Hemelse Verborgenheden in Genesis en Exodus #8478

Door Emanuel Swedenborg

Bestudeer deze passage

        |   
/ 10837  
  

8478. Dat eenieder niet een overschot daarvan zal maken; dat dit betekent dat zij niet bezorgd zouden zijn over het verkrijgen ervan uit zich, staat hieruit vast dat het manna iedere morgen gegeven werd en dat in het overschot wormen werden geboren, waarmee wordt aangeduid dat de Heer dagelijks in behoeften voorziet en dat zij dus uit zichzelf niet bezorgd moeten zijn over het verkrijgen ervan.

Dit wordt eveneens verstaan onder het dagelijks brood in het gebed des Heren en eveneens onder de woorden van de Heer bij Mattheüs: ‘Zijt niet bezorgd voor uw ziel, wat gij eten of drinken zult, noch voor uw lichaam wat gij zult aantrekken; wat zijt gij bezorgd over de dingen om aan te trekken; aanmerkt de leliën des velds, hoe zij groeien; zij arbeiden niet en spinnen niet; zijt dus niet bezorgd, zodat gij zegt: Wat zullen wij eten en wat zullen wij drinken of waarmee zullen wij ons kleden; want al die dingen zoeken de natiën; weet niet uw hemelse Vader dat gij al deze dingen nodig hebt; zoekt eerst het koninkrijk der hemelen en zijn gerechtigheid, dan zullen al deze dingen u toegeworpen worden. Zijt dan niet bezorgd voor morgen, want de dag van morgen zal zorg hebben voor de dingen die van die zijn’, (Mattheüs 6:25; Lukas 12:11,12,22-31).

Omdat in dit vers en in het volgende in de innerlijke zin wordt gehandeld over de zorg voor morgen en dat die zorg niet alleen verboden is, maar ook verdoemd – dat zij verboden is, wordt daarmee aangeduid dat zij van het manna geen overschot zouden maken tot aan de morgen; en dat zij verdoemd is, wordt daarmee aangeduid dat in het overschot de worm werd geboren en het verrotte – kan degene die deze zaak niet verder beschouwt dan vanuit de letterlijke zin, geloven dat elke zorg voor morgen terzijde geworpen moet worden en dat dus de behoeften dagelijks uit de hemel verwacht moeten worden; maar hij die de zaak dieper dan alleen vanuit de letterlijke zin beziet, zoals hij die dit alleen vanuit de innerlijke zin beziet, kan weten wat onder de zorg voor morgen wordt verstaan; er wordt niet de zorg verstaan voor het zich verwerven van voedsel en kleding en evenmin de voorzorgsmaatregelen voor de toekomst, want het is niet tegen de orde voorzieningen te treffen voor zich en voor de zijnen; maar diegenen hebben de zorg voor morgen, die niet tevreden zijn met hun lot en die niet op het Goddelijke vertrouwen maar op zichzelf en die alleen naar wereldse en aardse dingen zien en niet naar de hemelse.

Bij deze mensen regeert universeel de bezorgdheid ten aanzien van de toekomst, de lust om alle dingen te bezitten en van te heersen over allen; die bezorgdheid en lust ontsteekt en groeit aan naar gelang van de vermeerdering en tenslotte boven elke maat; dezen treuren indien zij de begeerde zaken niet bemachtigen en zij worden benauwd wanneer zij die dingen moeten verliezen; ook is er geen vertroosting voor hen, want dan toornen zij tegen het Goddelijke, zij verwerpen dat tezamen met alles van het geloof en zij vervloeken zichzelf; zodanig zijn de mensen bij wie de zorg voor morgen is.

Geheel anders is het gesteld met hen die op het Goddelijke vertrouwen; hoewel dezen ook de zorg voor morgen hebben, hebben zij die toch niet, want zij denken over morgen niet met bezorgdheid, te minder met benauwdheid; zij zijn gelijkmoedig, om het even of zij de begeerde dingen bemachtigen of niet; ook treuren zij niet bij het verlies; zij zijn tevreden met hun lot; indien zij welgesteld worden, stellen zij hun hart niet in de welgesteldheid, indien zij tot ereposten worden verheven, beschouwen zij zichzelf niet als waardiger dan anderen; indien zij arm worden, worden zij ook niet bedroefd; indien zij gering van stand worden, laten zij de moed niet zakken.

Zij weten dat voor degenen die op het Goddelijke vertrouwen, alle dingen voeren tot een gelukzalige staat tot in het eeuwige en dat alles wat hun in de tijd overkomt, toch bijdraagt tot die staat.

Men moet weten dat de Goddelijke Voorzienigheid universeel is, dat wil zeggen, in de meest afzonderlijke dingen en dat zij die in de stroom van de Voorzienigheid zijn, aanhoudend tot gelukzalige dingen worden geleid, onverschillig hoe die middelen ook mogen verschijnen; en dat diegenen in de stroom van de Voorzienigheid zijn die op het Goddelijke vertrouwen en daaraan alles toekennen; en dat diegenen niet in de stroom van de Voorzienigheid zijn, die alleen op zichzelf vertrouwen en aan zichzelf alle dingen toekennen; zij zijn immers in het tegengestelde, want zij ontnemen aan het Goddelijke de Voorzienigheid en eisen die voor zich op.

Men moet ook weten voor zoveel als iemand in de stroom van de Voorzienigheid is, hij ook voor zoveel in een staat van vrede is; en verder dat voor zoveel iemand in de staat van vrede is uit het goede van het geloof, hij voor zoveel in de Goddelijke Voorzienigheid is; alleen deze mensen weten en geloven, dat de Goddelijke Voorzienigheid van de Heer is in alle en de afzonderlijke dingen, ja zelfs in de meest afzonderlijke, zie de nrs. 1919, 4329, 5122, 5894, 6058, 6481-6486, 6490, 7004, 7007; en dat de Goddelijke Voorzienigheid het eeuwige beoogt, nr. 6491.

Maar zij die in het tegengestelde zijn, willen nauwelijks dat de Voorzienigheid wordt genoemd, maar betrekken alle en de afzonderlijke zaken op hun voorzichtigheid en zaken die zij niet op hun voorzichtigheid kunnen betrekken, noemen zij fortuin of toeval; sommigen op het noodlot, dat zij niet van het Goddelijke, maar van de natuur afleiden; zij noemen diegenen onnozel die niet aan zichzelf of aan de natuur alles toekennen.

Hieruit kan opnieuw vaststaan, hoedanig diegenen zijn die zorg voor morgen hebben en hoedanig diegenen zijn die geen zorg voor morgen hebben.

  
/ 10837  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, van 2012 t/m 2021 op www.swedenborg.nl