Hemelse Verborgenheden in Genesis en Exodus #1100

Door Emanuel Swedenborg

Bestudeer deze passage

      |   
/ 10837  
  

1100. Dat door Jafet de overeenstemmende uiterlijke Kerk wordt aangeduid, is eerder gezegd, verder ook wat onder de uiterlijke Kerk wordt verstaan, namelijk de uiterlijke godsdienst, dus zij, die niet weten, wat de innerlijke mens en wat van de innerlijke mens is, en toch in naastenliefde leven; bij dezen is de Heer tegenwoordig, want de Heer werkt door de naastenliefde overal waar naastenliefde is. Het is hiermee gesteld als met kinderen: hoewel zij niet weten wat naastenliefde is en nog minder wat geloof is, is de Heer niettemin bij hen veel meer tegenwoordig dan bij volwassenen, vooral wanneer de kinderen onderling in de naastenliefde leven; net als bij de eenvoudigen, die onschuld, naastenliefde en barmhartigheid hebben. Het maakt niets uit of een mens veel weet, wanneer hij niet leeft naar datgene wat hij weet, want het weten heeft geen ander doel dan dat hij daardoor iets wordt, namelijk goed; wanneer hij goed is geworden, bezit hij veel meer, dan hij die ontelbare dingen weet en toch niet goed is, want wat deze zoekt door vele dingen te weten, bezit de ander. Anders is het echter gesteld met hem, die vele waarheden en goedheden weet, en tevens naastenliefde en geweten heeft; hij is een mens van de innerlijke Kerk, of Sem; zij die weinig weten, en een geweten hebben, worden in het andere leven verlicht, en wel dermate, dat zij engelen worden, van wie de wijsheid en het inzicht onuitsprekelijk is; dezen worden door Jafet aangeduid.

  
/ 10837  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, van 2012 t/m 2021 op www.swedenborg.nl