Van Swedenborgs Werken

 

Goddelijke Voorzienigheid #129

Bestudeer deze passage

  
/ 340  
  

129. Het is een wet van de Goddelijke Voorzienigheid dat de mens niet door uitwendige middelen zal worden gedwongen om te denken en te willen en dus zo om te geloven en lief te hebben die dingen die van de godsdienst zijn; maar dat de mens zichzelf daartoe zal leiden en soms zal dwingen.

Deze wet van de Goddelijke Voorzienigheid volgt uit de beide voorgaande, welke zijn: Dat de mens vanuit het vrije volgens de rede zal handelen, waarover n. 71-99; en dat dit zal zijn vanuit zich, hoewel uit de Heer en dus zoals uit zich, waarover in n. 100-128. Omdat gedwongen worden niet is, vanuit het vrije volgens de rede en niet is vanuit zich, maar is vanuit het niet-vrije en vanuit een ander, daarom volgt deze wet van de Goddelijke Voorzienigheid in de orde na de beide vorige. Eenieder weet ook dat niemand gedwongen kan worden om te denken wat hij niet wil denken en te willen wat zijn gedachten hem verbieden om te willen, en dus ook niet om te geloven wat hij niet gelooft en in het geheel niet wat hij niet wil geloven, en om lief te hebben wat hij niet liefheeft en in het geheel niet wat hij niet wil liefhebben. De geest van de mens immers of zijn gemoed is in de volle vrijheid van denken, willen, geloven en liefhebben. Hij is in deze vrijheid vanuit de invloed vanuit de geestelijke wereld en deze dwingt niet. De geest immers of het gemoed van de mens is in die wereld, niet echter vanuit de invloed vanuit de natuurlijke wereld, die niet wordt opgenomen, tenzij zij als één handelen. De mens kan daartoe gedreven worden om te zeggen dat hij deze dingen denkt en wil en dat hij deze dingen gelooft en liefheeft, maar indien die dingen niet van de aandoening en daaruit van de rede van hem zijn of worden, denkt, wil, gelooft en bemint hij die dingen toch niet. Ook kan de mens gedwongen worden om ten gunste van de godsdienst te spreken en om volgens deze te handelen, maar hij kan niet gedwongen worden om ten gunste van deze vanuit enig geloof te denken en om die dingen te willen vanuit enige liefde. Iedereen wordt, ook in de koninkrijken waarin de gerechtigheid en het gericht worden gerespecteerd, gedwongen om niet tegen de godsdienst te spreken en ook om niet tegen deze te handelen. Toch kan niemand worden gedwongen om ten gunste van ervan te denken en te willen, want het is in de vrijheid van eenieder te denken met de hel en te willen ten gunste ervan, maar ook te denken ten gunste van de hemel en te willen ten gunste daarvan. Maar de rede leert hoedanig de een en hoedanig de ander is, en hoedanig lot de een wacht en hoedanig lot de ander; en de wil vanuit de rede heeft de wens en de keuze. Hieruit kan vaststaan dat het uitwendige het innerlijke niet kan dwingen; soms geschiedt dit echter wel, maar dat het verderfelijk is, zal worden getoond in deze orde:

1. Niemand wordt hervormd door wonderen en tekenen, omdat ze dwingen.

2. Niemand wordt hervormd door visioenen en door gesprekken met overledenen, omdat zij dwingen.

3. Niemand wordt hervormd door bedreigingen en straffen, omdat ze dwingen.

4. Niemand wordt hervormd in staten van niet-redelijkheid en niet-vrijheid.

5. Het is niet tegen de redelijkheid en de vrijheid zichzelf te dwingen.

6. De uitwendige mens moet hervormd worden door de innerlijke mens en niet omgekeerd.

  
/ 340  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, 2017, op www.swedenborg.nl

Van Swedenborgs Werken

 

Goddelijke Voorzienigheid #100

Bestudeer deze passage

  
/ 340  
  

100. Het is de Wet van de Goddelijke Voorzienigheid dat de mens zoals vanuit zich de boze dingen als zonden in de uitwendige mens zal verwijderen, en dat zo en niet anders de Heer de boze dingen kan verwijderen in de innerlijke mens en dan tegelijk in de uitwendige. Ieder kan vanuit de rede alleen al zien dat de Heer, die het Goede zelf en het Ware zelf is, niet kan binnentreden bij de mens, tenzij de boze en de valse dingen bij hem verwijderd zijn. Het boze is immers tegenovergesteld aan het goede en het valse is tegenovergesteld aan het ware; en twee tegenovergestelden kunnen nooit samengemengd worden, maar wanneer het ene op het andere toegaat, ontstaat strijd, die aanhoudt totdat het ene voor het andere de plaats ruimt, en dat wat de plaats ruimt gaat heen en het andere volgt op. In zodanig tegenovergestelde zijn de hemel en de hel of de Heer en de duivel. Kan iemand vanuit de rede denken dat de Heer kan binnentreden waar de duivel regeert of dat de hemel kan zijn waar de hel is? Wie ziet niet vanuit de aan ieder gezond mens gegeven redelijkheid dat, opdat de Heer kan binnentreden, de duivel moet worden uitgeworpen, of opdat de hemel kan binnenkomen de hel verwijderd moet worden. Die tegenoverstelling wordt verstaan onder de woorden van Abraham vanuit de hemel tot de rijke in de hel: ‘Tussen ons en u is een ontzaglijke kloof gevestigd, zodat zij die willen overklimmen van hier tot u, niet kunnen, noch zij die daar zijn, tot ons overgaan’, (Lukas 16:26). Het boze zelf is de hel en het goede zelf is de hemel, of wat hetzelfde is, het boze zelf is de duivel en het goede zelf is de Heer; en de mens in wie het boze regeert, is in kleinste vorm de hel, en de mens in wie het goede regeert is in kleinste vorm de hemel. Hoe kan, aangezien het zo is, de hemel de hel binnentreden, wanneer daartussen zo’n ontzaglijke kloof is gevestigd dat men niet van hier naar daar kan overgaan. Uit deze dingen volgt dat in ieder geval de hel verwijdert moet worden opdat de Heer met de hemel kan binnentreden.

  
/ 340  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, 2017, op www.swedenborg.nl