Ware Christelijke Religie #389

За Емануель Сведенборг

Вивчіть цей уривок

  
/ 853  
  

389. Vijfde gedenkwaardigheid. Eens werd een papier gezien dat uit de hemel werd neergelaten in een gezelschap in de wereld der geesten. Onder hen bevonden zich twee prelaten van een kerk met aan hen ondergeschikte kanunniken en priesters. Het papier bevatte de vermaning, dat ze de Heer Jezus Christus zouden erkennen als de God van hemel en aarde, zoals Hij het Zelf geleerd heeft, (Mattheüs 28:18), en dat ze zouden terugtreden van de leer van ‘het rechtvaardigende geloof, zonder de werken der wet’, omdat deze leer een dwaling is. Dit papier werd door velen gelezen en overgeschreven, en over de dingen die daarin stonden, dachten en spraken velen met een goed inzicht. Maar nadat ze het aangenomen hadden, zeiden ze tot elkaar: ‘Laten we horen wat de prelaten zeggen.’ Men luisterde naar hen, maar ze waren er tegen en keurden het af: de prelaten van dit gezelschap nu waren verhard in hun hart vanwege de valsheden die ze in de vorige wereld in zich hadden opgenomen. Daarom zonden ze na een korte onderlinge beraadslaging het papier terug naar de hemel, vanwaar het gekomen was. Toen dit gebeurd was, kwam het merendeel van de leken na enig gemompel op zijn vroegere instemming terug, waarna het licht van hun oordeel in geestelijke dingen, dat tevoren gestraald had, terstond werd gedoofd. Nadat ze opnieuw, maar tevergeefs, waren vermaand, zag ik dit gezelschap neerzinken - maar hoe diep, dat zag ik niet - en zo werden ze onttrokken aan de blik van degenen, die enig en alleen de Heer vereren en het ‘rechtvaardigende geloof-alleen’ verafschuwen. Maar na enige dagen zag ik er bijna honderd opklimmen uit het lagere land, tot waar dit kleine gezelschap omlaag was gezonken. Ze kwamen op mij toe en een van hen zei: ‘Hoor eens naar iets wonderlijks. Toen we neerzonken, verscheen aan ons een plaats die op een moeras leek, maar korte tijd later als droge grond, en daarna als een kleine stad, waarin velen hun eigen huis hadden. De dag daarop beraadslaagden we tezamen, wat er gedaan moest worden. Velen zeiden dat men naar die twee prelaten van de kerk moest gaan en hen welwillend daarover onderhouden, dat ze het papier naar de hemel, waaruit het was neergelaten, hadden teruggezonden, en dat dit de oorzaak was dat dit hen is overkomen. Ze kozen toen enigen uit die naar de prelaten gingen - en degene die met mij sprak, zei dat hij een van hen geweest was - en toen sprak een van ons, die in wijsheid uitblonk, het volgende tot de prelaten: ‘Wij hadden geloofd, dat de Kerk en de godsdienst meer bij ons dan bij de overigen was, omdat we hadden horen zeggen, dat wij in het hoogste licht van het Evangelie zijn. Maar aan enigen van ons werd verlichting uit de hemel gegeven, en in de verlichting de gewaarwording, dat er heden ten dage in de christelijke wereld geen Kerk meer is, omdat er geen godsdienst meer is. De prelaten zeiden: 'Wat zegt u nu!' Is de Kerk niet daar waar het Woord is, waar Christus de Heiland bekend is en waar de sacramenten zijn?’ Hierop werd hij door ons geantwoord: ‘Deze dingen behoren tot de Kerk, want ze maken de Kerk uit, maar ze maken haar uit niet buiten de mens, maar binnenin de mens.’ Verder zei hij: ‘Kan daar de Kerk zijn waar drie goden worden vereerd; kan de Kerk daar zijn, waar haar gehele leer gegrondvest wordt op een enkele, onjuist begrepen uitspraak van Paulus, en dus niet op het Woord? Kan er een Kerk zijn, zolang men zich niet richt tot de Zaligmaker van de wereld, die de God Zelf van de Kerk is? Wie kan ontkennen dat de godsdienst daarin bestaat, het boze te schuwen en het goede te doen; is er enige godsdienst die het geloof-alleen zalig maakt, en niet tegelijk de naastenliefde; is er enige godsdienst waar geleerd wordt, dat de uit de mens voortgaande naastenliefde niets anders is dan zedelijke en burgerlijke naastenliefde? Wie ziet niet dat in zo'n soort naastenliefde niets is van de godsdienst. Is er wel in het geloof-alleen iets van een daad of een werk, terwijl toch de godsdienst bestaat in doen. Bestaat er over het gehele aardrijk een natie, die al het zaligmakende uitsluit van de goedheden van de naastenliefde, die nu juist de goede werken zijn. Het al van de godsdienst bestaat toch in het goede, en het al van de Kerk in de leer, die de waarheden leert, en door de waarheden de goedheden. Welke heerlijkheid zouden we gehad hebben, als we de dingen hadden aangenomen, dat het uit de hemel neergelaten papier in de boezem droeg!’ Toen zeiden de prelaten: ‘U spreekt nu toch wel te te hoog. Is niet het geloof in de handeling, wat het ten volle rechtvaardigende en zaligmakende geloof is, de Kerk? Is niet het geloof in de staat, hetgeen het voortgaande en vervolmakende geloof is, de godsdienst? Begrijp dit toch, zonen!’ Onze wijze sprak toen: ‘Hoort vaders; ontvangt, naar uw dogma, de mens niet het geloof in de handeling als een blok hout? Kan een boomstronk levend gemaakt worden en zo tot een Kerk worden? Is niet het geloof in deze staat, volgens uw voorstelling, een voortzetting en voortschrijding van het geloof in de handeling? Als nu volgens uw dogma al het zaligmakende in het geloof is, en niets in het goede van de naastenliefde uit de mens, waar is dan de godsdienst? Toen zeiden de prelaten: ‘Vriend, u spreekt zo omdat u de verborgenheden niet weet van 'de rechtvaardiging van het geloof-alleen'; en hij, die deze niet weet, kent niet de weg van de zaligmaking uit het innerlijke. Uw weg is de uitwendige en die van het gewone volk; ga die weg als u dat wilt. Maar weet alleen dit, dat al het goede uit God is en niets uit de mens. De mens kan dus in geestelijke dingen niets uit zichzelf doen; hoe kan dan de mens het goede, dat het geestelijk goede is, uit zichzelf doen?’ Hierop antwoordde onze engel zeer verontwaardigd: ‘Ik ken uw verborgenheden van de rechtvaardiging beter dan u, en ik zeg u openlijk, dat ik innerlijk in uw verborgenheden niets dan spoken zie. Bestaat de godsdienst niet daarin, God te erkennen en de duivel te schuwen en te haten; is niet God het goede Zelf, en de duivel het kwaad zelf; wie op de gehele aarde, die godsdienst heeft, weet dit niet? Wil God erkennen en liefhebben niet zeggen: het goede doen, omdat dit van God is en uit God? Wil de duivel schuwen en haten niet zeggen: niet het kwaad doen, omdat dit van de duivel is en uit de duivel? Of, wat hetzelfde is, leert uw geloof in de handeling - wat u het ten volle rechtvaardigende en zaligmakende geloof noemt - of, wat hetzelfde is, leert uw geloof in de handeling door rechtvaardiging door het geloof-alleen, enig goede te doen dat van God is en uit God, en leert dit enig kwaad te schuwen, dat van de duivel is en uit de duivel? Niet in het minst, want u stelt vast, dat in beide niets van het heil is! Wat is uw geloof in de staat, die u het voortgaande en vervolmakende geloof noemt, anders dan hetzelfde als het geloof in de handeling? Hoe kan dit vervolmaakt worden, wanneer u al het goede uit de mens ‘als uit zichzelf’ uitsluit, als u in uw verborgenheden zegt: ‘Hoe kan de mens zalig gemaakt worden door enig goede uit zichzelf, wanneer de zaligmaking om niet is; en verder, wat is het goede uit de mens anders dan een verdienstelijk goede, en niettemin behoort Christus alle verdienste toe. Hiermee zou het goede doen met als doel het heil gelijk staan met zichzelf toe te schrijven wat alleen Christus toebehoort. Het zou dus ook gelijk staan met zichzelf te willen rechtvaardigen en zaligmaken. Hoe kan iemand het goede doen, wanneer de Heilige Geest alle dingen doet zonder enige hulp van de mens? Waartoe is er dan enig bijkomstig goede uit de mens nodig, terwijl toch al het goede uit de mens in zichzelf niet goed is; en nog tal van deze dingen meer? Zijn dit niet uw verborgenheden? In mijn ogen zijn het slechts haarkloverijen en sluwheden, verzonnen met het doel om de goede werken uit de weg te ruimen, die de goedheden van de naastenliefde zijn, ten einde uw 'geloof-alleen' te bevestigen. Omdat u dit doet, beschouwt u de mens ten aanzien van dit geloof, en in het algemeen ten aanzien van alle geestelijke dingen die tot de Kerk en de godsdienst behoren, als een blok hout, of als een onbezielde figuur en niet als een tot beeltenis van God geschapen mens. Aan de mens werd toch gegeven en wordt nog voortdurend gegeven het vermogen om te begrijpen en te willen, te geloven en lief te hebben en om te spreken en te doen, geheel en al als uit zichzelf, bovenal in geestelijke dingen, daar de mens vanuit die dingen mens is. Als de mens in geestelijke dingen niet als uit zichzelf zou denken en werken, wat zou dan het Woord zijn, wat dan de Kerk en de godsdienst en wat dan de eredienst? U weet dat de naaste het goede te doen uit liefde, de naastenliefde is, terwijl toch de naastenliefde de ziel en het wezen van het geloof is. Aangezien de naastenliefde deze beide is, wat is dan het van de naastenliefde verwijderde geloof anders dan dood; en wat is een dood geloof anders dan een spook? Ik noem het een spook omdat Jacobus het geloof zonder de goede werken niet alleen dood maar ook duivels noemt.’ [‘Wat baat het mijn broeders, of iemand al beweert geloof te hebben, als hij geen werken heeft? Kan dat geloof hem behouden? Stel dat een broeder of zuster gebrek heeft aan kleding en aan dagelijks voedsel, en iemand van u zegt tot hen: Gaat heen in vrede, houdt u warm en eet goed, zonder hen echter van het nodige voor het lichaam te voorzien, wat baat dit? Zo is het ook met het geloof; indien het niet met werken gepaard gaat, is het, op zichzelf genomen dood. Maar zal iemand zeggen: Gij hebt geloof en ik heb werken. Toon mij dan uw geloof zonder de werken, en ik zal u mijn geloof tonen uit mijn werken. Gij gelooft dat God één is? Daaraan doet gij wel, maar dat geloven de boze geesten ook en zij sidderen. Wilt gij weten, gij dwaze mens , dat het geloof zonder de werken niets uitwerkt?... Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, zo is ook het geloof zonder werken dood’] (Jacobus 2:14-20, 26). Toen ontstak een van deze prelaten zodanig in woede, toen hij zijn geloof dood, duivels en een spook hoorde noemen, dat hij zijn mijter van het hoofd rukte en die op de tafel wierp en zei: ‘Ik zal hem niet meer opnemen voordat ik wraak heb genomen op de vijanden van het geloof van onze kerk.’ Hij schudde zijn hoofd en zei mompelend: ‘Die Jacobus, die Jacobus.’ Aan de voorzijde van de mijter zat een metalen plaatje, waarin gegraveerd stond ‘het Rechtvaardigende Geloof-Alleen’. Toen verscheen plotseling een monster dat uit de aarde opkwam. Het had zeven hoofden, en voeten als van een beer, een lichaam als van een pardel [luipaard], en een bek als van een leeuw, geheel en al gelijk aan het beest dat beschreven wordt in, (Apocalyps 13:1-2) en waarvan een beeld gemaakt en aanbeden werd (14, 15). Dit fantoom nam de mijter van de tafel en trok hem van onderen wijd uit en zette hem op zijn zeven hoofden. Toen dit gebeurd was gaapte de grond onder zijn voeten open en het verzonk. De prelaat die dit zag riep agressief uit: ‘Geweld! geweld!’ Toen gingen we bij hen vandaan en ziet, daar verschenen treden voor onze ogen waarlangs we omhoog gingen en we kwamen opnieuw op de aarde, en in de aanblik van de hemel, waarin we tevoren waren geweest. Dit vertelde mij deze geest die met honderd anderen uit de lagere aarde was opgeklommen.

  
/ 853  
  

Swedenborg Boekhuis Baarle Nassau, Netherlands Nederlandse vertaling door Henk Weevers 2010. Link markup by NCBSP.