Hemelse Verborgenheden in Genesis en Exodus #692

Door Emanuel Swedenborg

Bestudeer deze passage

      |   
/ 10837  
  

692. GENESIS – ZEVENDE HOOFDSTUK

De hel. Evenals van de hemel, heeft de mens ook van de hel slechts een hoogst algemene voorstelling, welke zo duister is, dat het er vrijwel geen is; een voorstelling - zoals zij, die nooit buiten hun hutten in de wouden kwamen - van de aarde moeten hebben, en niets weten van keizerrijken, noch van koninkrijken, nog minder van regeringsvormen, en nog veel minder van de samenleving en van de levenswijzen in de samenleving. Vooraleer zij dit weten, kunnen zij niet dan een hoogst algemene voorstelling van de aarde hebben, welke van dien aard is, dat het bijna geen mag heten; zo is het ook omtrent de hemel en hel gesteld, terwijl er toch in beide overal ontelbare dingen zijn en in oneindig veel groter veelheid dan op welke aardbol ook. De ontelbare veelheid van die dingen kan men daaruit alleen al opmaken, dat evenmin als de hemel van de één ooit gelijk kan zijn aan de hemel van de ander, evenmin ook de hel van de één ooit gelijk kan zijn aan de hel van de ander; en dat alle zielen, welke van de eerste schepping af in de wereld geweest zijn, aldaar komen en verzameld worden.

  
/ 10837  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, van 2012 t/m 2021 op www.swedenborg.nl