Van Swedenborgs Werken

 

Hemelse Verborgenheden in Genesis en Exodus #5044

Bestudeer deze passage

  
/ 10837  
  

5044. 'En de vorst van het huis der gevangenis gaf'; dat dit het in de staat der verzoekingen leidende ware betekent, staat vast uit de betekenis van de vorst, te weten het primaire ware, dus dat wat geleid, waarover hierna; en uit de betekenis van het huis der gevangenis, namelijk de verwoesting van het valse, dus de verzoeking, nrs. 5038, 5039, 5043.

Wat het in de staat der verzoekingen leidende ware is, moet eerst worden gezegd: bij allen die in de verzoekingen zijn, vloeit het ware uit de Heer in, en dit regeert het denken en leidt het; dit richt hen op zo vaak als zij in twijfels en eveneens in wanhoop vallen; dit geleidende ware is dat ware en zo’n ware dat zij vanuit het Woord of vanuit de leer hebben geleerd en zij zelf bij zich hebben bevestigd; andere ware dingen worden dan weliswaar ook opgeroepen, maar die leiden hun innerlijke dingen niet; soms vertoont dat ware dat geleid zich niet zichtbaar voor het verstand, maar het schuilt in het duister, maar geleid niettemin; het Goddelijke van de Heer vloeit immers daarin, en houdt zo de innerlijke dingen van het gemoed daarin; daarom ontvangt, wanneer dat in het licht komt, hij die in verzoeking is, vertroosting en wordt hij opgeheven. Het is niet dat ware zelf, maar het is de aandoening van dat ware, waardoor de Heer hen geleid die in de verzoekingen zijn; het Goddelijke immers vloeit niet in dan in de dingen die van de aandoening zijn. Het ware dat in de innerlijke dingen van de mens is ingeplant en ingeworteld, is ingeplant en ingeworteld door de aandoening en volledig niets zonder aandoening. Het ware dat is ingeplant en ingeworteld door de aandoening, dit kleeft aan en het wordt teruggeroepen door de aandoening en wanneer zo dat ware wordt teruggeroepen, doet het de daarmee verbonden aandoening optreden en deze aandoening is de wederkerige van de mens. Omdat het dus zo is gesteld met de mens die in de verzoekingen is, wordt daarom niemand in enige geestelijke verzoeking toegelaten voordat hij in de volwassen leeftijd is en dus van enig ware is doordrenkt, waardoor hij geleid kan worden; is dit niet het geval, dan bezwijkt hij en dan wordt zijn latere staat erger dan de vorige. Hieruit kan vaststaan wat onder het in de staat der verzoekingen geleidende ware wordt verstaan, dat wordt aangeduid met de vorst van het huis der gevangenis. Dat de vorst het primaire ware is, komt omdat de koning in de innerlijke zin het ware zelf betekent, nrs. 1672, 1728, 2015, 2069, 3009, 3670, 4575, 4581, 4789, 4966; vandaar betekenen de vorsten, omdat zij tot de koning behoren, de primaire dingen van dat ware. Dat de vorsten die dingen betekenen zie de nrs. 1482, 2089; maar omdat het daar uit andere plaatsen in het Woord niet zodanig werd getoond, zo mogen hier enige worden aangevoerd.

Bij Jesaja:

‘Een Knaap is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, op Wiens schouder het vorstendom zal zijn; de Vorst des vredes; vermenigvuldigende het vorstendom en de vrede, er zal geen einde zijn’, (Jesaja 9:5, 6);

daar wordt over de Heer gehandeld; het vorstendom op de schouder, is al het Goddelijk Ware in de hemelen uit Hem; de hemelen immers zijn onderscheiden in vorstendommen volgens de ware dingen vanuit het goede; vandaar eveneens worden de engelen vorstendommen genoemd; de vrede is de gezegende staat in de hemelen, die het goede en het ware uit de binnenste dingen aandoet, nr. 3780;

vandaar wordt de Heer de Vorst des vredes genoemd en wordt er gezegd: vermenigvuldigende het vorstendom en de vrede, waaraan geen einde zal zijn.

Bij dezelfde:

‘Dwaas zijn de vorsten van Zoan, de wijzen, de raadgevers van Farao; hoe zegt gij tot Farao: Een zoon der wijzen ben ik, een zoon der koningen der oudheid; verdwaasd zijn de vorsten van Zoan, bedrogen de vorsten van Nof; en zij hebben Egypte verleid, de hoeksteen der stammen’, (Jesaja 19:11, 13), waar over Egypte wordt gehandeld, waarmee het wetenschappelijke van de Kerk wordt aangeduid, nr. 4749, dus het natuurlijk ware, dat het laatste van de orde is; en daarom ook wordt hier Egypte de hoeksteen der stammen genoemd; de stammen immers zijn alle dingen van het ware in één samenvatting, nrs. 3858, 3862, 3926, 3939, 4060; hier is echter Egypte het wetenschappelijke dat de ware dingen van de Kerk verdraait, dus de vervalste ware dingen in het laatste van de orde, die de vorsten van Zoan en de vorsten van Nof zijn; dat het zichzelf een zoon der koningen der oudheid noemt, komt omdat de wetenschappelijke dingen daar waren vanuit de ware dingen van de Oude Kerk; de ware dingen zelf worden aangeduid met de koningen, zoals eerder is getoond, en de ware dingen van de Oude Kerk met de koningen der oudheid.

Bij dezelfde:

‘Aschur denkt niet het rechte en zijn hart overdenkt niet het rechte, want tot verderven is zijn hart en tot het uitroeien van niet weinige natiën; want hij zegt: Zijn niet mijn vorsten koningen’, (Jesaja 10:7, 8);

Aschur staat voor de redenering over de Goddelijke ware dingen, vanwaar de valsheden zijn, dus voor de verdraaide rede, nr. 1186;

de vandaar vervalste ware dingen of de valse dingen die door redeneringen ontstaan en verschijnen als de eigenlijke ware dingen zelf, worden daarmee aangeduid met de woorden: Zijn niet mijn vorsten koningen. Dat Aschur de redenering is en dat de vorsten die koningen zijn, die worden beschouwd als de primaire valse dingen, waarvan men gelooft dat die de eigenlijke ware dingen zelf zijn, kan men niet zien en vandaar niet geloven, zolang het gemoed in de historische zin van de letter wordt gehouden en nog minder, indien het gemoed in het ontkennende is dat er in het Goddelijk Woord iets heiligers en universeler is gelegen dan wat in de letter verschijnt, terwijl toch in de innerlijke zin onder Aschur niets anders in het Woord wordt verstaan dan de rede en de redenering en onder de koningen de ware dingen zelf en onder de vorsten de primaire dingen van het ware. Ook weet men in de hemel niet wat Aschur is en eveneens werpen de engelen de voorstelling van een koning en van een vorst van zich en wanneer zij die bij de mens bemerken, dragen zij haar op de Heer over en doorvatten zij datgene wat uit de Heer voortgaat en wat van de Heer is in de hemel, namelijk het Goddelijk Ware uit Zijn Goddelijk Goede.

Bij dezelfde:

‘Aschur valt door het zwaard, niet eens mans en het zwaard, niet eens mensen, zal hem verteren; ook zal zijn rots van schrik doorgaan en zijn vorsten zullen ontsteld worden door de banier’, (Jesaja 31:8, 9);

daar wordt ook over Egypte gehandeld, namelijk het verdraaide wetenschappelijke van de Kerk; de redenering uit de wetenschappelijke dingen over de Goddelijke ware dingen, vanwaar de verdraaiing en de vervalsing is, is Aschur; die verdraaide en vervalste ware dingen, zijn de vorsten; het zwaard waardoor Aschur zal vallen, is het valse dat het ware bestrijdt en verwoest, nrs. 2799, 4499.

Bij dezelfde:

‘De sterkte van Farao zal ulieden tot schaamte worden en het vertrouwen in de schaduw van Egypte tot schande, wanneer zijn vorsten in Zoan zullen zijn geweest’, (Jesaja 30:3, 4);

de vorsten van Zoan voor de vervalste ware dingen, dus voor de valse dingen, zoals eerder.

Bij dezelfde:

‘De pelikaan en de eend zullen het bezitten en de nachtuil en de raaf zullen daarin wonen; Hij zal een richtsnoer der ledigheid en een richtlood der woestheid over het trekken; zijn edelen zijn daar niet, laten zij het koninkrijk roepen en al zijn vorsten zullen niets zijn’, (Jesaja 34:11, 12);

de pelikaan, de eend, de nachtuil en de raaf staan voor de geslachten van het valse, die ontstaan wanneer de Goddelijke ware dingen die in het Woord zijn, te niet gaan; de verlating en de verwoesting van het ware wordt aangeduid met het richtsnoer der ledigheid en het richtlood der woestheid; en de valse dingen die voor hen de primaire ware dingen zijn, door de vorsten.

Bij dezelfde:

‘Ik zal de vorsten der heiligheid profaan maken en Ik zal Jakob ten vloek geven en Israël tot beschimpingen’, (Jesaja 43:28);

de vorsten der heiligheid profaan maken, voor de heilige ware dingen; de uitroeiing van het ware van de uiterlijke en van de innerlijke Kerk wordt aangeduid met Jakob ten vloek en Israël tot beschimpingen geven; dat Jakob de uiterlijke Kerk en Israël de innerlijke Kerk is, zie nr. 4286.

Bij Jeremia:

‘Binnentreden door de poorten van deze stad zullen de koningen en de vorsten, zittende op de troon van David, rijdende in de wagen en op paarden, zijzelf en hun vorsten’, (Jeremia 17:25). Wie het Woord hier in de historische zin verstaat, kan niet weten dat in deze dingen iets hogers en heiligers is verborgen dan dat koningen en vorsten zullen binnentreden door de poorten van de stad in de wagen en op de paarden en hij maakt daaruit op dat de duur van het koninkrijk wordt aangeduid, maar wie weet wat in de innerlijke zin de stad betekent, wat de koningen, de vorsten, de troon van David en wat rijden in de wagen en op de paarden, zie de hogere en de meer heilige dingen daar; de stad of Jeruzalem immers betekent het geestelijk rijk van de Heer, nrs. 2117, 3654;

de koningen de Goddelijk ware dingen, zoals eerder is getoond; de vorsten de primaire dingen van het ware; de troon van David de hemel van de Heer, nr. 1888; rijden in de wagen en op de paarden, het geestelijk verstandelijke van de Kerk, nrs. 2760, 2761, 3217.

Bij dezelfde:

‘O zwaard, tegen de Chaldeeën en tegen de bewoners van Babel en tegen haar vorsten en tegen haar wijzen; o zwaard, tegen de leugenaars; o zwaard, tegen haar paarden en tegen haar wagens’, (Jeremia 50:35-37);

het zwaard voor het tegen het valse strijdende ware, en voor het tegen het ware strijdende en dit verwoestende valse, nrs. 2799, 4499;

de Chaldeeën voor hen die de ware dingen ontwijden en de bewoners van Babel voor hen die het goede ontwijden, nrs. 1182, 1283, 1295, 1304, 1307, 1308, 1321, 1322, 1326, 1327;

de vorsten voor de valse dingen die voor hen de primaire ware dingen zijn; de paarden voor het verstandelijke van de Kerk, de wagens voor het leerstellige ervan, waarvan de verwoesting wordt aangeduid met het zwaard tegen de paarden en tegen de wagens.

Bij dezelfde:

‘Hoe omwolkt de Heer in Zijn toorn de dochter Zions: de Heer heeft verzwolgen, Hij heeft niet verschoond al de habitakels van Jakob, Hij heeft in Zijn ontsteking de vestingen van de dochter van Jehudah vernietigd, nedergeworpen ter aarde, Hij heeft het koninkrijk en deszelfs vorsten ontwijd; de poorten zijn in de aarde verzonken en de grendelen heeft Hij verbroken; de koning en de vorsten zijn onder de natiën’, (Klaagliederen 2:1, 2, 9);

de dochter van Zion en van Jehudah voor de hemelse Kerk, hier voor haar, vernietigd zijnde; het koninkrijk voor de ware dingen van de leer daar, nr. 2547, 4691;

de koning voor het ware zelf, de vorsten voor de primaire dingen ervan.

Bij dezelfde:

‘Onze huiden zijn zwart geworden zoals een oven, vanwege de stormen des hongers; zij hebben de vrouwen in Zion verkracht, de maagden in de steden van Jehudah, de vorsten zijn door hun hand opgehangen’, (Klaagliederen 5:10-12);

de door hun hand opgehangen vorsten, staat daarvoor dat de ware dingen zijn ontwijd, de ophanging immers beeldde de verdoemenis van de ontwijding uit; en omdat de ophanging dit uitbeeldde, werd het ook bevolen, toen het volk Baälpeor nahoereerde en zij hun goden aanbaden; ‘dat de vorsten zouden worden opgehangen vóór de zon’, (Numeri 25:1-4);

Baälpeor nahoereren immers en hun goden aanbidden, was de eredienst ontwijden.

Bij Ezechiël:

‘De koning zal rouw bedrijven en de vorst zal met verbijstering worden bekleed en de handen van het volk des lands zullen verschrikt worden; Ik zal naar hun weg met hen handelen’, (Ezechiël 7:27);

de koning eender voor het ware in het algemeen en de vorst voor de primaire dingen ervan.

Bij dezelfde:

‘De vorst die in het midden van hen is, zal op de schouder worden gedragen onder de duisternis en hij zal uitgaan; zij zullen de wand doorboren om daardoor uit te leiden; en hij zal zijn aangezichten oversluieren, zodat hij niet met het oog de aarde zie’, (Ezechiël 12:12);

dat de vorst hier niet een vorst is, blijkt duidelijk, maar dat hij het ware van de Kerk is; en wanneer daarvan wordt gezegd dat het op de schouder zal worden gedragen onder de duisternis, dan is het dat het met alle macht tussen de valse dingen wordt weggevoerd; de duisternis immers is de valse dingen; de aangezichten oversluieren is dat het ware in het geheel niet wordt gezien; dat hij niet met het oog de aarde ziet, is dat niets van de Kerk wordt gezien; dat de aarde de Kerk is, zie de nrs. 662, 1066, 1067, 1262, 1413, 1607, 1733, 1850, 2117, 2118, 2928, 3355, 4447, 4535.

Bij Hosea:

‘Vele dagen zullen de zonen Israëls zitten, er is geen koning en geen vorst en geen slachtoffer en geen opgericht beeld en geen efod en geen terafim’, (Hosea 3:4). En bij David:

‘Geheel heerlijk is des konings dochter van binnen en van ineenvlechtingen van goud haar kleed; in borduursels zal zij tot de koning worden geleid; in de plaats van uw vaderen zullen uw zonen zijn; gij zult hen tot vorsten zetten in de ganse aarde’, (Psalm 45:14, 15, 17);

de dochter des konings is het geestelijk rijk van de Heer; het wordt Zijn geestelijk rijk genoemd naar het Goddelijk Ware van de Heer, dat daar wordt beschreven door het kleed uit ineenvlechtingen van goud en uit borduursels; de zonen zijn de ware dingen van dat rijk, die uit het Goddelijke van de Heer zijn, die de vorsten, dat wil zeggen de primaire dingen zullen zijn. Met de vorst over wie en over wiens bezittingen in het Nieuwe Jeruzalem en in de Nieuwe Aarde wordt gehandeld bij, (Ezechiël 44:3; 45:7, 8, 17; 46:8, 10, 12, 16, 18; 48:21), wordt in het algemeen het ware aangeduid dat uit het Goddelijke van de Heer is; onder het Nieuwe Jeruzalem immers daar en onder de Nieuwe Tempel en onder de Nieuwe Aarde, wordt het rijk van de Heer in de hemelen en op aarde verstaan, dat daar met uitbeeldingen, zodanig als die elders in het Woord voorkomen, wordt beschreven.

  
/ 10837  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, van 2012 t/m 2021 op www.swedenborg.nl

Van Swedenborgs Werken

 

Hemelse Verborgenheden in Genesis en Exodus #662

Bestudeer deze passage

  
/ 10837  
  

662. De woorden:

‘Al wat op de aarde is, zal de geest geven’ duiden degenen aan, die van deze Kerk waren en van dien aard geworden zijn. Dat de aarde niet de gehele aardbol betekent, maar alleen diegenen, welke van de Kerk waren, is eerder aangetoond; daarom wordt hier geenszins een zekere watervloed verstaan, nog minder een algemene vloed, maar het uitsterven of de verstikking van diegenen van die Kerk, en gescheiden waren van de overblijfselen, aldus van de dingen van het verstand van het ware en van de wil van het goede, vandaar van de hemelen. Dat de aarde het gebied betekent, waar de Kerk is en vandaar hen, die zich daarin bevinden, daarvoor mogen, behalve de eerder aangehaalde plaatsen uit het Woord, ook de navolgende tot staving dienen; bij Jeremia:

‘Zo barmhartig Jehovah: Verwoest zal zijn de ganse aarde en voleinding zal Ik niet maken; hierom zal de aarde treuren en zwart zullen zijn de hemelen daarboven’, (Jeremia 4:2, 28);

hier staat aarde voor hen, die het gebied bewonen waar de Kerk is, welke verwoest is.

Bij Jesaja:

‘Ik zal de hemel beroeren en de aarde zal bewogen worden van haar plaats’, (Jesaja 13:13);

de aarde, voor de mens die verwoest zal worden in het gebied waar de Kerk is.

Bij Jeremia: ’Er zullen verslagenen van Jehovah zijn, te dien dage van het einde van de aarde tot het einde van de aarde’, (Jeremia 25:33);

waar het einde van de aarde niet de gehele aardbol betekent, maar alleen het gebied waar de Kerk is, daarom de mensen, die tot de Kerk behoren.

Bij dezelfde:

‘Het zwaard roep Ik over alle inwoners van de aarde, het gedruis komt tot het einde van de aarde, want Jehovah heeft een twist met de volken’, (Jeremia 25:29, 31);

hier wordt niet de hele wereld verstaan, maar alleen het gebied waar de Kerk is, dus de inwoner of de mens van de Kerk; de volken duiden hier de valsheden aan.

Bij Jesaja:

‘Ziet, Jehovah gaat uit van Zijn plaats om de ongerechtigheid van de inwoner van de aarde te bezoeken’, (Jesaja 26:21);

op dezelfde wijze.

Bij dezelfde:

‘Hoort gijlieden niet? is het u van de beginne aan niet bekend gemaakt? verstaat gij niet de grondvesten van de aarde?’, (Jesaja 40:21).

Ook bij Jesaja:

‘Jehovah Die de hemelen schept, Die God, Die de aarde formeert en ze maakt, Dezelfde Die ze bevestigt’, (Jesaja 45:18);

aarde, voor de mens van de Kerk.

Bij Zacharia:

‘Het Woord van Jehovah, Die de hemelen uitbreidt, en de aarde grondvest, en de menselijke geest in diens midden formeert’, (Zacharia 12:1);

de aarde duidelijk voor de mens van de Kerk. De aarde wordt onderscheiden van de aardbodem, zoals de mens van de Kerk en de Kerk zelf, of zoals de liefde en het geloof.

  
/ 10837  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, van 2012 t/m 2021 op www.swedenborg.nl

Van Swedenborgs Werken

 

Hemelse Verborgenheden in Genesis en Exodus #9144

Bestudeer deze passage

  
/ 10837  
  

9144. En het zal gegrepen hebben de doornen; dat dit betekent die zich begeeft in valsheden, staat vast uit de betekenis van grijpen, wanneer het wordt gezegd van de toorn die uit de aandoening van het boze is, dus zich begeven in en dan ontsteken; en uit de betekenis van de doornen, namelijk de valsheden, waarover hierna.

Er zal eerst iets worden gezegd hoe het hiermee is gesteld; de liefden bij de mens zijn de vuren van zijn leven, nr. 9055; de liefden van het boze, namelijk die van zich en van de wereld, zijn verterende vuren, zij verteren immers de goedheden en de waarheden die van het leven zelf zijn; die vuren maken het leven van de wil van de mens en het licht uit die vuren maakt het leven van zijn verstand; zolang de vuren van het boze opgesloten worden gehouden in de wil, is het verstand in het licht en vandaar in de gewaarwording van het goede en het ware, maar wanneer die vuren hun licht uitgieten in het verstand, dan wordt het eerdere licht verstrooid en wordt de mens verduisterd ten aanzien van de gewaarwording van het goede en het ware; en dit des te meer naar de mate van de liefde van zich en van de wereld, welke die vuren zijn, in omvang toenemen en tenslotte dusdanig dat zij al het ware en met het ware het goede verstikken en uitblussen.

Wanneer die liefden worden bestreden, dan barst het vuur vanuit de wil in het verstandelijke los en vat daar vlam; het is deze vlam die de toorn wordt genoemd; vandaar komt het, dat van de mens wordt gezegd dat hij ontsteekt, ontbrandt en ontvlamt, wanneer hij toornt; deze vlam valt de waarheden en de goedheden aan, die in het verstandelijke zijn en ze worden niet slechts verborgen, maar ook verteert; en wat een verborgenheid is, wanneer dat boze vuur uit de wil in het verstandelijke losbarst, dan wordt het verstandelijke boven gesloten en beneden geopend, dat wil zeggen, het wordt gesloten waar het tot de hemel schouwt en geopend waar het tot de hel schouwt; vandaar komt het, dat dan de boosheden en de valsheden invloeien, die vlam vatten, wanneer de boze mens in toorn ontbrandt.

Het is hiermee eender gesteld als met de vezel in het lichaam; indien deze met de punt van een naald wordt aangeraakt, trekt zij zich direct samen en sluit zich en weert dus zo af, opdat de kwetsing niet verder gaat en het leven in de beginselen bestookt; het valse verschijnt ook, wanneer het zich zichtbaar vertoont, als iets stekeligs.

De staat van de boze mens, wanneer hij toornt, gedraagt zich ook eender zoals rook, die, wanneer vuur daarbij wordt gehouden, vlam vat, want het valse van het boze in het verstandelijke is zoals rook en de toorn is zoals de vlam van de ontstoken rook; zij stemmen ook overeen; vandaar komt het dat de rook het valse is en de vlam ervan de toorn is in het Woord; zoals bij David: ‘Rook klom op van Zijn neus en een vuur van Zijn mond; kolen brandden in Hem’, (Psalm 18:9); en bij Jesaja: ‘Zij brandt zoals vuur, de boosheid, doornbos en distelstruik verteert zij en zij ontsteekt het struweel van het woud; en zij verheffen zich met de verheffing van de rook, in de ontsteking van Jehovah Zebaoth’, (Jesaja 9:17,18).

De rook hier is het valse vanuit de ontsteking waarvan de toorn is; dat de rook het valse is, zie nr. 1861.

Hieruit blijkt nu, wat er in de innerlijke zin wordt aangeduid met: wanneer zal uitgegaan zijn een vuur en het zal gegrepen hebben de doornen, zodat verteerd wordt een hoop of het staande gewas, namelijk indien de aandoening van het boze losbarst in de toorn en zich begeeft in de valsheden van de begeerten en de waarheden en goedheden van het geloof verteert.

Wie dit in overweging neemt, kan zien, dat er de een of andere oorzaak voor deze wet is, die innerlijk schuilt en niet verschijnt, want de wet ten aanzien van het vuur dat de doornen grijpt en vandaar een hoop koren of het staande gewas verteert, is nergens gegeven, omdat iets zodanigs uiterst zelden voorkomt; maar dat het vuur van de boosheid en van de toorn de valsheden van de begeerten aangrijpt en ontsteekt en zo de waarheden en de goedheden verteert die van de Kerk zijn, komt elke dag voor.

Dat de doornen de valsheden van de begeerten zijn, staat vast uit de volgende plaatsen bij Jesaja: ‘Op het land van Mijn volk klimt de doorn en de distel op’, (Jesaja 32:13); het land is de Kerk, de doorn en de distel zijn de valsheden en de boosheden daaruit.

Bij dezelfde: ‘Uw geest, het vuur zal u verteren, aldus zullen de volken verbrand zijn tot kalk, afgehouwene doornen die door het vuur worden ontstoken’, (Jesaja 33:11,12); de doornen die door het vuur worden ontstoken voor de valsheden die vlam vatten en de waarheden en de goedheden verteren.

Bij Ezechiël: ‘Het huis Israëls zal niet langer hebben de stekende distel en de weedoende doorn’, (Ezechiël 28:24), de stekende distel voor het valse van de begeerten van de zelfliefde, de doorn voor het valse van de begeerten van de liefde van de wereld.

Bij Hosea: ‘Uw moeder heeft gehoereerd; deswege ben Ik betuinende uw weg met doornen; en zij zal haar paden niet vinden’, (Hosea 2:5,6); de wegen en de paden voor de waarheden; en de doornen voor de valsheden in de plaats ervan.

Bij dezelfde: ‘Verdorven zullen worden de hoogten van Aven, Israëls zonde, distel en doorn zal op hunlieder altaren klimmen’, (Hosea 10:8), distel en doorn voor het boze en valse verwoestende de goedheden en de waarheden van de eredienst.

Bij David: ‘Zij hadden mij omgeven zoals bijen, zij doven uit zoals een doornenvuur’, (Psalm 118:12), het doornenvuur voor de begeerten van het boze.

Bij Mattheüs: ‘Aan hun vruchten zult gij hen kennen, leest men ook van doornen druiven, of van distels vijgen’, (Mattheüs 7:16); van doornen druiven lezen voor uit de valsheden van de begeerten de goedheden van het geloof en van de naastenliefde lezen; dat de druiven die goede dingen zijn, zie de nrs. 1071, 5117, 6378.

Bij Markus: ‘Ander zaad viel tussen de doornen, maar de doornen klommen op en verstikten dat, zodat het geen vrucht gaf. Zij die tussen de doornen worden gezaaid, zijn zij die het Woord horen, maar de zorgen voor deze wereld en het bedrog van de rijkdommen en omtrent de overige dingen de begeerten, binnenkomende, verstikken het Woord, zodat het onvruchtbaar wordt’, (Markus 4:7,18,19); daar wordt het ontvouwd wat gezaaid worden tussen de doornen is, dus wat de doornen zijn; dezelfde dingen worden aangeduid met zaaien tussen de doornen en doornen maaien bij Jeremia: ‘Aldus zei Jehovah tot de man van Juda en tot Jeruzalem: Braakt ulieden een braakland en zaait niet tussen de doornen’, (Jeremia 4:3); ‘Zij hebben tarwe gezaaid en doornen gemaaid’, (Jeremia 12:13).

De valsheden van de begeerten, die met de doornen worden aangeduid, zijn de valsheden die de dingen van de wereld bevestigen en de wellusten ervan zijn; want deze valsheden, meer dan andere, vatten vlam en blaken, omdat zij zijn vanuit de begeerten in het lichaam, die worden gevoeld; daarom sluiten zij ook de innerlijke mens, zodat hij in niets ten aanzien dat wat van het heil van de ziel en van het eeuwige leven is, wijs is.

Dat ‘een uit doornen gevlochten kroon’ die op het hoofd van de Heer werd gezet, toen Hij gekruisigd zou worden en toen Hij werd begroet als de Koning der Joden en Hij zei: Zie, de Mens, (Johannes 19:2,3,5), beeldde uit hoedanig het Goddelijk Woord toen was in de Joodse Kerk, namelijk verstikt ten gevolge van de valsheden van de begeerten; de Koning der Joden, zoals Hij toen door hen werd begroet, betekende het Goddelijk Ware; dat met de Koning in het Woord het Ware uit het Goddelijke wordt aangeduid, zie de nrs. 1672, 2015, 2069, 3009, 3670, 4575, 4581, 4966, 5044, 6148; en het eendere met de Gezalfde, Die in het Hebreeuwse idioom de Messias is en in het Grieks Christus, nrs. 3004, 3008, 4009, 3732; dat onder Juda in de hoogste zin de Heer wordt verstaan ten aanzien van het Goddelijk Goede en in de innerlijke zin ten aanzien van het Woord, en zo ten aanzien van de leer uit het Woord, nr. 3881; en dat de Heer, toen Hij zo’n kroon op het hoofd had, zei: ‘Zie de Mens, betekende: Zie het Goddelijk Ware, zodanig als het heden in de Kerk is.

Het Goddelijk Ware immers, voortgaande uit de Heer in de hemel, is de Mens, vandaar is de hemel de Grootste Mens en dit krachtens de invloeiing en krachtens de overeenstemming, wat aan het einde van verschillende hoofdstukken is getoond, zie de nrs. 1871, 1276, 2996, 2998, 3624-3649, 3741-3750, 7396, 8547, 8988; vandaar ook werd de hemelse Kerk van de Heer Mens genoemd, nrs. 478, 479; het was deze Kerk die de Joden uitbeeldden, nrs. 6363, 6364, 8770; daaruit blijkt wat er werd aangeduid met de ‘doornenkroon’ en ook met de begroeting ‘Koning der Joden’ en eveneens met ‘Zie de Mens’; en ook wat met het inschrift op het kruis ‘Jezus de Nazarener, de Koning der Joden’, (Johannes 19:19,20), namelijk dat het Goddelijk Ware of het Woord in zo’n aanzien stond en dus behandeld was geworden door de Joden, bij wie de Kerk was; dat alle dingen die de Heer overkwam door de Joden, toen Hij gekruisigd werd, de staat van hun Kerk hebben aangeduid ten aanzien van het Goddelijk Ware of het Woord, nr. 9093.

Dat de Heer het Woord was, staat vast bij Johannes: ‘In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en God was het Woord; en het Woord is Vlees geworden en het heeft in ons gewoond en wij hebben Zijn heerlijkheid gezien’, (Johannes 1:1,14); het Woord is het Goddelijk Ware.

  
/ 10837  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, van 2012 t/m 2021 op www.swedenborg.nl