten van haar de nutten zijn, en dat de vormen zelf waarin zij ontstaan, de uitwerkingen zijn welke de gestalten van haar zijn, waarin zij voortschrijden uit het eerste doel tot het laatste, en uit het laatste doel tot het eerste, en door deze bedrijven zij haar werken, taken en uitoefeningen.

Wie kan niet vanuit deze dingen zien, dat de aandoening alleen niets is, en dat iets in wording komt doordat het in een nut is; en dat de aandoening van het nut ook niets meer is dan een idee tenzij zij in een vorm is, en dat de aandoening van het nut in een vorm ook niet iets anders is dan potentie; maar dat de aandoening eerst dan iets wordt wanneer zij in de daad is?

Deze is het nut zelf dat wordt verstaan, hetwelk in zijn wezen de aandoening is.

Omdat nu de aandoeningen de wezens van de nutten zijn, en de nutten de subjecten ervan zijn, zo volgt dat er zoveel aandoeningen zijn als er nutten zijn.

(Referenties: Lucas 24:39)


Ga naar sectie / 21  

← Vorige   Volgende →


Naar de Nederlandse vertaling van Anton Zelling 1969, gemoderniseerd door Guus Janssens. Digitale uitgave - Swedenborg Boekhuis - 2006.


Vertalen: