Van Swedenborgs Werken

 

Hemel en Hel #493

Bestudeer deze passage

      |   
/ 603  
  

493. De eerste staat van de mens na de dood is gelijk aan die van de wereld, omdat hij dan nog in zijn uiterlijk is. Zijn gelaat is gelijk, zijn spraak is gelijk en zijn gesteldheid is gelijk, derhalve ook zijn zedelijk en burgerlijk leven. Hij weet daarom ook niet beter dan dat hij nog in de wereld is; tenzij hij let op hetgeen om hem heen voorvalt en op hetgeen de engelen hem hebben meegedeeld toen hij werd opgewekt, dat hij nu een geest is (zie nr. 450). ldus gaat het ene leven in het andere over en is de dood alleen de overgang.

  
/ 603  
  

Thanks to the Swedenborg Boekhuis NL and Guus Janssens for their permission to use this translation.

Van Swedenborgs Werken

 

Hemel en Hel #450

Bestudeer deze passage

      
/ 603  
  

450. Wanneer de hemelse engelen bij de opgewekte mens zijn, verlaten zij hem niet, omdat zij iedereen liefhebben; wanneer echter de geest van een aard is, dat hij niet langer in het gezelschap van de hemelse engelen zijn kan, voelt hij de wens opkomen om zich van hen te scheiden. Wanneer hij dit doet, komen de engelen van het geestelijk koninkrijk van de Heer en geven hem het gebruik van het licht; want tot dusverre zag hij niets, maar had hij alleen zijn gedachten. Hoe dit toegaat, werd mij ook getoond. Deze engelen schenen een vlies af te rollen van het linkeroog, naar de neus toe, opdat het oog geopend en het gezichtsvermogen medegedeeld wordt. Het scheen de geest alsof deze bewerking werkelijk geschiedde; het is echter alleen schijn. Nadat de schel aldus scheen weggerold te zijn, heeft men enig licht, maar schemerachtig, gelijk het licht dat iemand bij het allereerste ontwaken door de oogleden heen gewaarwordt. Het schemerlicht dat door mij werd gezien, scheen van hemelse kleur; later werd mij gemeld dat er verschillende kleuren zijn naar de verschillende geesten. Daarna is er een gevoel alsof er iets zachtjes van het gezicht wordt afgerold; is dit geschied, dan wordt de opgewekte mens in een staat van geestelijke gedachten ingeleid. Dit iets afnemen van het gezicht is eveneens alleen schijn; maar daardoor wordt voorgesteld, dat de geest van de natuurlijke gedachte in de geestelijke overgaat. De engelen nemen de hoogste omzichtigheid in acht, opdat geen denkbeeld door de opgewekte mens zou worden geuit, dan alleen die welke verwant zijn aan de liefde, en dan zeggen zij hem dat hij een geest is. Nadat de geestelijke engelen het gebruik van het licht aan de nieuw geboren geest hebben gegeven, betonen zij hem alle diensten die hij in die staat zou kunnen wensen en zij onderrichten hem in de zaken van het andere leven in zoverre hij in staat is om die te bevatten. Is echter de opgewekte mens van een aard dat hij geen onderricht wil ontvangen, zo wenst hij van het gezelschap van de engelen ontslagen te zijn. De engelen verlaten hem evenwel niet, maar hij zelf scheidt zich van hen af; want de engelen hebben iedereen lief en wensen niets vuriger dan liefderijke diensten te bewijzen, te onderrichten en naar de hemel te leiden; daarin bestaat hun hoogste blijdschap. Wanneer de geest zich op deze wijze heeft afgescheiden, komt hij onder de zorg van de goede geesten, die hem, zolang hij in hun gezelschap is, eveneens allerlei vriendelijke diensten bewijzen. Is nu zijn leven in de wereld echter zodanig geweest, dat hij ook in het bijzijn van de goeden niet zijn kan, dan begeert hij eveneens van hen ontslagen te zijn; en dit zolang en zo dikwijls totdat hij zich aansluit bij zulke geesten die geheel en al overeenkomen met zijn leven in de wereld. In hun gezelschap vindt hij zijn eigen leven terug, en wat het wonderlijkste is, dan zet hij een soortgelijk leven voort als hij in de wereld heeft geleid.

  
/ 603  
  

Thanks to the Swedenborg Boekhuis NL and Guus Janssens for their permission to use this translation.