Ware Christelijke Religie # 327

Pag-aralan ang Sipi na ito

        
/ 853  
  

327. In de geestelijke zin worden door deze geboden alle begeerten verboden die tegen de geest zijn, dus die tegen de geestelijke dingen van de Kerk zijn, die voornamelijk betrekking hebben op het geloof en de naastenliefde. Want wanneer de begeerten niet bedwongen werden, zou het vlees zich uit losbandigheid in alle zonde storten. Want het is uit Paulus bekend dat,

‘het vlees begeert tegen de geest en de geest tegen het vlees’, (Galaten 5:17);

en uit Jakobus:

‘Eenieder wordt verzocht door zijn eigen begeerte, wanneer hij verleid wordt, daarna baart de begeerte, nadat zij ontvangen heeft, de zonde, en de zonde baart, wanneer zij voleindigd is, de dood’, (Jakoben 1:14-15);

verder uit Petrus:

‘De Heer bewaart de onrechtvaardigen tot de dag des oordeels, om gestraft te worden, allermeest degenen, die het vlees nawandelen in de begeerte’, (2 Petrus 2:9-10).

Kortom, deze twee geboden betreffen, in de geestelijke zin verstaan, alles wat eerder in de geestelijke zin werd aangevoerd, namelijk: dat men het niet begeren moet. Evenzo betreffen zij alles, wat in de hemelse zin werd aangevoerd. Dit echter weer te herhalen is overbodig.

  
/ 853  
  
   Pag-aralan ang Sipi na ito
Table of Contents
WARE CHRISTELIJKE RELIGIE 1-3 I. De gehele Heilige Schrift en daaruit alle leren van de Kerken in de Christelijke wereld leren dat er een God is en dat Hij één is. Dat de gehele Heilige Schrift leert dat er een God is, komt omdat zij in haar binnenste dingen niets anders is dan God, dat wil zeggen, het Goddelijke dat uit 6-7 II. Er is een universele invloeiing uit God in de zielen van de mensen, dat er een God is, en dat Hij één is. Dat er een invloeiing uit God in de mens is, blijkt duidelijk uit de algemene belijdenis, dat al het goede dat in zich goed is en in de mens is, en door hem gedaan wordt, uit God is; 8 III. Vandaar komt het dat er in de gehele wereld niet één natie met godsdienst en gezonde rede is, die niet een God erkent en dat God één is. Vanuit de Goddelijke invloeiing in de zielen van de mensen, waarover vlak hierboven, volgt dat er bij elk mens een innerlijke stem is, die hem zegt dat 9-10 IV. De natiën en volken zijn van elkaar afgeweken en wijken van elkaar af ten aanzien van de hoedanigheid van deze ene God vanuit verschillende oorzaken. De eerste oorzaak is deze: dat de kennis van God en de daaruit voortvloeiende erkenning, niet mogelijk is zonder openbaring, en dat er geen 11 V. De menselijke rede kan, wanneer zij wil, vanuit vele dingen in de wereld gewaarworden of besluiten, dat er een God is en dat Hij één is. Deze waarheid kan door ontelbare dingen in de zichtbare wereld bevestigd worden; want het heelal is als het ware een theater, waarop voortdurend bewijzen 12 VI. Wanneer God niet één was, had het heelal niet geschapen noch in stand gehouden kunnen worden. Dat men uit de schepping van het heelal de eenheid van God kan opmaken, komt omdat het heelal een werk is dat van de eerste tot de laatste dingen als één tezamen hangt en van één God afhangt, 13 VII. De mens die God niet erkent, is uit de Kerk uitgebannen en verdoemd. Dat de mens die niet God erkent, uit de Kerk uitgebannen is, komt omdat God het al van de Kerk is, en de Goddelijke dingen die de theologische worden genoemd, de Kerk maken. 14 VIII. Bij de mensen, die niet één God, maar verschillende goden erkennen, hangt niets van de Kerk samen. Wie één God met het geloof erkent en met het hart vereert, is in de gemeenschap der heiligen op aarde en in de gemeenschap der engelen in de hemelen. 15 I. Deze éne God wordt Jehovah genoemd vanuit het Zijn, dus daarom, omdat alleen Hij ‘is, was en zijn zal’, en omdat Hij de Eerste en de Laatste is: het Begin en het Einde, de Alfa en de Omega. 19 II. Deze éne God is de Substantie zelf en de Vorm zelf; en de engelen en de mensen zijn substanties en vormen vanuit Hem; en voor zoveel zij in Hem zijn en Hij in hen, zijn zij beelden en gelijkenissen van Hem. 20 III. Het Goddelijk ‘Zijn’ is Zijn in Zichzelf en tevens ‘Bestaan’ in Zichzelf. Dat Jehovah God Zijn in Zichzelf is, komt omdat Hij is ‘Ik Ben, het Zelf, het Enige en het Eerste’, uit het eeuwige tot in het eeuwige, uit wie alles is wat is, opdat het iets is. 21-22 IV. Het Goddelijk Zijn en Bestaan in Zichzelf kan geen ander Goddelijke voortbrengen dat Zijn en Bestaan in zichzelf is; bijgevolg is een andere God van hetzelfde Wezen onbestaanbaar. 23 V. De veelheid van goden in de oude tijden en ook in de hedendaagse tijd is nergens anders uit ontstaan dan uit het niet begrepen Goddelijk Zijn. Dat de eenheid van God het gemoed van elk mens in zijn binnenste is ingeschreven, aangezien deze gelegen is in het midden van alle dingen, die uit de 24 I. God is, aangezien Hij in Zichzelf Is en Bestaat, en alle dingen in het heelal vanuit Hem zijn, oneindig. Tot hiertoe werd aangetoond dat God één is en dat Hij het Zelf is, en dat Hij het eerste Zijn van alle dingen is, en dat alle dingen die in het heelal zijn, bestaan en blijven bestaan, 28 II. God is, aangezien Hij vóór de wereld was, dus vooraleer ruimten en tijden ontstaan zijn, oneindig. In de natuurlijke wereld zijn tijden en ruimten, daarentegen in de geestelijke wereld niet zo daadwerkelijk, niettemin wel schijnbaar. 29 III. God is, nadat de wereld gemaakt was, in de ruimte zonder ruimte, en in de tijd zonder tijd. Dat God en het Goddelijke, dat onmiddellijk uit Hem voortgaat, niet in de ruimte is, hoewel Hij alom tegenwoordig is, en bij ieder mens in de wereld en bij iedere engel in de hemel en bij iedere 30 IV. De Oneindigheid van God wordt met betrekking tot ruimten de Onmetelijkheid genoemd, en met betrekking tot de tijden de Eeuwigheid; en er is, hoewel deze betrekkingen bestaan, toch niets van ruimte in Zijn Onmetelijkheid, en niets van tijd in Zijn Eeuwigheid. 31 V. De verlichte rede kan vanuit zeer vele dingen in de wereld de Oneindigheid van God zien. Enige dingen zullen worden opgesomd, vanuit welke de menselijke rede de Oneindigheid van God kan zien; en deze zijn de volgende: 32 VI. Al wat geschapen is eindig en het oneindige is in de eindige dingen als in ontvangende dingen, en het is in de mensen als in zijn beelden. Dat al het geschapene eindig is, komt omdat alle dingen uit Jehovah God zijn door de Zon van de geestelijke wereld, die Hem het dichtst omgeeft, en deze 33-34 I. God is de Liefde zelf en de Wijsheid zelf, en deze twee maken Zijn Wezen uit. Dat de Liefde en de Wijsheid de twee wezenlijke dingen waarop alle oneindige dingen, die in God zijn en die uit God voortgaan, terugslaan, heeft de vroegste oudheid gezien; maar de volgende tijden waren, naarmate 37 II. God is het Goede zelf en het Ware zelf, aangezien het Goede tot de Liefde en het Ware tot de Wijsheid behoort. Het is algemeen bekend dat alle dingen betrekking hebben op het goede en ware, wat een teken is, dat alle dingen vanuit Liefde en Wijsheid zijn ontstaan, want al wat vanuit liefde 38 III. God is, aangezien Hij de Liefde zelf en de Wijsheid zelf is, het Leven zelf, hetwelk het Leven is in zichzelf. Bij Johannes wordt gezegd: 39-40 IV. Liefde en Wijsheid maken in God één uit. Elk wijs mens in de Kerk weet, dat al het goede van de liefde en van de naastenliefde uit God is, en evenzo al het ware van de wijsheid en van het geloof. 41-42 V. Het wezen van de liefde is, anderen lief te hebben buiten zichzelf, één met hen te willen zijn, en hen vanuit zich gelukkig te maken. Er zijn twee dingen die het wezen van God uitmaken: de Liefde en de Wijsheid, maar er zijn drie dingen, die het wezen van Zijn Liefde uitmaken, namelijk: 43-45 VI. Deze eigenschappen van de Goddelijke Liefde waren de oorzaak van de schepping van het heelal en zijn de oorzaak van de instandhouding ervan. Dat deze drie wezenlijke dingen van de Goddelijke Liefde de oorzaak van de schepping waren, kan men duidelijk zien, wanneer men ze aandachtig beschouwt 46-47 1. De Almacht, de Alwetendheid en de Alomtegenwoordigheid behoren tot de Goddelijke Wijsheid uit de Goddelijke Liefde. Dat de Almacht, de Alwetendheid en de Alomtegenwoordigheid tot de Goddelijke Wijsheid uit de Goddelijke Liefde behoren, maar niet tot de Goddelijke Liefde door de Goddelijke 50-51 2. Men kan de Almacht, de Alwetendheid en de Alomtegenwoordigheid van God niet kennen, tenzij men weet, wat de Orde is, en tenzij men daarvan dit weet, dat God de Orde is, en dat Hij tezamen met de schepping de Orde heeft ingevoerd zowel in het heelal als in alle en in elk van de dingen daarvan. 52-55 III. De Almacht van God, zowel in het heelal als in alle en in elk van de dingen daarvan, schrijdt voort en werkt volgens de wetten van Zijn Orde. God is almachtig, omdat Hij alle dingen uit Zichzelf kan, en alle anderen alleen uit Hem iets kunnen. 56-58 IV. God is alwetend, dat wil zeggen, wordt gewaar, ziet, en weet alle dingen en elk ding tot het allerkleinste toe, welke volgens de Orde geschieden, en uit deze dingen ook die, welke tegen de Orde gebeuren. 59-62 V. God is alomtegenwoordig uit de eerste tot de laatste dingen van Zijn Orde. Dat God alomtegenwoordig is uit de eerste tot de laatste dingen van Zijn Orde, wordt bewerkt door de warmte en het licht uit de Zon van de geestelijke wereld, in het midden waarvan Hij is. 63-64 VI. De mens is geschapen tot een vorm van de Goddelijke Orde. 65-67 VII. De mens is voor zoveel in de macht tegen het boze en valse uit de Goddelijke Almacht, en hij is voor zoveel in de wijsheid over het goede en ware uit de Goddelijke Alwetendheid, en hij is voor zoveel in God krachtens de Goddelijke Alomtegenwoordigheid, als hij overeenkomstig de Goddelijke 68-70 DE SCHEPPING VAN HET HEELAL. 75-80 Hoofdstuk 2 - DE HEER DE VERLOSSER 81-84 2. Jehovah God is neergedaald als het Goddelijk Ware, hetwelk het Woord is, zonder nochtans het Goddelijk Goede daarvan te scheiden. Er zijn twee dingen die het Wezen van God maken: de Goddelijke Liefde en de Goddelijke Wijsheid, of, wat hetzelfde is, het Goddelijk Goede en het Goddelijk Ware. 85-88 3. God heeft het Menselijke aangenomen overeenkomstig Zijn Goddelijke Orde. In het gedeelte over de Goddelijke Almacht en Alwetendheid werd aangetoond dat God tegelijk met de schepping de Orde heeft ingevoerd zowel in het heelal als in alle en elk van de dingen daarvan, en dat daarom Gods 89-91 4. Het Menselijke, door middel waarvan God Zichzelf in de wereld gezonden heeft, is de Zoon van God. De Heer heeft herhaaldelijk gezegd, dat de Vader Hem gezonden heeft, en dat Hij uit de Vader gezonden is, zoals in Mattheüs: ‘Wie u ontvangt, ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem, 92-94 5. De Heer heeft Zich door de handelingen van de verlossing gerechtigheid gemaakt. Dat de Heer alleen verdienste en gerechtigheid heeft door de gehoorzaamheid, die Hij in de wereld aan de Vader bewezen heeft, en vooral door het lijden aan het kruis, zegt en gelooft men heden ten dage in de 95-96 6. De Heer heeft Zich door deze zelfde handelingen verenigd met de Vader, en de Vader heeft Zich verenigd met Hem. Dat deze vereniging geschiedde door de handelingen van de verlossing, komt, omdat de Heer deze volbracht heeft uit Zijn Menselijke, en naarmate Hij ze uitwerkte, kwam het 97-100 7. God is aldus Mens geworden en de Mens God in één Persoon. Dat Jehovah God Mens geworden is, en de Mens God in één Persoon, volgt als besluit uit alle voorafgaande stellingen van dit hoofdstuk, vooral uit deze twee, ‘dat Jehovah, de Schepper van het heelal is neergedaald en het 101-103 8. De voortschrijding tot de vereniging was de staat van Zijn exinanitie, en de vereniging zelf is de staat van Zijn verheerlijking. Dat de Heer, toen Hij in de wereld was, twee staten had, die de staten van de exinanitie en van de verheerlijking worden genoemd, is in de Kerk bekend. 104-106 9. Na deze komt niemand van de christenen in de hemel, tenzij hij gelooft in de Heer God Zaligmaker en zich tot Hem alleen wendt. Men leest bij Jesaja: 107-108 TOEVOEGING 109 1. De Verlossing zelf was de onderwerping van de hellen en de ordening van de hemelen, en door deze dingen de voorbereiding tot een nieuwe geestelijke Kerk. Dat deze drie werkingen de Verlossing maken, kan ik met alle zekerheid zeggen, aangezien de Heer ook heden ten dage een verlossing doet, 115-117 2. Zonder deze Verlossing had geen mens zalig kunnen worden, noch hadden de engelen in de staat van ongereptheid kunnen voortbestaan. Eerst zal gezegd worden wat de verlossing is; verlossen betekent bevrijden van de verdoemenis, redden van de eeuwige dood, ontrukken aan de hel, en de gevangenen 118-120 3. De Heer heeft zo dus niet alleen de mensen maar ook de engelen verlost. Dit volgt uit wat in het voorafgaande artikel werd gezegd, namelijk dat de engelen zonder de verlossing uit de Heer evenmin hadden kunnen voortbestaan. Aan de bovengenoemde oorzaken voegen zich nog de volgende toe: 121-122 4. De Verlossing was een louter Goddelijk werk. Iemand die weet van welke aard de hel is en tot welk een hoogte en met welk een overstroming die gekomen was over de gehele geestenwereld ten tijde van de komst van de Heer, en verder met welk een macht de Heer de hel neerwierp en uiteendreef, en 123 5. Deze verlossing zelf had niet anders kunnen geschieden dan door de vlees geworden God. In het voorafgaande artikel werd aangetoond dat de verlossing een louter Goddelijk werk was, bijgevolg dat deze niet geschieden kon dan uit de almachtige God. 124-125 6. Het lijden aan het kruis was de laatste verzoeking die de Heer, als de grootste Profeet, doorstond, en dit was het middel ter verheerlijking van Zijn Menselijke, dat wil zeggen, ter vereniging met het Goddelijk Zijn van de Vader, en niet de Verlossing. 126-131 7. Het geloof, dat het lijden aan het kruis de verlossing zelf was, is de fundamentele dwaling van de Kerk; en deze dwaling, tezamen met de dwaling ten aanzien van de drie Goddelijke personen van eeuwigheid aan, heeft de gehele Kerk verdorven, dermate dat niet enig geestelijk overblijfsel meer 132-133 I. De Heilige Geest is de Goddelijke Waarheid, alsmede de Goddelijke Kracht en Werking, voortgaand uit de éne God, in wie de Goddelijke Drievuldigheid is, dus uit de Heer God Zaligmaker. 139-141 II. De Goddelijke Kracht en Werking, die onder de Heilige Geest wordt verstaan, zijn in het algemeen de hervorming en de wederverwekking; en overeenkomstig deze de vernieuwing, de levendmaking, de heiliging en de rechtvaardiging, en overeenkomstig deze de reiniging van boosheden en de vergeving 142-145 III. Deze Goddelijke Kracht en Werking, die verstaan wordt onder de zending van de Heilige Geest, is bij de geestelijken in het bijzonder de verlichting en de onderwijzing. De in het vorige artikel opgesomde werkingen van de Heer: de hervorming, de wederverwekking, de vernieuwing, de 146-148 IV. De Heer werkt deze krachten in hen die in Hem geloven. Dat de Heer deze krachten, welke onder de zending van de Heilige Geest worden verstaan, werkt in hen die in Hem geloven, dat wil zeggen, dat Hij hen hervormd, wederverwekt, vernieuwt, levend maakt, heiligt, rechtvaardigt, van boosheden 149-152 V. De Heer werkt vanuit Zichzelf uit de Vader, en niet omgekeerd. Onder werken wordt hier hetzelfde verstaan als onder het zenden van de Heilige Geest, aangezien de bovenvermelde werkingen, die in het algemeen zijn: de hervorming, de wederverwekking, de vernieuwing, de levendmaking, de 153-155 VI. De geest van de mens is zijn gemoed en al wat er vanuit voortgaat. Onder de geest van de mens wordt in concrete zin niets anders verstaan dan zijn gemoed, want dit is het, dat na de dood leeft en dan geest wordt genoemd. 156-157 TOEVOEGING. 158 I. Er is een Goddelijke Drievuldigheid, welke is: Vader, Zoon en Heilige Geest. Dat er een Goddelijke Drievuldigheid is: Vader, Zoon en Heilige Geest, blijkt duidelijk uit het Woord en uit de volgende plaatsen daar: 164-165 II. Deze drie: Vader, Zoon en Heilige Geest, zijn de drie Wezenlijkheden van de ene God, die één uitmaken, zoals: ziel. lichaam en werking bij de mens. Van eenzelfde ding bestaan algemene wezenlijkheden en ook bijzondere wezenlijkheden, en deze maken samen een enkel wezen uit. 166-169 III. Deze Drievuldigheid was niet vóór de schepping van de wereld, maar na de schepping van de wereld, toen God vlees geworden was, werd er in voorzien en gemaakt, en toen in de Heer God Verlosser en Heiland Jezus Christus. 170-171 IV. Een Drievuldigheid van Goddelijke personen van eeuwigheid aan, of vóórdat de wereld geschapen werd, is in de voorstellingen van het denken een drievuldigheid van goden, en deze kan niet opgeheven worden door een belijdenis met de mond van één God. 172-173 V. Een drievuldigheid van personen was onbekend in de apostolische kerk, maar zij is uitgegaan van het Niceaanse concilie en daaruit ingevoerd in de rooms-katholieke Kerk en uit deze in de van haar afgescheiden Kerken. 174-176 VI. Uit de Niceaanse en Athanasische Drievuldigheid is het geloof ontstaan, dat de gehele christelijke Kerk verdorven heeft. Dat de Niceaanse en tevens Athanasische drievuldigheid er een is van drie goden, zag men uit hun geloofsbelijdenis, boven in nr. 172 aangetoond. 177-178 VII. Hieruit kwam die ‘gruwel van verlating en van verdrukking, hoedanig niet is geweest en ook niet zijn zal’, voort, welke de Heer bij Daniël en de evangelisten en in de Openbaring heeft voorzegd. Bij Daniël leest men het volgende: 179-181 VIII. Voorts dit, dat indien uit de Heer niet een nieuwe hemel en een nieuwe Kerk opgericht zou worden, niet enig vlees behouden zou worden. Men leest bij Mattheůs: ‘Dan zal grote verdrukking wezen, hoedanige niet is geweest van het begin van de wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal; ja 182 IX. Uit de drievuldigheid van personen, waarvan eenieder afzonderlijk God is, volgens de athanasische geloofsbelijdenis, ontstonden tal van ongerijmde en vreemdsoortige voorstellingen over God, die fantasieën en misgeboorten zijn. 183-184 Hoofdstuk 4 - DE HEILIGE SCHRIFT OF HET WOORD VAN DE HEER. 189-192 Wie erkent en beaamt het niet, wanneer er gezegd wordt, dat het Woord, aangezien het Goddelijk is, in zijn schoot geestelijk is? Maar wie heeft tot dusver geweten, wat het geestelijke is, en waar dit in het Woord verborgen ligt? Wat echter het geestelijke is, zal in een gedenkwaardigheid na dit 193 1. Wat de geestelijke zin is; de geestelijke zin is niet die zin, die uit de zin van de letter van het Woord opblinkt, wanneer iemand het Woord bestudeert en uitlegt om het een of ander dogma van de Kerk te bevestigen. Die zin kan de letterlijke of kerkelijke zin van het Woord worden genoemd. 194 Uit de Heer gaan voort, achtereenvolgens: het Goddelijk Hemelse, het Goddelijk Geestelijke en het Goddelijk Natuurlijke. Het Goddelijk Hemelse wordt al datgene genoemd, wat uit Zijn Goddelijke Liefde voortgaat, en al dit is het Goede. 195 2. De geestelijke zin is in alle en elk van de dingen van het Woord. Dit kan men het beste uit voorbeelden zien, welke de volgende zijn: Johannes zegt in de Openbaring: ‘Ik zag de hemel geopend; en ziet, een wit paard, en die op hetzelve zat, was genaamd Getrouw en Waar; die in gerechtigheid 196-198 Dat de Heer, toen Hij in de wereld was, in overeenstemmingen sprak, dus ook geestelijk als Hij natuurlijk sprak, kan uit Zijn gelijkenissen blijken, waarvan elk woord afzonderlijk een geestelijke zin bevat. Als voorbeeld diene de gelijkenis over de tien maagden. 199 III. Het is vanuit de geestelijke zin, dat het Woord Goddelijk geďnspireerd is, en in elk woord heilig. In de Kerk wordt gezegd dat het Woord heilig is, en dit, omdat Jehovah de Heer het gesproken heeft. 200 IV. De geestelijke zin van het Woord was tot dusver onbekend. Dat alle en elk van de dingen die in de natuur zijn, overeenstemmen met geestelijke dingen, en ook alle en elk van de dingen die in het menselijk lichaam zijn, werd in het werk ‘Hemel en Hel’ nr 87-105, aangetoond. 201-207 V. De geestelijke zin van het Woord zal voortaan aan niemand worden gegeven, tenzij hij in echte waarheden uit de Heer is. De reden hiervan is deze, dat niemand de geestelijke zin kan zien, tenzij uit de Heer alleen, en tenzij hij uit de Heer in Goddelijke waarheden is. 208 VI. Wonderbaarlijkheden over het Woord vanuit de geestelijke zin ervan. In de natuurlijke wereld bestaat geen enkele wonderbaarlijkheid vanuit het Woord, aangezien de geestelijke zin daar niet verschijnt, en zoals dit in zichzelf is, wordt het niet door de mens innerlijk opgenomen. 209 In al het Goddelijke is een eerste, een middelste en een laatste, en het eerste gaat door het middelste tot het laatste, en zo bestaat het en blijft het bestaan; vandaar is het laatste de basis. 210-213 Dat in het Woord de letterlijke zin in zijn volheid, in zijn heiligheid en in zijn macht is, komt omdat de twee vorige of innerlijke zinnen, die de geestelijke en de hemelse worden genoemd, tegelijk zijn in de natuurlijke zin, die de letterlijke zin is, zoals eerder is gezegd in nrs. 214-216 1. De waarheden van de zin van de letter van het Woord worden verstaan onder de kostbare stenen, waaruit de fundamenten van het Nieuwe Jeruzalem bestonden, (Apocalyps 21:17-21). Eerder in nr. 217 2. De goedheden en waarheden van het Woord, in de zin van de letter ervan, worden verstaan onder Urim en Thummim op de Efod van Aharon. De urim en de thummim waren op de efod van Aharon, door wiens priesterschap de Heer werd uitgebeeld ten aanzien van het Goddelijke Goede en ten aanzien van het 218 3. Dergelijke dingen worden verstaan onder de kostbare stenen in de Tuin van Eden, waarin de Koning van Tyrus, naar gezegd wordt, is geweest. Men leest bij Ezechiël: 219 4. De waarheden en goedheden in laatste of uiterste, zoals die in de zin van de letter van het Woord zijn, werden uitgebeeld door de voorhangen, de gordijnen en de zuilen van de tabernakel. 220 5. Desgelijks werden door de uitwendige dingen van de tempel te Jeruzalem dingen uitgebeeld. Dit komt, omdat evenzeer door de tempel als door de tabernakel de hemel en de kerk werd uitgebeeld, maar door de tempel de hemel, waarin de geestelijke engelen zijn, door de tabernakel daarentegen de 221 6. Het Woord in zijn heerlijkheid werd uitgebeeld in de Heer, toen Hij van gedaante veranderde. Men leest over de Heer, toen Hij voor Petrus, Jakobus en Johannes van gedaante veranderde, ‘dat Zijn aangezicht blonk gelijk de zon; dat Zijn klederen werden gelijk het licht; en dat Mozes en Elias 222 7. De macht van het Woord in laatsten werd uitgebeeld door de Nazireeërs. Men leest in het boek Richteren over Simson, dat hij een Nazireeër was van moeders buik af, en dat zijn kracht in zijn haren bestond. 223 8. Ten aanzien van de onuitsprekelijke macht van het Woord: nauwelijks iemand weet heden ten dage, dat er in de waarheden een bepaalde macht is; want men meent, dat het ware slechts een woord is, door iemand gesproken die macht heeft, en dat het daarom gehoorzaamd moet worden. 224 In het voorgaande artikel werd aangetoond dat het Woord in de zin van de letter in zijn volheid, in zijn heiligheid en in zijn macht is; en aangezien de Heer het Woord is, en de Eerste en de Laatste, zoals Hijzelf zegt in, (Apocalyps 1:17), zo volgt hieruit, dat de Heer in die zin ten volste 225 I. Het Woord wordt zonder de leer niet verstaan. Dit komt, omdat het Woord in de zin van de letter uit louter overeenstemmingen bestaat, opdat de geestelijke en hemelse dingen daarin tegelijkertijd zijn, en opdat elk woord de samenhouder en ondersteuning daarvan zal zijn. 226-228 II. De leer moet uit de zin van de letter worden geput en hierdoor bevestigd worden. Dit komt omdat de Heer aldaar aanwezig is, en leert en verlicht, want de Heer werkt nooit iets tenzij in volheid, en het Woord in de letterlijke zin is in zijn volheid, zoals boven werd aangetoond. 229-230 III. Het echte ware, dat tot de leer moet behoren, verschijnt in de zin van de letter van het Woord, alleen aan hen, die uit de Heer in verlichting zijn. De verlichting is uit de Heer alleen, en is bij hen, die de waarheden liefhebben, omdat het waarheden zijn, en die tot nutten van het leven 231-233 Dat er door het Woord verbinding is met de Heer, komt, omdat Hij het Woord is, dat wil zeggen, het Goddelijk Ware zelf en het Goddelijk Goede zelf daarin. Dat er door de zin van de letter verbinding is, komt, omdat het Woord in die zin in zijn volheid, in zijn heiligheid en in zijn macht is, 234-239 Dat het Woord in de hemelen is, is tot nu toe niet bekend, en kon ook niet bekend gemaakt worden, zolang de Kerk niet wist dat engelen en geesten mensen zijn, naar aangezicht en lichaam geheel en al gelijk aan de mensen in onze wereld, en dat de dingen bij hen in alle opzichten gelijk zijn aan 240-242 Dat de Kerk uit het Woord is, kan niet in twijfel worden getrokken, want eerder werd aangetoond dat het Woord het Goddelijk ware is, (nrs. 189-192). Dat vanuit het Woord de leer van de Kerk is, (nrs. 225-233); en dat er door het Woord verbinding is met de Heer, (nrs. 234-239). 243-247 IX. Er is in de afzonderlijkheden van het Woord een huwelijk van de Heer en de Kerk, en vandaar een huwelijk van het goede en het ware. 248-253 Hierboven werd aangetoond, dat het Woord niet verstaan kan worden zonder de leer, en dat de leer is gelijk een lamp, opdat men de echte waarheden kan zien, en dit vanwege hiervan, dat het Woord in louter overeenstemmingen is geschreven. 254-260 Dat tal van dingen in de letterlijke zin van het Woord schijnbaarheden van het ware zijn, waarin echte waarheden verborgen liggen, en dat het niet schadelijk is, overeenkomstig schijnbaarheden van het ware eenvoudig te denken en eveneens te spreken, maar dat het wel schadelijk is, deze te 257 Dat het schadelijk is, de schijnbaarheden van het ware te bevestigen, die in het Woord zijn, aangezien daardoor begoocheling ontstaat, en zo dus het Goddelijk Ware, dat van binnen verborgen ligt, vernietigd wordt. 258 Bovendien moet men weten, dat de zin van de letter een wachter is voor de echte waarheden, die van binnen verborgen liggen, opdat die niet beschadigd worden. En het is een wachter in dit opzicht, dat deze zin hierheen en daarheen gedraaid en al naar de opvatting verklaard kan worden, zonder dat 260 260. Bovendien moet men weten, dat de zin van de letter een wachter is voor de echte waarheden, die van binnen verborgen liggen, opdat die niet beschadigd worden. En het is een wachter in dit opzicht, dat deze zin hierheen en daarheen gedraaid en al naar de opvatting verklaard kan worden, zonder dat 260 Dat de Heer in de wereld alle dingen van het Woord heeft vervuld, en dat Hij daardoor het Goddelijk Ware of het Woord, ook in laatsten geworden is, wordt onder het volgende bij Johannes verstaan: ‘en het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond, en wij hebben Zijn heerlijkheid 261-263 Dat vóór het Woord, dat door Mozes en de profeten bij de Israëlitische natie gegeven werd, de eredienst door middel van slachtoffers bekend was, en dat men uit de mond van Jehovah geprofeteerd heeft, kan uit de vermeldingen in de Boeken van Mozes blijken. 264-266 Er kan geen verbinding met de hemel bestaan, wanneer er niet ergens op aarde een kerk is, waar het Woord is, en waardoor de Heer bekend is; want de Heer is de God van hemel en aarde, en zonder de Heer is er geen heil. 267-272 Aangezien er mensen zijn, die beweren en het bij zichzelf bevestigd hebben, dat de mens zonder het Woord iets van het bestaan van God, alsmede van de hemel en de hel, voorts van de overige dingen, die het Woord leert, weten kan, kan men met hen niet vanuit het Woord redeneren, maar moet men van 273-276 Daar de geboden van de Decaloog de eerstelingen van het Woord waren en vandaar de eerstelingen van de Kerk, die bij het volk van Israël gesticht moest worden, en daar zij in korte samenvatting alles van de religie bevatten, waardoor de verbinding van God met de mens, en van de mens met God tot 283-286 Het is bekend, dat de Decaloog in het Woord bij voorkeur de Wet wordt genoemd, omdat het alle dingen bevat, die van de leer en van het leven zijn. Want de wet bevat niet alleen alle dingen die God betreffen, maar ook alle dingen die de mens betreffen. 287-290 Dit zijn de woorden van het eerste gebod, (Exodus 20:3; Deuteronomium 5:7) waaronder in de natuurlijke zin, die de letterlijke zin is, in de eerste plaats wordt verstaan, dat men geen afgoden vereren zal, want daarop volgt: 291-296 Onder de naam van Jehovah God ijdel gebruiken wordt in de natuurlijke zin, die de zin van de letter is, de naam zelf verstaan, en het misbruik daarvan in allerlei gesprekken, vooral bij onwaarheden of leugens, en bij zweren zonder oorzaak en met het doel zich vrij te pleiten van kwade 297-300 Dat dit het derde gebod is, kan men zien in Exodus en Deuteronomium: ‘Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here, uw God; dan zult gij geen werk doen, gij noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw 301-304 Zo leest men dit gebod in, (Exodus 20:12, en in Deuteronomium 5:16). Onder ‘uw vader en uw moeder eren’, wordt in de natuurlijke zin, die de zin der letter is, verstaan de ouders eren, hen gehoorzamen, hun toegewijd zijn, en hun dankbaar zijn voor de weldaden, dat zij de kinderen voeden en 305-308 Onder dit gebod: ‘Gij zult niet doden’ worden in de natuurlijke zin verstaan, geen mens te doden, en hem geen slag toe te brengen waaraan hij sterven kan, en ook zijn lichaam niet te verminken; en bovendien geen dodelijke schade te berokkenen aan zijn naam en faam, daar bij sommigen faam en 309-312 In de natuurlijke zin wordt onder dit gebod niet alleen echtbreken verstaan, maar ook obscene dingen willen en doen, en vandaar wulpse dingen denken en spreken. Dat alleen al het begeren echtbreken is, blijkt uit deze woorden van de Heer: 313-316 In de natuurlijke zin wordt onder dit gebod volgens de letter verstaan: niet stelen, roven en piraterij plegen in vredestijd; en in het algemeen niet iemand zijn goederen op slinkse wijze of onder enig voorwendsel afnemen. 317-320 Onder valse getuigenis afleggen tegen de naaste wordt in de natuurlijke zin, die het dichtst bij de letter is, verstaan: valse getuigenis afleggen voor een rechter, of voor anderen buiten de rechtbank, tegen iemand die ten onrechte van iets kwaads beschuldigd wordt, en dit onder verzekering bij 321-324 In de Catechismus, die tegenwoordig in gebruik is, is dit gebod in tweeën verdeeld: het ene, dat het negende vormt, luidt: ‘Gij zult niet begeren uws naasten huis’, en het andere, dat het tiende vormt, luidt: ‘Gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn 325-328 In acht geboden van de Decaloog, in het eerste, de tweede, vijfde, zesde, zevende, achtste, negende en tiende, wordt niets gezegd, dat direct betrekking heeft op de liefde tot God en op de liefde jegens de naaste. Want er wordt niet gezegd, dat men God moet liefhebben. 329-331 Hoofdstuk 6. HET GELOOF. 336 Dat het zaligmakende geloof het geloof is in God de Zaligmaker, kom omdat Hij God en Mens is, en Hij in de Vader en de Vader in Hem, en zij zo dus één zijn; vandaar richten diegenen die zich tot Hem richten, zich tevens ook tot de Vader, en zo dus tot één en een enig God, en er is geen 337-339 Dat men moet geloven, dat wil zeggen, geloof hebben moet in God de Zaligmaker Jezus Christus, komt, omdat het een geloof is in de zichtbare God in wie de onzichtbare God is; en een geloof in een zichtbare God, die Mens is en tevens God, gaat binnen in de mens. 339 Dat de mens voor het eeuwige leven geschapen is, en dat elk mens het beërven kan, zo hij slechts leeft overeenkomstig de middelen tot de zaligheid, die in het Woord zijn voorgeschreven, geeft elke christen en ook elke heiden, die godsdienst en gezonde rede heeft, bereidwillig toe. 340-342 In het voorgaande werd (van nrs. 336-339) aangetoond, dat het zaligmakend geloof, het geloof is in de Heer God Zaligmaker Jezus Christus. Maar er wordt gevraagd, wat het eerste van het geloof in Hem is; en er wordt geantwoord: dat dit is: de erkenning dat Hij de Zoon van God is. 342 Alvorens te beginnen, de oorsprong van het geloof aan te tonen, welke daarin bestaat, dat men tot de Heer gaat, de waarheden uit het Woord leert en overeenkomstig deze leeft, is het noodzakelijk, daaraan de hoofdpunten van het geloof vooraf te bespreken, waardoor men een algemeen begrip kan 343-348 Het ‘zijn’ van het geloof van de Nieuwe Kerk is: 344 Aangezien in het kort de dingen werden aangevoerd, die tot het geestelijk geloof behoren, zo zullen ook in het kort die dingen worden aangevoerd, die behoren tot het louter natuurlijk geloof, dat op zichzelf een nabootsende overreding van het geloof is, en het is een overreding van het valse en 345-348 Uit de opvatting, die men heden ten dage van het geloof heeft, kan men niet weten, dat het geloof in zijn volle omvang de samenvatting van de waarheden is, en nog minder, dat de mens er iets toe kan bijdragen om zich het geloof te verwerven, terwijl toch het geloof in zijn wezen de waarheid is; 349-354 (1) Dat de waarheden van het geloof tot in het oneindige vermenigvuldigd kunnen worden, kan blijken uit de wijsheid van de engelen van de hemel, namelijk dat zij tot in eeuwigheid voortgroeit. 350 (2) De rangschikking van de waarheden van het geloof is in reeksen, dus als in bundeltjes. Dat dit zo is, weet men nog niet, en men weet het niet, omdat de geestelijke waarheden, waaruit het gehele Woord is samengeweven, met als oorzaak van het mystieke en raadselachtige geloof, dat elk punt 351 (3) Dat het geloof overeenkomstig de overvloedige voorraad en de samenhang van de waarheden vervolmaakt wordt, volgt uit wat hierboven gezegd is, en openbaart zich voor eenieder, die redenen verzamelt, en doorziet, wat vermenigvuldigde reeksen uitwerken, wanneer die als één samenhangen, want 352-353 (4) De waarheden van het geloof, hoe talrijk deze ook zijn, en hoe verschillend ze ook verschijnen, maken één, uit de Heer, die het Woord is, de God van hemel en aarde, de God van alle vlees, de God van de wijngaard of van de Kerk, de God van het geloof, en het Licht zelf, de Waarheid en het 354 (4) De waarheden van het geloof, hoe talrijk deze ook zijn, en hoe verschillend ze ook verschijnen, maken één, uit de Heer, die het Woord is, de God van hemel en aarde, de God van alle vlees, de God van de wijngaard of van de Kerk, de God van het geloof, en het Licht zelf, de Waarheid en het 354 Dat de huidige Kerk het geloof van de naastenliefde heeft gescheiden, en zegt, dat het geloof-alleen zonder de werken van de wet rechtvaardigt en zalig maakt, en dat zo dus de naastenliefde niet met het geloof verbonden kan worden, aangezien het geloof uit God is, en de naastenliefde, 355-361 I. Dat de mens zichzelf geloof kan verwerven, werd boven in de derde paragraaf vanaf nrs. 343-348 aangetoond, en wel daarmee, dat het geloof in zijn wezen waarheid is, en de waarheden uit het Woord door eenieder verworven kunnen worden, en dat voorzoveel iemand ze voor zichzelf verwerft, en ze 356 II. De mens kan zichzelf naastenliefde verwerven. Het is hiermee net zo gesteld als met het geloof; want wat leert het Woord anders dan geloof en naastenliefde, aangezien deze de twee wezenlijke dingen van het heil zijn. 357 III. Dat de mens zichzelf ook het leven van het geloof en van de naastenliefde kan verwerven, daarmee is het evenzo gesteld; want hij verwerft zich dit, wanneer hij tot de Heer gaat, die het Leven zelf is, en de toegang tot Hem is voor geen mens gesloten, want Hij nodigt voortdurend elk mens om 358 IV. Toch is er niets van het geloof en niets van de naastenliefde, en niets van het leven van beide uit de mens, maar uit de Heer alleen; want men leest, 359 In het voorafgaande werd gezegd, dat het geloof bij de mens in het begin natuurlijk is, en dat het, naarmate de mens tot de Heer nadert, geestelijk wordt, en evenzo de naastenliefde. 360-361 Allereerst dienen enige dingen vermeld te worden die tot dusver in de geleerde wereld en vandaar in de kerkelijke orde onbekend waren, en wel zo onbekend, dat het zoals in de aarde begraven dingen zijn, terwijl het toch schatten van wijsheid zijn, en de mens, wanneer deze schatten niet 362-367 I. De Heer vloeit met al Zijn Goddelijke Liefde, met al Zijn Goddelijke Wijsheid, dus met al Zijn Goddelijk Leven bij elk mens in. In het Boek der Schepping lezen we, 364 II. Bijgevolg, dat de Heer met het gehele wezen van het geloof en van de naastenliefde bij elk mens invloeit. Dit volgt uit de voorafgaande stelling, aangezien het leven van de Goddelijke Wijsheid het wezen van het geloof is, en het leven van de Goddelijke Liefde het wezen van de naastenliefde 365 III. De dingen die uit de Heer invloeien, worden door de mens overeenkomstig zijn vorm opgenomen. Onder de vorm wordt hier de staat van de mens verstaan ten aanzien van zijn liefde en tevens ten aanzien van zijn wijsheid, en dus ook ten aanzien van de aandoeningen van de goedheden van de 366 IV. Maar de mens die de Heer, de naastenliefde en het geloof verdeelt, is niet een vorm die opneemt, maar een vorm die vernietigt. Want wie de Heer van de naastenliefde en van het geloof scheidt, die scheidt het leven ervan, en wanneer het leven daarvan gescheiden is, houden de naastenliefde en 367 Dat de mens van de Kerk in de Heer is, en de Heer in hem, blijkt uit de volgende plaatsen in het Woord: 368-372 1. Er is een verbinding met God waardoor de mens het heil en het eeuwige leven toekomen. De mens is geschapen om met God verbonden te kunnen worden, want hij is geschapen als een inwoner van de hemel, en ook tot een inwoner van de wereld, en voorzover hij een inwoner van de hemel is, is hij 369 2. Er is geen verbinding mogelijk met God de Vader, maar met de Heer, en door Hem met God de Vader; dit leert de Schrift en ziet de rede. De Schrift leert, dat God de Vader nooit gezien noch gehoord werd en dat Hij ook niet gezien noch gehoord kan worden; bijgevolg dat Hij vanuit Zich, zoals 370 3. De verbinding met de Heer is wederkerig, namelijk de Heer is in de mens, en de mens is in de Heer. Dat de verbinding wederkerig is leert de Schrift en ziet ook de rede. De Heer leert ten aanzien van Zijn verbinding met Zijn Vader, dat zij wederkerig is, want Hij zegt tegen Filippus: 371 4. Deze wederkerige verbinding van de Heer en de mens is door de naastenliefde en het geloof. Heden ten dage weet men, dat de Kerk het lichaam van Christus maakt, en dat eenieder in wie de Kerk is, in enig lid van dit lichaam is, overeenkomstig Paulus: 372 In elk werk dat uit de mens voortgaat, is de mens geheel en al zoals hij is naar zijn gezindheid of zoals hij wezenlijk is. Onder de gezindheid wordt de aandoening van zijn liefde en de daaruit voortvloeiende gedachte verstaan; deze vormen zijn natuur en in het algemeen zijn leven. 373-377 1. De naastenliefde is wel willen, en de goede werken 374 2. Naastenliefde en geloof zijn slechts dingen van het 375-376 3. De naastenliefde alleen brengt geen goede werken 377 378. De christelijke Kerk begon al van haar wieg af aan 378-381 De christelijke Kerk begon al van haar wieg af aan 378 1. Het ware geloof is enig, en het is het geloof in de Heer God Zaligmaker Jezus Christus, en het is bij hen die geloven, dat Hij de Zoon van God, de God van hemel en aarde, en één met de Vader is. 379 2. Onecht geloof is elk geloof, dat van het ware geloof, dat enig is, afwijkt, en het is bij degenen, die van elders inklimmen, en de Heer niet als God, maar alleen als mens beschouwen. 380 3. Huichelachtig geloof is geen geloof. De mens wordt huichelachtig, wanneer hij veel over zichzelf denkt en zich boven anderen plaatst. Want zo richt hij de gedachten en aandoeningen van zijn gemoed naar zijn lichaam en stort ze daarin uit, en verbindt ze met de zinnen ervan. 381 Al diegenen zijn boos, die de schepping van de wereld uit God, en daarmee dus God loochenen, want zij zijn atheďstische naturalisten. Dat al deze boos zijn, komt omdat al het goede, dat niet alleen natuurlijk maar ook geestelijk het goede is, uit God is. 382-384 I. De bozen hebben geen geloof, omdat het boze tot de hel en het geloof tot de hemel behoort. Dat het boze tot de hel behoort, komt omdat al het boze daaruit is; dat het geloof tot de hemel behoort, komt omdat al het ware, dat van het geloof is, vanuit de hemel is. 383 II. Al diegenen in het christendom hebben geen geloof, die de Heer en het Woord verwerpen, hoewel zij zedelijk leven, en redelijk, ook over het geloof, spreken, leren en schrijven. Dit volgt als besluit uit al hetgeen voorafgaat. 384 Het uitgangspunt dient van deze drie liefden genomen te 394-396 I. De wil en het verstand. 397 II. Het goede en het ware. 398 III. De liefde in het algemeen. 399 IV. De eigenliefde en de wereldliefde in het bijzonder. 400 V. De innerlijke en de uitwendige mens. 401 VI. De louter natuurlijke en zinnelijke mens. Aangezien weinigen weten, wie er verstaan worden onder de zinnelijke mensen en van welke aard zij zijn en het toch van belang is dit te weten, zo zullen zij daarom beschreven worden. 402 Eerst zal iets worden gezegd over de rangschikking van deze drie universele liefden; deze zijn: de liefde tot de hemel, de liefde tot de wereld en de eigenliefde, en daarna over de invloed en over de invoeging van de ene in de andere, en tenslotte over de staat van de mens overeenkomstig de 403-405 De mens is niet ter wille van zichzelf maar ter wille van anderen geboren, dat wil zeggen, opdat hij zal leven niet voor zichzelf maar voor anderen, anders zou er niet enig samenhangend gezelschap zijn, en daarin niet enig goede. 406-411 Zij, die niet weten wat de naaste in de echte zin betekent, menen dat hij geen ander is dan de mens in enkelvoud, en dat hem weldaden bewijzen, wil zeggen de naaste liefhebben. Maar de naaste en de liefde tot hem strekken zich verder uit en stijgen naarmate het getal van de mensen groter wordt. 412-414 Aangezien de mens geboren is voor het eeuwige leven en in dit leven door de Kerk wordt binnengeleid, moet hij de Kerk in een hogere graad liefhebben, want zij leert de middelen die tot het eeuwige leven leiden, en leidt daarin binnen. 415-416 Wie weet niet dat de mens niet mens is door het menselijk aangezicht en door het menselijk lichaam, maar door de wijsheid van zijn verstand en door de goedheid van zijn wil, waarvan de hoedanigheid naarmate die stijgt, maakt dat hij meer mens is? Wanneer de mens geboren is, is hij bruter dan 417-419 Bij elk mens is een innerlijke en een uitwendige; dit innerlijke is datgene, wat de innerlijke mens wordt genoemd, en zijn uitwendige is datgene wat de uitwendige mens wordt genoemd; maar wie niet weet, wat de innerlijke en uitwendige mens is, kan geloven dat het de innerlijke mens is die denkt 420-421 Dat de naastenliefde zelf is: gerecht en getrouw handelen in ambt, zaken en beroep waarin eenieder is, komt omdat alle dingen die de mens op deze wijze doet, de samenleving tot nut zijn, en het nut het goede is en het goede in de van de persoon weggenomen zin de naaste is. 422-424 Men dient onderscheid te maken tussen de plichten van de naastenliefde en de weldaden ervan. Onder de plichten van de naastenliefde wordt verstaan het naleven van de naastenliefde, die onmiddellijk van de naastenliefde zelf uitgaan, die, zoals eerder werd aangetoond, in de eerste plaats tot de 425-428 De weldaden van de naastenliefde en de plichten van de naastenliefde zijn van elkaar onderscheiden gelijk de dingen die uit vrije keuze en de dingen die uit noodzaak gebeuren. Maar toch worden hier onder plichten van de naastenliefde niet de ambtsplichten in rijk en staat verstaan, zoals die 429-432 Het is bekend dat middag- en avondmalen overal gebruikelijk zijn en dat die om verschillende doeleinden zijn ingesteld, en dat ze bij velen gegeven worden ter wille van vriendschappen, van familiebetrekkingen, om zich te verblijden, om voordelen te behalen en met het oog op wedervergelding; en 433-434 In de leer van de naastenliefde neemt dit de eerste plaats in, dat het eerste van de naastenliefde is: geen kwaad aan de naaste te doen, en het tweede: hem het goede te doen. Dit dogma is gelijk een deur tot de leer van de naastenliefde. 435-438 Verdienste stellen in de werken die ter wille van de zaligheid gedaan worden, is verderfelijk, want daarin liggen boosheden verborgen, waarvan degene die dit doet, niets weet. Daarin ligt verborgen: de ontkenning van de invloeiing en van de werking van God bij de mens; het vertrouwen op eigen 439-442 Elk mens leert van zijn ouders en meesters zedelijk te leven, dat wil zeggen, als een goed burger en op een eerzame manier te handelen. Eerzaamheid heeft betrekking op verschillende deugden, die de wezenlijke dingen zijn van eerzaamheid en hij leert hierdoor de vormen, die eerzaam worden 443-445 Onder vriendschap van de liefde wordt innerlijke vriendschap verstaan, die van dien aard is, dat men niet alleen de uitwendige mens van de ander liefheeft, maar ook zijn innerlijke mens, en dit zonder te onderzoeken van welke aard hij is naar zijn innerlijk of zijn geest, dat wil zeggen, naar 446-449 Er bestaat geen echte naastenliefde die levend is, tenzij zij één uitmaakt met het geloof, en tenzij beide samen verbonden tot de Heer opzien; want deze drie: de Heer, de naastenliefde en het geloof zijn de drie wezenlijke dingen van het heil, en wanneer zij één uitmaken, is de 450-453 Eerder werd aangetoond dat elk mens een innerlijk en een uitwendige heeft; en dat zijn innerlijk de innerlijke mens wordt genoemd en zijn uitwendige de uitwendige mens. Hieraan dient dit worden toegevoegd, dat de innerlijke mens in de geestelijke wereld is, en de uitwendige mens in de 454-455 Het is bekend, dat de van de berg Sinaď af verkondigde Wet geschreven was op twee tafelen, en dat de ene daarvan betrekking heeft op God en de andere op de mensen, en dat zij in de hand van Mozes één tafel waren, en dat was geschreven op de rechterzijde God betrof en dat was geschreven op de 456-458 Hoofdstuk 8. DE VRIJE KEUZE 463-465 Het geloof van velen is dat onder Adam en Chavah [Eva] in het Boek van Mozes, niet de eerste mensen worden verstaan. Ter bevestiging daarvan hebben zij bewijsgronden aangevoerd voor het bestaan van Pré-adamieten uit de berekeningen en chronologieën bij sommige naties, verder ook uit de 466-469 In het algemeen gelooft men dat het leven in de mens, het zijne is, dus dat hij niet slechts een ontvangend vat van het leven, maar ook het leven is. Dat men algemeen zo gelooft, vloeit uit de schijn voort, want de mens leeft, dat wil zeggen: voelt, denkt, spreekt en handelt geheel en al als 470-474 Om te weten, wat en van welke aard de vrije keuze is, dient men te weten, vanwaar deze komt. Voornamelijk uit de kennis van haar oorsprong kan men weten, niet alleen dat zij is, maar ook van welke aard zij is. 475-478 Eerst moet bevestigd worden, door algemeenheden en daarna door bijzonderheden, dat de mens vrije keuze heeft in geestelijke dingen, en dat eenieder, zodra hij die hoort, dit zal erkennen. 479-482 Het is in de gehele christelijke wereld bekend, dat het Woord in de brede zin is: de Wet of het Boek der Wetten, waarnaar de mens moet leven opdat hem het eeuwige leven ten deel zal vallen. 483-484 Dat er zonder vrije keuze in de geestelijke dingen naastenliefde noch geloof zou zijn bij enig mens, nog minder een verbinding van deze twee, werd in het hoofdstuk over het geloof ten volle aangetoond. 485 De voorbeschikking is een uitbroedsel van het geloof van de huidige kerk, daar zij geboren is uit het geloof aan het volslagen onvermogen en het volslagen gemis aan keuze in geestelijke dingen; hieruit is dit geboren, en ook uit het geloof aan de als het ware onbezielde bekering van de mens, 486-488 Dat God de oorzaak van het kwaad is, volgt uit het huidige geloof, dat het eerst werd uitgebroed door hen die zitting hadden in het concilie in de stad Nicea; daar werd de ketterij verzonnen en samengeflanst, en nog steeds stand heeft gehouden: namelijk dat er drie goddelijke Personen van 489-492 Dat bij de mens datgene blijft wat uit het vrije door hem wordt opgenomen, komt omdat het vrije tot zijn wil behoort, en aangezien het tot zijn wil behoort, behoort het ook tot zijn liefde, immers, dat de wil de ontvanger van de liefde is, werd elders aangetoond. 493-496 Dat ieder mens in de vrije keuze is in geestelijke dingen, kan hij reeds uit de waarneming alleen al van zijn eigen gedachte weten. Wie kan niet in vrijheid denken over God, de Drievuldigheid, de naastenliefde en de naaste, over het geloof en de werking ervan, over het Woord en alle dingen, die 497-499 Dat God zonder de aan de mens gegeven vrije keuze in geestelijke dingen, allen in het gehele aardrijk binnen één enkele dag daartoe zou kunnen brengen in Hem te geloven, volgt als een waarheid uit de misverstane goddelijke Almacht. 500-502 Men vraagt zich heden ten dage af, waarom er geen wonderen gebeuren, zoals in oude tijden; want men gelooft, dat als zij zouden gebeuren, eenieder van harte zou erkennen. Maar dat zij heden ten dage niet plaatsvinden zoals vroeger, komt omdat wonderen dwingen, en de vrije keuze in geestelijke 501 De gemeenschap die Kerk wordt genoemd, bestaat uit evenzovele mensen als in wie de Kerk is; en de Kerk gaat bij de mens binnen wanneer hij wordt wederverwekt; en eenieder wordt daardoor wederverwekt, dat hij zich onthoudt van de boosheden van de zonde en ze ontvlucht als iemand doen zou wanneer 510-511 In de hervormde christelijke wereld heeft men het over een zeker soort van angst, smart en verschrikking, die zij ‘wroeging’ noemen, die bij hen die wederverwekt moeten worden aan hun geloof voorafgaat en gevolgd wordt door de vertroosting van het Evangelie. 512-515 Ten aanzien van deze mondelinge bekentenis leren de zich aan de Augsburger belijdenis houdende hervormden het volgende: ‘Niemand kan ooit zijn zonden weten, waarom zij niet kunnen worden opgesomd; ook zijn er innerlijke en verborgene, zodat de belijdenis daarvan vals, onzeker, onvolledig en 516-519 Dat elk mens in de neiging tot boosheden geboren wordt, zodat hij van de baarmoeder af niets dan het boze is, is in de Kerk bekend; en dit is bekend geworden, omdat door de concilies en de leiders van de Kerken werd geleerd, dat de zonde van Adam op het gehele nageslacht is overgegaan en dat 520-524 Er wordt beweerd dat niemand de Wet kan vervullen en wel des te minder, aangezien hij, die één gebod van de decaloog overtreedt, alle overtreedt. Maar deze zegswijze moet anders worden verstaan dan zij luidt, en wel zo, dat wie vanuit het vooropgestelde of het bevestigde tegen één gebod 523-524 In de christelijke wereld kan het niemand aan besef van de zonde ontbreken, want eenieder wordt daar van kind af aan geleerd, wat het boze is en van de knapenjaren af, wat het boze van de zonde is. 525-527 Dat men absoluut boete moet doen en dat daarvan het heil van de mens afhangt, blijkt uit vele plaatsen in het Woord, waarvan hier voor dit ogenblik de volgende zullen worden aangevoerd: ‘Johannes predikte de doop van het berouw en hij zei: Brengt vruchten voort die het berouw waardig zijn’, 528-531 Het ware berouw bestaat daarin niet alleen de handelingen van zijn leven te onderzoeken, maar ook de bedoelingen van zijn wil. Dit komt omdat het verstand en de wil de handelingen maken; want de mens spreekt uit de gedachte en handelt uit de wil. 532-534 Aangezien het daadwerkelijk berouw, dat daarin bestaat dat men zichzelf onderzoekt, zijn zonden kent en erkent, tot de Heer smeekt en een nieuw leven inzet, in de hervormde christelijke wereld uiterst moeilijk is om tal van redenen, waarover in het laatste artikel van dit hoofdstuk gehandeld 535-537 Dat men zich tot de Heer God Zaligmaker moet wenden, komt, omdat Hij de God van hemel en aarde, de Verlosser en de Zaligmaker is, tot wie de almacht, de alwetendheid, de alomtegenwoordigheid, de barmhartigheid zelf en tevens de gerechtigheid behoort en omdat de mens Zijn schepsel, en de Kerk 538-560 Het daadwerkelijke berouw bestaat daarin, dat men zichzelf onderzoekt, zijn zonden kent, voor de Heer belijdenis doet en op deze wijze een nieuw leven inzet; dit is overeenkomstig de in de voorafgaande gegeven beschrijving daarvan. 561-563 Aangezien weinigen in de hervormde christelijke wereld boete doen, werd hier dit aan toegevoegd, dat wie niet een blik in zichzelf geworpen en zichzelf doorvorst heeft, tenslotte niet weet, wat het verdoemende kwaad en wat het heilbrengende goede is, want hij heeft geen godsdienst vanwaar hij 564-566 Dat de mens, tenzij hij opnieuw verwekt wordt het koninkrijk van God niet kan ingaan, is de leer van de Heer bij Johannes, waar men het volgende leest: ‘Jezus zei tot Nicodemus: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u; tenzij dat iemand wederom verwekt wordt, hij kan het koninkrijk Gods niet zien’, en 572-575 Dat de wederverwekking uit de Heer geschiedt door de naastenliefde en het geloof, volgt uit hetgeen is aangetoond in de hoofdstukken over de naastenliefde en het geloof, en in het bijzonder uit hetgeen daar gezegd werd, dat de Heer, de naastenliefde en het geloof één maken, zoals leven, wil 576-578 Om dit te verstaan, dient iets over de verlossing te worden vooropgesteld: de Heer is in de wereld gekomen voornamelijk voor deze twee dingen: om de hel van de engelen en van de mensen te verwijderen en om Zijn Menselijke te verheerlijken. 579-582 Er is bij de mens een voortdurende overeenstemming tussen de dingen die op natuurlijke wijze en die op geestelijke wijze, of tussen de dingen die door het lichaam en die welke door de geest gebeuren. 583-586 Dat de plantaardige ontwikkelingen niet alleen van bomen maar ook van alle struiken overeenstemmen met de voortplantingen van de mensen, is door vele geleerden meegedeeld; daarom zal ik hieraan iets toevoegen bij wijze van aanhangsel. 585 Aangezien hier en in hetgeen volgt gehandeld wordt over de hervorming en de wederverwekking, en de hervorming wordt toegeschreven aan het verstand, en de wederverwekking aan de wil, zo is het noodzakelijk dat men de verschillen kent die er bestaan tussen het verstand en de wil; deze zijn eerder 587-590 Dat eerst de innerlijke mens moet worden wederverwekt en door deze de uitwendige mens, wordt heden ten dage algemeen in de Kerk gezegd; maar onder de innerlijke mens denkt men zich niets anders dan het geloof, dat daarin bestaat, dat God de Vader de verdienste en de gerechtigheid van Zijn Zoon 591-595 De reden waarom dan strijd ontstaat is deze, dat de innerlijke mens hervormd werd door waarheden en uit deze ziet hij wat boos en vals is, en dat het boze en valse nog in zijn uitwendige of natuurlijke mens zijn. 596-600 Dat de wederverwekte mens een vernieuwd of een nieuw mens is, weet de huidige Kerk zowel uit het Woord als uit de rede; uit het Woord door deze plaatsen: 601-606 Dat ieder mens in gemeenschap, dat wil zeggen, in vergezelschapping of verbonden is met de engelen van de hemel of met de geesten van de hel, vindt hierin zijn reden, dat hij geboren is om geestelijk te worden, en dit niet mogelijk is, tenzij hij met hen die geestelijk zijn in enige verbinding 607-610 Dat voor zoveel als de mens wordt wederverwekt de zonden verwijdert worden, komt omdat de wederverwekking daarin bestaat, het vlees te beteugelen opdat het niet zal overheersen, en de oude mens met zijn begeerten te temmen, opdat hij zich niet zal verheffen en het verstandelijke zal verderven, 611-614 Wie, die niet stompzinnig is, kan niet zien dat de mens zonder vrije keuze in geestelijke dingen niet kan worden wederverwekt. Kan hij zich zonder deze vrije keuze tot de Heer wenden en Hem erkennen als de Verlosser en Zaligmaker, en als de God van hemel en aarde? Hijzelf leert bij Mattheüs: 615-617 Er zijn drie dingen waardoor de mens wordt wederverwekt: de Heer, het geloof en de naastenliefde. Deze drie zouden als de voortreffelijkste kostbaarheden onder de grond begraven blijven liggen, als de goddelijke waarheden uit het Woord ze niet zouden ontsluiten. 618-620 Hoofdstuk 11 - DE TOEREKENING 626-627 In de gehele christelijke kerk wordt geleerd dat de rechtvaardiging en vandaar de zaligmaking geschiedt uit God de Vader door de toerekening van de verdienste van Christus, Zijn Zoon, en dat de toerekening geschiedt uit genade ‘wanneer en waar’ Hij wil, dus naar willekeur; en dat zij, aan 628-631 Wat de synode van Nicea zelf betreft, keizer Constantijn de Grote hield op aanraden van Alexander, bisschop van Alexandrië, deze uit alle bisschoppen uit Azië, Afrika en Europa samengeroepen synode in zijn paleis te Nicea, een stad in Bithynië, om de ketterij van Arius, een presbyter van 632-635 De Kerk, die het concilie van Nicea voorafging, werd de apostolische Kerk genoemd. Deze was van grote omvang en verspreid over drie werelddelen: Azië, Afrika en Europa. Dit was zichtbaar door keizer Constantijn de Grote en zijn monarchie, die niet alleen over tal van koninkrijken in Europa 636-639 Om te weten dat de toerekening van de verdienste en de gerechtigheid van Jezus Christus onmogelijk is, is het nodig te weten wat Zijn verdienste en Zijn gerechtigheid is. De verdienste van de Heer, onze Zaligmaker, is de verlossing, en van welke aard deze was, zie men eerder in het betreffende 640-642 Dat het de toerekening van het goede en het boze is, die in het Woord daar waar zij wordt genoemd, bedoeld wordt, blijkt uit talloze plaatsen daar, die weliswaar eerder ten dele werden aangehaald, maar opdat het voor eenieder zeker wordt, dat er geen andere toerekening bestaat, zullen ook hier 643-646 Dat het geloof en de toerekening van de Nieuwe Kerk niet tezamen kan zijn met het geloof en de toerekening van de vorige of de nog bestaande kerk, vindt hierin zijn oorzaak, dat zij niet voor een derde deel, zelfs niet voor een tiende deel samenstemmen. 647-649 Dat de Heer de mens het goede en niet enig boze toerekent en dat de duivel, waaronder de hel wordt verstaan, de mens het kwaad toerekent en niet enig goede, is nieuw in de Kerk. 650-653 De werken van de naastenliefde, die door een christen en die, welke door een heiden gedaan worden, verschijnen in de uitwendige vorm aan elkaar gelijk, want de een doet evenals de ander zijn medegenoot de goedheden van het burgerlijk en zedelijk leven, die voor een deel gelijken op de goedheden 654-657 Elk ontwikkeld mens weet dat er twee vermogens of delen van het gemoed zijn: de wil en het verstand. Maar weinigen weten ze met juistheid te onderscheiden en hun eigenschappen afzonderlijk te beschouwen en deze daarna te verbinden. 658-660 Dat in alle en in elk van de dingen van het Woord een geestelijke zin is, en dat deze zin tot dusver onbekend was, en dat hij heden ten dage geopend is ter wille van de Nieuwe Kerk, welke uit de Heer moet worden ingesteld, werd in het hoofdstuk over ‘de Heilige Schrift’ aangetoond. 667-669 Dat de zonen Israëls wassingen bevolen werden, is bekend uit de door Mozes gegeven inzettingen, zoals bijvoorbeeld, dat Aharon zich wassen zou, alvorens de heilige klederen aan te trekken, (Leviticus 16:4, 24), en alvorens tot het altaar te naderen om te dienen, (Exodus 30:18-21; 40:30-31). 670-673 Het is in de christelijke wereld bekend dat er een innerlijk en een uitwendig mens is, en dat de uitwendige mens dezelfde is als de natuurlijke mens, en de innerlijke mens dezelfde als de geestelijke mens, aangezien in deze zijn geest is; en dat er, aangezien de Kerk uit mensen bestaat, een 674-676 Dat de Doop de inleiding in de christelijke Kerk is, blijkt uit vele dingen, bijvoorbeeld uit de volgende: 677-680 Dit tweede nut van de Doop, dat daarin bestaat, dat men de Heer, de Verlosser en Zaligmaker Jezus Christus leert kennen, volgt onafscheidelijk op het eerste, dat de inleiding in de christelijke Kerk en in de inlijving onder de christenen in de geestelijke wereld bestaat; en wat zou dit eerste 681-683 Dit nut is het eigenlijke nut, ter wille waarvan de Doop bestaat; dus van het einddoel. De reden hiervan is, dat de ware christen de Heer Jezus Christus, de Verlosser kent en erkent, die, omdat Hij de Verlosser is, ook de Wederverwekker is. 684-687 Men leest bij Maleachi: ‘Ziet, Ik zal Mijn engel zenden, die de weg voor Mij bereiden zal; en snellijk zal tot Zijn tempel komen de Heer, die gijlieden zoekt, en de engel des verbonds, naar wie gij verlangt; wie zal de dag van Zijn komst verdragen en wie zal bestaan als Hij verschijnt’, 688-691 Dit is gedeeltelijk reeds in het hoofdstuk over de Doop verklaard. Daar werd aangetoond, dat men zonder de erkentenis van de geestelijke zin van het Woord niet weten kan, wat de twee sacramenten: de Doop en het Heilig Avondmaal, bevatten en bewerken, (men zie nrs. 667-669). 698-701 Aangezien heden ten dage de geestelijke zin van het Woord onthuld is, en daarmee tevens de overeenstemmingen, omdat deze bemiddelen, zullen alleen plaatsen uit het Woord worden aangevoerd, waaruit men duidelijk kan zien, wat onder het vlees en het bloed en onder het brood en de wijn in het 702-710 Dat onder het Vlees hier niet vlees noch onder het Bloed bloed verstaan wordt, maar onder beide in de natuurlijke zin het lijden aan het kruis, dat zij indachtig zouden zijn, kan eenieder, die uit de hemel verlicht is, in zichzelf gewaarworden. 704-705 Onder het Bloed van de Heer wordt het Goddelijk Ware van Hem en van het Woord verstaan, dit komt omdat onder Zijn Vlees geestelijk het Goddelijk Goede van de Liefde wordt verstaan, en deze twee in de Heer verenigd zijn. 706 Dat onder Brood hetzelfde wordt verstaan als onder Vlees, blijkt duidelijk uit de woorden van de Heer: ‘Jezus, het Brood nemende, brak het en gaf het, zeggende: Dit is Mijn Lichaam’, (Mattheüs 26; Marcus 14; Lucas 22), en verder: 707 Dat onder Wijn het soortgelijke wordt verstaan als onder Bloed, blijkt duidelijk uit de woorden van de Heer: ‘Jezus nam de drinkbeker en zei: Dit is Mijn Bloed’, (Mattheüs 26; Marcus 14; Lucas 22). Voorts uit het volgende, 708 In het voorgaande artikel werd aangetoond, dat in het Heilig Avondmaal de Heer Zelf is, en dat het Vlees en het Brood Hijzelf zijn ten aanzien van het Goddelijk Goede van de Liefde, en dat het Bloed en de Wijn Hijzelf zijn ten aanzien van het Goddelijk Ware van de Wijsheid. 711-715 In het Heilig Avondmaal is de Heer ten volle anwezig, zowel ten aanzien van het verheerlijkt Menselijke als ten aanzien van het Goddelijke, vanuit hetwelk het Menselijke is; dit komt ten duidelijkste uit in Zijn eigen woorden. 716-718 In de twee volgende artikelen wordt daarover gehandeld wie degenen zijn, die waardig tot het Heilig Avondmaal naderen, en tevens over hen die onwaardig naderen; want uit het ene dat bevestigd wordt, laat zich het andere kennen door de tegenoverstelling. 719-721 Dat God, de naastenliefde en het geloof de drie universele dingen van de Kerk zijn, aangezien zij de drie universele heilsmiddelen zijn, weet, erkent en beseft ieder christen, die het Woord bestudeert. 722-724 Dat diegenen waardig tot het Heilig Avondmaal naderen die in het geloof in de Heer en in de naastenliefde jegens de naaste zijn, en dat de waarheden van het geloof de tegenwoordigheid van de Heer bewerkstelligen en de goedheden van de naastenliefde tezamen met het geloof de verbinding, werd in 725-727 Dat het Heilig Avondmaal is voor hen die waardig naderen, als een bezegeling en een zegel is, dat zij zonen Gods zijn, komt omdat, zoals boven gezegd werd, de Heer dan tegenwoordig is, en diegenen in de hemel binnenleidt, die uit Hem geboren, dat wil zeggen, wederverwekt zijn. 728-730 Hoofdstuk 14 - DE VOLEINDING DER EEUW 753-756 Dat de voleinding der eeuw de laatste tijd van de Kerk betekent, werd in het voorgaande artikel aangetoond. Vandaar blijkt duidelijk, wat onder de voleinding der eeuw verstaan wordt, waarover de Heer gesproken heeft bij de evangelisten, (Mattheüs 24; Marcus 13; Lucas 21), want men leest: 757-759 Dat er op aarde na haar schepping in het algemeen vier Kerken zijn geweest, waarvan de ene op de andere volgde, kan zowel uit het historische als uit het profetische Woord blijken, bovenal bij Daniël, bij wie deze vier Kerken beschreven worden door het beeld, dat aan Nebukadnezar in de droom 760-763 Aangezien de achtereenvolgende staten van de Kerk in het algemeen en in het bijzonder in het Woord beschreven worden door de vier getijden van het jaar: de lente, zomer, herfst en winter, en door de vier tijden van de dag: morgen, middag, avond en nacht, en aangezien de huidige Kerk in het 764-767 In de kerken heerst heden ten dage de mening, dat de Heer, wanneer Hij bij het laatste oordeel komt, verschijnen zal in de wolken des hemels met engelen en bazuingeschal, en allen die op de aarde wonen, en tevens allen die gestorven zijn, zal vergaderen, en de bozen van de goeden scheiden 768-771 Dat deze tweede Komst van de Heer niet plaats vindt om de zichtbare hemel en de bewoonbare aarde te verdelgen, werd in het voorafgaande artikel aangetoond. Deze Komst heeft niet ten doel om iets te vernietigen, maar om op te bouwen, dus niet om te verdoemen, maar om diegenen zalig te maken, die 772-775 Men leest op vele plaatsen dat de Heer komen zal in ‘de wolken des hemels’, zoals in, (Mattheüs 17:5; 24:30; 26:64; Marcus 14:61-62; Lucas 9:34-35; 21:27; Apocalyps 1:7; 14:14; Daniël 7:13). Maar tot nu toe heeft niemand geweten, wat onder ‘de wolken des hemels’ werd verstaan. 776-778 Aangezien de Heer Zichzelf niet in persoon kan openbaren, zoals nu hierboven werd aangetoond, en Hij toch voorzegd heeft, dat Hij komen zou en een nieuwe Kerk zou stichten, welke het Nieuwe Jeruzalem is, zo volgt, dat Hij dit doen zal door een mens, die de leren van deze Kerk niet alleen met 779-780 Men leest in de Openbaring: 781-785 Dat er van het begin af, in het algemeen gesproken, vier Kerken op deze aarde geweest zijn: een vóór de vloed, de tweede na de vloed, de derde de Israëlitische en de vierde, de christelijke genoemd, werd eerder aangetoond. 786-791 Over de geestelijke wereld is gehandeld in een afzonderlijk werk getiteld ‘Hemel en Hel’, waarin tal van dingen van die wereld beschreven zijn. Daar elk mens na de dood in die wereld komt, is ook de staat van de mensen daar beschreven. 792-795 Met deze drie leiders, die hervormers van de christelijke Kerk waren, heb ik vaak gesproken, en ben als gevolg daarvan onderricht, van welke aard de staat van hun leven geweest is van de aanvang tot op heden. 796 Wat Melanchthon betreft, over zijn lot, zoals dit was toen hij voor het eerst in de geestelijke wereld kwam, en zoals het daarna was, zijn mij verschillende dingen te weten gegeven, niet alleen door de engelen, maar ook door hemzelf. 797 Over Calvijn hoorde ik het volgende: 798-799 In het werk over ‘de Hemel en de Hel’ werd meegedeeld, dat de christenen, bij wie het Woord gelezen wordt en bij wie de kennis en erkenning is van de Heer Verlosser en Zaligmaker, zich in het midden van de natiën en volken van de gehele geestelijke wereld bevinden, en wel om deze reden, 800-805 Er zijn twee staten van denken bij de mens: een uitwendige en een innerlijke. In de uitwendige staat is de mens in de natuurlijke wereld, in de innerlijke staat is hij in de geestelijke wereld. Deze staten maken één bij de goede mens, maar zij maken niet één bij de boze mens. 806-812 Het is bekend dat de inwoners van elk, in verschillende provincies verdeeld rijk, niet van dezelfde inborst zijn en dat zij onder elkaar afzonderlijk evenzeer verschillen, als universeel de bewoners van de verschillende klimaten op de aardbol; maar dat er toch een gemeenschappelijke inborst 813-816 De pauselijken verschijnen in de geestelijke wereld rondom en beneden de protestanten en zijn door tussenruimten van hen gescheiden. Het is hun verboden deze te overschrijden, maar toch verschaffen monniken zich door slinkse kunstgrepen een verbinding, en ook zenden zij langs onbekende paden 817-821 Het is bekend dat een kind van zijn ouders een ingezaaid of overgeërfd boze heeft, maar het is weinigen bekend, waar dit boze in zijn volheid woont; het woont in de liefde tot het bezitten van de goederen van alle anderen en in de liefde tot heersen. 822-827 De mohammedanen verschijnen in de geestelijke wereld achter de pauselijken in het westen, en vormen als het ware de omtrek. Dat zij het dichtst achter de christenen verschijnen, komt omdat zij onze Heer als de grootste Profeet, de Wijste van allen, die in de wereld werd gezonden om de mensen te 828-834 De naties, die niets over de Heer weten, verschijnen in de geestelijke wereld buiten diegenen die wel van Hem weten, maar toch zo, dat de laatste omtrekken door geen anderen gevormd worden dan door hen, die volslagen afgodendienaren zijn, en in de vorige wereld zon en maan hebben aanbeden. 835-840 De Joden verschenen vóór het Laatste Oordeel, dat in het jaar 1757 plaatsvond, aan de linkerzijde van het christelijk midden in een dal daar. Na dit Laatste Oordeel werden zij overgebracht naar het noorden en hun werd het verkeer met de christenen verboden; uitgezonderd dan alleen met hen, 841-845

Swedenborg Boekhuis Baarle Nassau, Netherlands Nederlandse vertaling door Henk Weevers 2010. Link markup by NCBSP.


Isalin: