Van Swedenborgs Werken

 

Hemelse Verborgenheden in Genesis en Exodus #3219

Bestudeer deze passage

  
/ 10837  
  

3219. Wanneer de engelen in gesprek zijn over de gedachten, over de voorstellingen en over de invloeiing, verschijnen in de geestenwereld als het ware vogels, gevormd overeenkomstig het onderwerp van hun gesprek. Dit is de reden, waarom vogels in het Woord de redelijke dingen betekenen of die dingen die tot de gedachten behoren, nrs. 40, 745, 776, 991. Eens kreeg ik vogels te zien, de een duister en wanstaltig, maar twee andere edel en schoon en toen ik ze zag, zie, daar stormden enige geesten in mij binnen met zo’n hevigheid, dat zij mijn zenuwen en beenderen deden sidderen. Ik was van mening dat boze geesten toen, als herhaalde malen eerder, in mij binnendrongen, in een poging om mij te verderven; maar dat was niet zo. Toen de siddering ophield en tevens de beroering van de geesten die mij bestormden, sprak ik met hen en vroeg wat toch het geval was. Zij zeiden dat zij neergevallen waren uit een bepaald gezelschap van engelen, waarin werd gesproken over gedachten en de invloeiing en dat zij van mening waren, dat de dingen die tot de gedachte behoren, van buiten invloeien, te weten door middel van de uiterlijke zinnen, overeenkomstig de schijn. Maar de hemelse gezelschappen waarin zij zich bevonden, waren van mening dat zij van binnen invloeien; en dat zij, omdat zij in het valse waren, van daar waren neergevallen; niet dat zij waren neergeworpen, want de engelen werpen niemand van zich neer, maar aangezien zij daarover in valsheid waren, vielen zij uit zichzelf van daar neer en dat dit de oorzaak was. Hierdoor werd mij te weten gegeven dat het gesprek in de hemel over de gedachten en de invloeiing, door vogels werd uitgebeeld, en het gesprek van degenen die in het valse zijn, door duistere en wanstaltige vogels; maar het gesprek van degenen die in het ware zijn, door edele en schone vogels. Tevens werd ik daarin onderricht, dat alle dingen van de gedachte van binnen invloeien en niet van buiten, hoewel het wel zo schijnt; en er werd gezegd, dat het tegen de orde is, dat het latere invloeit in het eerdere of het grovere in het fijnere, dus dat het lichaam in de ziel zou invloeien.

  
/ 10837  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, van 2012 t/m 2021 op www.swedenborg.nl

Van Swedenborgs Werken

 

Hemelse Verborgenheden in Genesis en Exodus #991

Bestudeer deze passage

  
/ 10837  
  

991. Dat de woorden bij alle vissen van de zee’ de vergaarde kennis betekenen, blijkt uit de betekenis van de vis. De vissen betekenen in het Woord de vergaarde kennis, welke haar oorsprong in de zinnelijke dingen vindt, want er zijn drieërlei geslachten van vergaarde kennis: de verstandelijke, de redelijke en de zinnelijke; alle worden in het geheugen of liever, in de geheugens gezaaid, en in de wedergeboren mens worden zij daaruit door de Heer tevoorschijn geroepen door middel van de innerlijke mens. Deze uit het zinnelijke afkomstige vergaarde kennis, komt bij de mens tot gevoel of gewaarwording, wanneer hij in het lichaam leeft, want uit deze vergaarde kennis denkt hij. Met de overige soorten kennis, die meer innerlijk zijn, is het niet zo het geval, vooraleer hij, van het lichaam ontdaan, in het andere leven komt. Dat de vissen of de kruipende dieren, welke de wateren voortbrengen, de vergaarde kennis betekenen, zie men eerder in nr. 40, en dat het zeemonster of de walvis het gezamenlijke van de vergaarde kennis beduidt, in nr. 42;

en bovendien kan het nog uit de navolgende plaatsen in het Woord blijken; bij Zefanja: ’Ik zal verlaten de mens en het beest; Ik zal verlaten de vogel van de hemel, en de vissen van de zee’, (Zefanja 1:3);

waar de vogel van de hemel de dingen van de rede, de vissen van de zee voor de dingen van de lagere rede, of voor het denken van de mens uit de zinnelijke vergaarde kennis staan.

Bij Habakuk:

‘Gij zult de mens maken als vissen van de zee, als het kruipende dier, dat geen heerser heeft’, (Habakuk 1:14);

de mens maken als de vissen van de zee voor: geheel en al zinnelijk.

Bij Hosea:

‘Het land zal treuren, en een iegelijk, die daarin woont, kwelen, het wilde dier van veld, en de vogel van de hemelen en ook de vissen van de zee zullen vergaard worden’, (Hosea 4:3);

vissen van de zee hier voor de vergaarde kennis uit de zinnelijke dingen.

Bij David:

‘Gij hebt alles onder Zijn voeten gezet, de beesten van het veld, het gevogelte van de hemel, en de vissen van de zee, hetgeen de paden van de zee doorwandelt’, (Psalm 8:7, 8, 9);

daar is van de heerschappij van de Heer bij de mens sprake; vissen van de zee voor de vergaarde kennis. Dat de zeeën alle vergaarde kennis of van de erkentenissen betekenen, zie men eerder in nr. 28.

Bij Jesaja:

‘De vissers zullen treuren, en allen, die de angel in de rivier werpen, zullen rouw maken, en die het net uitbreiden over de aangezichten van de wateren, zullen kwelen’, (Jesaja 19:8, 9);

de vissers staan voor hen, die alleen op de zinnelijke dingen vertrouwen, en daaruit valsheden opmaken; er is daar sprake van Egypte of van de wetenschap.

  
/ 10837  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, van 2012 t/m 2021 op www.swedenborg.nl