Van Swedenborgs Werken

 

Hemelse Verborgenheden in Genesis en Exodus #2831

Bestudeer deze passage

  
/ 10837  
  

2831. Dat de woorden ‘was achter vast in het struweel’ betekenen, verward in het natuurlijk wetenschappelijke, blijkt uit de betekenis hier van vastgehouden worden en wel verward zijn; en uit de betekenis van het struweel of de verwarde struiken, te weten het wetenschappelijke, waarover in wat volgt. Dat de geestelijken verward gehouden worden in het natuurlijk wetenschappelijke ten aanzien van de waarheden van het geloof, daarmee is het als volgt gesteld: de geestelijken hebben geen innerlijke gewaarwording van het goede en ware zoals de hemelsen, maar in de plaats daarvan een geweten, gevormd door de goedheden en waarheden van het geloof, waarmee zij van kinds af aan zijn vervuld door ouders en leermeesters en naderhand door de leer van het geloof, waarin zij geboren zijn. Zij die geen innerlijke gewaarwording van het goede en ware hebben, kunnen niet anders dan door wetenschappelijke dingen bevestigd worden. Eenieder vormt zichzelf een bepaalde voorstelling over de dingen die hij geleerd heeft, ook over de goedheden en waarheden van het geloof; zonder een voorstelling blijft niets in het geheugen anders dan als iets zinledigs. Er komen bevestigingen bij die de voorstelling vullen, die komen uit erkentenissen en ook uit wetenschappelijke dingen. De door vele dingen bevestigde voorstelling zelf bewerkt dat zij niet alleen in het geheugen blijft kleven en van daaruit in de gedachte kan worden opgeroepen, maar ook dat er het geloof in gelegd kan worden. Wat de innerlijke gewaarwording in het algemeen betreft, deze moet nog verklaard worden, daar weinigen weten wat innerlijke gewaarwording is. Er is innerlijke gewaarwording van het goede en ware in hemelse en geestelijke dingen; er is innerlijke gewaarwording van het gerechte en billijke in het burgerlijke leven; en er is innerlijke gewaarwording van het eerzame in het zedelijke leven. Wat de innerlijke gewaarwording van het goede en ware in hemelse en geestelijke dingen betreft, deze hebben de innerlijke engelen door de Heer en deze gewaarwording hadden de mensen van de Oudste Kerk en deze hebben de hemelsen die in de liefde tot de Heer zijn; zij weten direct uit een soort innerlijk aanvoelen of iets goed is en of iets waar is, want dit geeft de Heer in, omdat zij met de Heer door de liefde verbonden zijn. De geestelijke mensen hebben echter niet zo’n innerlijke gewaarwording van het goede en ware in hemelse en geestelijke dingen, maar in plaats daarvan hebben zij een geweten, dat inspreekt; maar het geweten is gevormd uit erkentenissen van het goede en ware, waarmee zij, zoals gezegd, vervuld zijn door ouders en leermeesters en daarna door eigen studie in de leer en in het Woord; daarmee, ofschoon het niet zozeer goedheden en waarheden zijn, verbinden zij hun geloof. Dit is de reden, dat de mensen een geweten kunnen hebben uit onverschillig welke leer, ook de heidenen hebben iets niet ongelijk aan geweten vanuit hun godsdienstigheid. Dat geestelijke mensen geen innerlijke gewaarwording van het goede en ware van het geloof hebben, maar zeggen en geloven dat het waar is, wat zij geleerd en begrepen hebben, kan voldoende hieruit blijken, dat eenieder zegt, dat zijn eigen dogma waar is, de ketters meer dan anderen; en dat zij het ware zelf niet kunnen zien, nog minder erkennen, ofschoon er duizenden dingen voor zouden pleiten. Laat eenieder zichzelf onderzoeken of hij ergens anders vandaan kan gewaarworden of iets waar is en of hij niet, wanneer iets van de allergrootste waarheid hem duidelijk wordt gemaakt, het toch niet erkent; zo bijvoorbeeld iemand die het geloof het wezenlijke van het heil maakt en niet de liefde; ook al werd voor hem alles gelezen, wat de Heer over de liefde en de naastenliefde heeft gesproken, zie r. 2373, en al wist hij uit het Woord, dat de gehele Wet en alle profeten van de liefde tot de Heer en van de liefde jegens de naaste afhangen, zou hij toch in de voorstelling van het geloof blijven en zeggen dat dit alleen zalig maakt. Anders is het gesteld met hen die in de hemelse en geestelijke gewaarwording zijn. Wat echter de innerlijke gewaarwording van het gerechte en billijke in het burgerlijke leven betreft, deze hebben degenen die in de wereld redelijk zijn en tevens de innerlijke gewaarwording van het eerzame in het zedelijke leven. Naar die eerst- een laatstgenoemde innerlijke gewaarwording onderscheidt zich de ene mens van de andere, maar zulke mensen hebben om deze reden nog geenszins innerlijke gewaarwording van het goede en ware van het geloof, want deze gewaarwording is hoger of innerlijker en vloeit van de Heer in door het binnenste van het redelijke. De andere reden, waarom de geestelijken geen innerlijke gewaarwording van het goede en ware van het geloof hebben, is deze: dat het goede en ware niet is ingeplant in hun wilsdeel, zoals bij de hemelse mensen, maar in hun verstanddeel, zie de nrs. 863, 875, 927, 1023, 1043, 1044, 2256. Daardoor komt het dat de geestelijken niet tot de eerste graad van het licht kunnen komen, waarin de hemelsen zijn, nr. 2718, maar dat zij betrekkelijk in het duistere zijn, nrs. 1043, 2708, 2715.

Dat de geestelijken verward zijn in het natuurlijk wetenschappelijke ten aanzien van de waarheden van het geloof, volgt hieruit. Dat het struweel of de verwarde struiken in de innerlijke zin het natuurlijk wetenschappelijke betekenen, dat wil zeggen, dat wetenschappelijke, dat in het uiterlijk geheugen hangt, blijkt ook uit de volgende plaatsen hierna in het Woord; bij Ezechiël:

‘Zie, Aschur was een ceder op de Libanon, schoon van gebladerte en schaduwachtig van loof en verheven in hoogte en zijn tak was tussen dichte struiken’, (Ezechiël 31:3) waar gehandeld wordt over Egypte, dat de wetenschap is, nr. 1164, 1165, 1186, 1462; Aschur staat voor het redelijke, nrs. 119, 1186, dat ook de ceder is, en tevens de Libanon in het Woord; tussen dichte takken, voor tussen wetenschappelijke dingen, want het menselijk redelijke berust op de wetenschappelijke dingen ervan; bij dezelfde:

‘Aldus zegt de Heer Jehovih: Omdat gij u verheven hebt in hoogte en hij zijn tak gesteld heeft onder dichte struiken, en zijn hart zich verhief over zijn hoogte, zullen vreemden, de tirannige der natiën, hem uitroeien en hem nederwerpen’, (Ezechiël 31:10, 12) met betrekking tot Egypte; de tak onder dichte struiken stellen, voor, vasthangen aan wetenschappelijke zaken en van daaruit de geestelijke, hemelse en Goddelijke dingen beschouwen.

Bij dezelfde:

‘Opdat zich alle bomen der wateren niet verheffen in hun hoogte en hun tak niet stellen onder de dichte struiken, en dat niet allen, die wateren drinken, over hen staan in hun hoogte, want zij worden allen overgegeven ter dood, tot de lagere aarde in het midden der zonen des mensen, tot degenen, die in de kuil nederdalen’, (Ezechiël 31:14) waar gehandeld wordt over hen, die door redeneringen vanuit wetenschappelijke dingen willen binnendringen in de mysteriën van het geloof. Dat deze geheel en al verblind worden, zie de nrs. 215, 232, 233, 1072, 1911, 2196, 2203, 2568, 2588. Redeneren vanuit wetenschappelijke dingen is ‘de tak onder dichte struiken stellen’.

Bij dezelfde:

‘Zij had planten der sterkte tot scepteren der heersers en haar hoogte was verheven boven het midden der dichte struiken’, (Ezechiël 19:11) eveneens.

Bij dezelfde:

‘De verslagenen van Israël zullen in het midden van hun afgoden rondom hun altaren wezen en onder alle groene boom en onder alle verwarde eik’, (Ezechiël 6:13); er wordt hier gehandeld over de eredienst, die diegenen bij zichzelf verzinnen, die geloof in zichzelf hebben en dus in die dingen, die zij vanuit hun wetenschappelijke dingen uitbroeden; de verwarde eik staat voor de wetenschappelijke dingen in die staat. Dat eiken de waarnemingen vanuit wetenschappelijke dingen zijn, zie de nrs. 1442, 1443, 2144. Eveneens elders bij dezelfde:

‘Zij zagen alle hoge heuvel en alle dichte boom en offerden daar hun offers’, (Ezechiël 20:28);

dichte boom staat voor de dingen, die niet door het Woord worden voorgeschreven, maar het eigen wetenschappelijke. Dat de eredienst gehouden werd in bossen en aanduidend was overeenkomstig de hoedanigheden van de bomen, zie nr. 2722.

Bij Jesaja:

‘Boosheid brandt als vuur, doornen en distelen zal zij verteren en zal aansteken de verwarde struiken des wouds’, (Jesaja 9:17);

doornen en distelen voor de valsheid en de begeerte, de verwarde struiken des wouds voor de wetenschappelijke dingen.

Bij dezelfde:

‘Jehovah Zebaoth zal met ijver de verwarde struiken des wouds omhouwen en de Libanon zal vallen door de Heerlijke’, (Jesaja 10:34);

de verwarde struiken des wouds voor de wetenschappelijke dingen, de Libanon voor de redelijke dingen.

Bij Jeremia:

‘Verheft de banier naar Zion, want Ik breng een kwaad aan van het noorden en een grote breuk; de leeuw is opgekomen uit zijn struweel, en de verderver der natiën is opgetrokken, hij is uitgegaan uit zijn plaats, om uw land te stellen in verwoesting; uw steden zullen verstoord worden, dat er niemand in wone’, (Jeremia 4:6, 7);

uit het struweel voor uit het wetenschappelijke; en wat daaruit opklimt in de Goddelijke verborgenheden, stelt het land in verwoesting, dat wil zeggen, verwoest de Kerk. Dat de wetenschappelijke dingen in het Woord ‘verwarde struiken’ worden genoemd, komt omdat zij naar verhouding zo zijn, vooral wanneer de begeerte van de eigen- en de wereldliefde en de beginselen van het valse die begunstigen. Het is de hemelse en geestelijke liefde, die de wetenschappelijke dingen, die tot het uiterlijk geheugen behoren, in orde stelt, maar de eigen- en de wereldliefde verdraait de orde en verwart alle dingen die daarin zijn. Dit bemerkt de mens niet, want de verdraaide orde geldt hem voor orde, het boze voor het goede, het valse voor het ware; vandaar zijn deze dingen in verwardheid en ook om deze reden, omdat de dingen die tot het uiterlijk geheugen behoren, waar de wetenschappelijke dingen zijn, in verhouding tot de dingen in het innerlijk geheugen, waar de redelijke dingen zijn, in verwarring of als in een donker woud verkeren. Hoe schaduwachtig, donker en duister het daar naar verhouding is, kan de mens niet weten, zolang hij in het lichaam leeft, want dan meent hij, dat alle wijsheid en inzicht daar vandaan komt, maar hij zal het weten in het andere leven, wanneer hij in de dingen komt, die tot het innerlijk geheugen behoren. Dat in het uiterlijk geheugen, dat de mens eigen is wanneer hij in de wereld leeft, niets minder is dan het licht van wijsheid en inzicht, maar dat het daar betrekkelijk duister, wanordelijk en verward is, zie de nrs. 2469-2494.

  
/ 10837  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, van 2012 t/m 2021 op www.swedenborg.nl

Van Swedenborgs Werken

 

Arcana Coelestia #2832

Bestudeer deze passage

  
/ 10837  
  

2832. 'By its horns' means with all its power as regards the truths of faith. This is clear from the meaning of 'horns'. Horns are mentioned in various places in the Word, in which places they mean the power of truth which springs from good, and in the contrary sense the power of falsity which springs from evil. In this place the meaning is that those who are spiritual, meant by 'the ram', were entangled in natural knowledge with all their power as regards truth, and that as a consequence they were bereft of the power to perceive truths. For the more anyone relies on natural facts and keeps his mind (animus et mens) fixed on these where truths of faith are concerned, the more he loses the light of truth; and when he loses this light he loses the life of truth as well. Anyone may recognize this, if he stops to reflect, from his experience of people who say they are unable to believe anything unless they grasp that it is so through sensory evidence or through factual knowledge. If you probe into what they are really like you will discover that they believe nothing at all, and what is more that to them nothing seems wiser than to ascribe every single thing to natural forces. There are also many who say that they believe even though they do not apprehend. But secretly within themselves these reason no less than others from sensory evidence and factual knowledge regarding the truths of faith whether the thing is so. These either possess a kind of persuasive belief infused into them from self-love and love of the world, or else they do not have any belief at all. Their true nature is evident from their life. Both groups of people are indeed within the Lord's spiritual Church, yet they are not of the Church. They are of the Church however when the life of good is present in them and they have faith in truths. But spiritual people have faith in no other truths than those which have been impressed on them from early childhood and which after that they have confirmed for themselves from doctrine or some other source. Such is the state of those who are spiritual, a state which is described here by 'a ram caught in the thicket by its horns' - see immediately above in 2831.

[2] A horn means the power of truth that springs from good.

This is clear from the following places: In David,

You are the splendour of their strength, and in Your good pleasure You will exalt our horn. For our shield belongs to Jehovah, and our king to the Holy One of Israel. My truth and My mercy will be with him, and in My name his horn will be exalted. And I will set his hand on the sea, and his right hand on the rivers. Psalms 89:17-18, 24-25.

Here 'our horn' and 'his horn' plainly stand for the power of truth. The subject is the Lord's spiritual kingdom. 'Our king belongs to the Holy One of Israel' stands for the fact that Divine Truth is the Lord's 'a king' being truth, and the Lord's kingship Divine Truth, see 1672, 1728, 2015, 2069. 'Setting his hand on the sea, and his right hand on the rivers' stands for the fact that strength resides in knowledge and in cognitions of truth - 'hand' and 'right hand' being strength, 878, and 'sea' and 'river' knowledge and cognitions, 28, 2702. In the same author,

I will love You, O Jehovah, my strength. Jehovah is my rock (petra), and my fortress, and my deliverer, my God, my rock (rupee) in which I trust, a shield and the horn of salvation. Psalms 18:1-2; 2 Samuel 22:2-3.

'The horn of salvation' stands for truth as regards its power, and here 'strength', 'rock' (petra), 'fortress', 'God', 'rock' (rupee), and 'shield' all mean spiritually the power of truth.

[3] In the same author,

In Zion I will make the horn of David to spring forth, I will make ready a lamp for My anointed. His enemies I will clothe with shame. Psalms 132:17-18.

This refers to the Lord, who is 'David', 1888. 'Horn' stands for the power of truth, 'a lamp' for the light of truth. In Samuel,

My heart has exulted in Jehovah, my horn has exalted itself in Jehovah. My mouth has been enlarged against my enemies because I have rejoiced in Your salvation. Jehovah will give strength to His king, and will exalt the horn of His anointed. 1 Samuel 2:1, 10.

In this prophecy of Hannah 'horn' stands for the power of truth.

[4] In Moses,

The firstborn of his cattle has honour, and his horns are unicorn horns. 1 With them he will thrust 2 the peoples together to the ends of the earth. Deuteronomy 33:17.

In this prophecy of Moses concerning Joseph 'unicorn horns' stands for the mighty power of truth, as is also evident from the statement that 'with them he will thrust the peoples to the ends of the earth'. Similarly in David,

You will exalt my horn like that of a unicorn. Psalms 92:10.

And in the same author,

O Jehovah, save me from the mouth of the lion, and from the unicorn horns 1 answer me. Psalms 22:21.

Divine truths, on account of their height, are called 'unicorn horns'. It is for this reason that mention is made so many times of a horn being exalted, for exaltation means power derived from what is interior. As regards what is internal being expressed as that which is high, see 1735, 2148.

[5] In Jeremiah,

The Lord has cut down in fierce anger the whole horn of Israel, He has drawn back His right hand from before the enemy. Lamentations 2:3.

'Cutting down the whole horn of Israel' stands for deprivation of truth which possesses power. This is also the meaning of 'drawing back the right hand from before the enemy'. In Ezekiel,

On that day I will make a horn grow up for the house of Israel, and I will give you an opening of the mouth in the midst of them. Ezekiel 29:21.

'Making a horn grow up for the house of Israel' stands for multiplying the truths of the spiritual Church, meant by Israel, 'an opening of the mouth' for the confession of those truths.

[6] In Habakkuk,

God will come out of Teman, and the Holy One from Mount Paran. His fame has covered the heavens, and the earth has been filled with His praise. And His brightness will be as the light; He has horns going out of His hand, and there the hiding-place of His strength will be. Habakkuk 3:3-4.

This refers to the Lord. 'Horns going out of His hand' and 'there the hiding-place of His strength will be', it is plain, stands for the power of truth. 'Mount Paran' is the Divine spiritual or Divine Truth of the Lord's Human - see 2714 - which is also 'the brightness' and 'the light'.

[7] The Divine Truth of the Lord's Human is described in John as follows,

I looked, and behold, in the midst of the throne and of the four living creatures, a Lamb standing as though it had been slain, having seven horns, which are the seven spirits of God sent out into all the earth. Revelation 5:6.

'Seven horns' stands for holy, or Divine, truths - 'seven' meaning that which is holy, see 716, 881. 'The seven spirits sent out into all the earth' are the holy proclaimings of those same truths.

[8] The horns of altars meant nothing other than truth which possessed power, being spoken of in Moses as follows,

You shall make horns on the four corners of the altar; its horns shall be of one piece with it. Exodus 27:2; 38:2.

In a similar way the altar of incense was to have them on it; and it is said that the horns were to be of one piece with it, Exodus 30:2; 37:25. For the altar was the chief representative of the Lord, and of worship of Him, see 921. 'The altar' was a representative of His Divine Good, 'the horns' representatives of His Divine Truth. The derivation of truth from good was represented by the horns being protrusions from it, that is, from the altar. For the consideration that no other truth exists except that which is derived from good, see 654, 1068, 3 1162, 1176, 2063, 2261, 2417. From all this it is evident that 'horns' in the genuine sense means the power of truth that springs from good.

[9] Truths springing from good were meant in the following instances:

When Aaron and his sons were being admitted into their function, they were to take some of the blood of the young bull and place it with their finger on the horns of the altar. Exodus 29:12; Leviticus 8:15.

Aaron was to make atonement once a year on the horns of the altar. Exodus 30:10.

When a priest sinned he was to offer a young bull, and to place some of the blood on the horns of the altar of incense. Leviticus 4:3, 7.

Also, when a prince sinned he was to offer a burnt offering, and the blood was to be sprinkled over the horns of the altar of burnt offering. Leviticus 4:22, 25.

The same had to be done if a person 4 sinned - Leviticus 4:27, 30, 34 - and also when the altar was to be ritually cleansed. Leviticus 16:18-19.

Truths springing from good were meant, for all consecrations, inaugurations, and cleansings were effected by means of truths, because truths lead towards good, 2830. That 'the horns of the altar' meant truths springing from good may also be seen in John,

The sixth angel sounded, and I heard a voice from the four horns of the golden altar, which stood before God. Revelation 9:13.

'The horns of the golden altar' plainly stands for truths that spring from good, for it was from the horns that the voice came. 'Gold' means good, 113, 1551, 1552, and 'the golden altar' more especially so.

[10] In Amos,

On the day I visit Israel for his transgressions, I will visit the altars of Bethel; and the horns of the altar will be cut away and fall to the ground. Amos 3:14.

'The horns of the altar will be cut away' meant that in that place the representation of truth springing from good would remain no longer. 'Bethel' is Divine good, and is therefore called 'the king's sanctuary' and 'a house of the kingdom' in Amos 7:13. The practice of anointing kings with oil from a horn, 1 Samuel 16:1, 13; 1 Kings 1:39, in a similar way represented truth springing from good - 'oil' being the good, 886, 'horn' however the truth; the kingly office itself in the internal sense means truth such as this, 1782, 2015, which possesses power.

[11] A horn in the contrary sense means the power of falsity that springs from evil

This is clear from the following places: In Amos,

O you who rejoice in a thing of nought, saying, Have we not by our own strength acquired horns for ourselves? Amos 6:13.

'Home' here stands for the power of falsity. In Zechariah,

I lifted up my eyes and saw, and behold, four horns! And I said to the angel who talked to me, What are these? And he said to me, These are the horns which have scattered Judah, Israel, and Jerusalem. And Jehovah showed me four smiths, and I said, What are these coming to do? And He said, These are the horns which have scattered Judah so that no man raised his head, and these have come to terrify, to cast down the horns of the nations lifting up their horn against the land of Judah to scatter it. Zechariah 1:18-21.

'Horns' stands for the power of falsity that lays waste the Church. In Ezekiel,

You push with side and shoulder, and butt with your horns all the weak [sheep] until you have scattered them abroad. Ezekiel 34:21.

This refers to shepherds who mislead by means of falsities. 'Horns' stands for the power of falsity, 'shoulder' for all the power they had, 1085. In Jeremiah,

Jehovah has destroyed and not spared; and He has caused the enemy to rejoice over you. He has exalted the horn of your foes. Lamentations 2:17.

In the same prophet,

The horn of Moab has been cut off and his arm broken. Jeremiah 48:25.

'Horn' here stands for powerful falsity.

[12] In David,

I said to the boastful, Do not boast; and to the wicked, Do not lift up the horn, do not lift up your horn on high, do not speak with a stiff neck. All the horns of the wicked I will cut away; the horns of the righteous will be exalted. Psalms 75:4-5, 10.

'The horns of the wicked' stands for the power of falsity that springs from evil, 'the horns of the righteous' for the power of truth that springs from good.

[13] In Daniel,

A fourth beast appeared, terrible and dreadful, exceedingly strong, which had iron teeth. It devoured, and broke in pieces, and trampled on the residue with its feet. It had ten horns. I was considering the horns, and behold, another little horn came up among them and three of the first horns were plucked up from before it. And behold, there were eyes in this horn like the eyes of a man (homo), and a mouth speaking great things. I looked then because of the sound of the great words that the horn was speaking. I desired to know the truth about the fourth beast, and about the ten horns that were on its head, and about the other one that came up, and before which three of them fell, and about the same horn which had eyes, and a mouth speaking great things. As I looked this same horn made war with the saints, and prevailed over them until the Ancient of Days came and judgement was given to the saints. And he said, As for the fourth beast, it will be a fourth kingdom on the earth, which will be different from all the kingdoms and will devour the whole earth, and trample it down, and break it in pieces. As for the ten horns, out of that same kingdom ten kings will arise, and another will arise after them, who will be different from the previous ones, and he will put down three kings. He will speak words against the Most High, and wear out the saints. After this the judgement will sit. Daniel 7:7-8, 11, 19-26.

This refers in the internal sense to the perverted state of the Church. The things mentioned here which Daniel saw - such as the beast, the iron teeth, the horn with eyes in it, and the horns that spoke; also the war these made with the saints, and [the king] speaking against the Most High - mean a state of falsity and of heresies inside the Church. For 'horns' means powerful and prevalent falsity, as may be seen merely from the consideration that 'eyes' - that is, the power of understanding, 2701 - are attributed to them, and that they spoke even against the Most High. By 'kingdoms' and 'kings' are not meant kingdoms and kings but doctrines that teach what is false, as may be seen from the meaning of them in the Word as doctrines teaching what is true, and in the contrary sense doctrines teaching what is false, see 1672, 2015, 2069, 2547.

[14] Elsewhere in Daniel when he saw a ram standing before the river, which had two horns, horns however which were high, yet one higher than the other, though the higher one had come up last,

I saw the ram butting 5 towards the west, and towards the north, and towards the south, so that no wild beast could stand before him, nor was there anyone to deliver out of his hand; therefore he did as he pleased and magnified himself. As I was considering, behold, a he-goat came from the west across the surface of the whole earth. This he-goat had a horn between his two eyes. He came to the two-horned ram 6 and ran at him in the fury of his might. He struck him and broke his two horns, and there was no strength in the ram to stand before him. After that the he-goat magnified himself exceedingly, but when he was strong, the great horn was broken, and there came up four horns in its place. Shortly after, out of one of them there came forth a little horn, and it grew exceedingly towards the south, and towards the east, and towards the glorious [land]. And it grew even towards the host of heaven, and cast down to earth some of the host, and of the stars, and trampled on them. The ram with the two horns is the kings of Media and Persia, the he-goat the king of Greece. The four horns in place of the one are four kingdoms from that nation. Daniel 8:1-end.

This refers in the internal sense to the state of the spiritual Church, meant by 'the ram', 2830; it describes how the state of that Church gradually deteriorated and was perverted. 'The he-goat' is those who have faith separated from charity, or truth separated from good, who start to raise themselves up against what is good and at length against the Lord. 'The horns of the ram' are the truths, internal and external, of the spiritual Church, 'the horns of the he-goat' truths which degenerate gradually into falsities. By 'kingdoms' and 'kings' here are not meant kingdoms and kings but truths and falsities, as stated just above. For essentially the Word of the Lord does not have to do with worldly and earthly matters but with spiritual and celestial.

[15] In John,

Another sign appeared in heaven, for behold, a great fiery-red dragon having seven heads, and ten horns, and on his heads seven jewels. With his tail he drew a third part of the stars of heaven and cast them down to the earth. Revelation 12:3-4.

And elsewhere in the same book,

I saw a beast coming up out of the sea, which had seven heads, and ten horns, and on its horns ten jewels, and on its heads a blasphemous name. It was allowed to make war on the saints and to conquer them. Then I saw another beast coming up out of the earth, which had two horns like a lamb. Revelation 13:1-2, 7, 11.

Yet again in the same book,

I saw a woman sitting on a scarlet beast, full of blasphemous names. It had seven heads and ten horns. She was Babylon the great. The seven heads are seven mountains on which the woman is seated, and they are seven kings. The ten horns are ten kings. Revelation 17:3, 5, 7, 9-10, 12-13.

Here as in Daniel 'horns' clearly means the powers of falsity.

Voetnoten:

1. i.e. horns that are high and powerful, like the horn of a unicorn

2. literally, he will strike with the horn

3. The Latin is 1608.

4. literally, a soul

5. literally, striking with the horn

6. literally, to the ram, the lord of the horns

  
/ 10837  
  

Thanks to the Swedenborg Society for the permission to use this translation.