Van Swedenborgs Werken

 

De Goddelijke Wijsheid #1

De Goddelijke Wijsheid (Zelling Janssens vertaling)      

Study this Passage

Ga naar sectie / 12  

Volgende →

DE GODDELIJKE WIJSHEID
(De Divina Sapientia)
door Emanuel Swedenborg

Inhoudsopgave

1. De Goddelijke Wijsheid in de hemelen verschijnt voor de ogen van de engelen als Licht.
2. De Heer heeft de mens geschapen als een ontvanger van de liefde, die zijn wil is, en daaraan toegevoegd het receptakel van de wijsheid, dat zijn verstand is.
3. Over de formering van de mens in de baarmoeder uit de Heer door invloed in die beide receptakels.
3A. Dat de Heer Zich verbindt met de mens in de baarmoeder van de moeder van de eerste ontvangenis aan, en hem formeert.
3B. Dat Hij Zich verbindt in die beide receptakels, in het ene door de liefde, in het andere door de wijsheid.
3C. Dat de liefde en de wijsheid tegelijk en unaniem alle en de afzonderlijke dingen formeren, maar nochtans zich van elkaar onderscheiden in deze.
3D. Dat de receptakels in drie graden zijn onderscheiden bij de mens, de ene binnen de anderen, en dat de beide hogere de habitakels [woningen] van de Heer zijn, maar niet de laagste.
3E. Dat het ene receptakel is voor de toekomstige wil van de mensen, en het andere voor het verstand van hem, en dat evenwel volstrekt niets van wil en van verstand van hem in de formering aanwezig is.
3F. Dat in het embryo vóór de baring het leven is, maar dat het embryo niet ervan bewust is.
4. Er is gelijkenis en analogie tussen de formering van de mens in de baarmoeder en tussen de hervorming en de wederverwekking van hem.
5. De wil van de mens wordt na de baring het receptakel van de liefde, en het verstand het receptakel van de wijsheid.
6. Er is een overeenstemming van het hart met de wil, en van de long met het verstand, is een onbekende zaak in de wereld, omdat het onbekend was wat overeenstemming is, en dat er een overeenstemming is van alle dingen in de wereld met alle dingen in de hemel.
7. De verbinding van het lichaam en de geest bij de mens is door de hartbewegingen en de longbewegingen van hem, en de scheiding geschiedt wanneer die bewegingen ophouden.
7A. Dat de geest van de mens evenzeer mens is.
7B. Dat hij evenzeer een hart en vandaar een pols heeft, en een long en vandaar ademhaling.
7C. Dat de pols van zijn hart en de ademhaling van zijn long invloeien in de pols van het hart en in de ademhaling van de longen bij de mens in de wereld.
7D. Het leven van het lichaam, wat natuurlijk is, ontstaat en blijft bestaan door die invloed, en het houdt op door de verwijdering ervan, aldus door de scheiding.
7E. Dat de mens dan van natuurlijk geestelijk wordt.
8. Er bestaat niet één engel of geest, noch kan die bestaan, die niet als mens geboren is in de wereld.
8A. Dat in de mens een engellijk gemoed is.
8B. Dat een zodanig gemoed niet kan worden geformeerd tenzij in de mens.
8C. Noch kan het voortgeschapen worden, en door voortscheppingen vermenigvuldigd worden.
8D. Dat de geesten en de engelen het daaraan ontlenen dat zij kunnen blijven bestaan en leven tot in het eeuwige.
8E. En dat zij aan het menselijke geslacht kunnen worden aangebonden en daarmede verbonden.
8F. En zo de hemel kan bestaan, wat het einddoel van de schepping is geweest.
9. De Goddelijke Liefde is het Goddelijk Goede, en de Goddelijke Wijsheid is het Goddelijk Ware.
10. Er is een wederkerige verbinding van de liefde en de wijsheid.
10A. Dat het leven van de wil zich verbindt met het leven van het verstand.
10B. Dat de verbinding wederkerig is, en hoedanig zij is.
10C. Dat het leven van het verstand het leven van de wil zuivert; dat het dit ook vervolmaakt en verhoogt.
10D. Dat het leven van de wil samenwerkt met het leven van het verstand in elke beweging, en omgekeerd het leven van het verstand met het leven van de wil in elke zin.
10E. Eender in de klank en de spraak ervan.
10F. Eender bij de goeden en bij de bozen, met dit verschil, dat bij de bozen het leven van de wil door het leven van het verstand niet wordt gezuiverd, vervolmaakt en verhoogd, maar wordt bezoedeld, bedorven, en verdierlijkt.
10G. Dat de liefde, zijnde het leven van de wil, het gehele leven van de mens maakt.
11A. De liefde tot de Heer uit de Heer bestaat in de naastenliefde, en de wijsheid in het geloof.
11B. OVER DE LIEFDE EN DE NAASTENLIEFDE
11B.1. Dat de liefde tot het nut de naastenliefde is.
11B.2. Dat het de Heer is uit Wie, en dat het de naaste is tot wie.
11B.3. Dat de liefde tot de Heer bestaat in de naastenliefde, omdat zij in nut bestaat.
11B.4. Dat het nut is naar behoren getrouw, oprecht en gerecht zijn ambt uitoefenen, en zijn werk doen.
11 B.5. Dat er algemene nutten zijn, die ook nutten van de naastenliefde zijn.
11B.6. Dat de nutten geen nutten van de naastenliefde worden bij een ander, dan bij hem die strijdt tegen de boze dingen, die vanuit de hel zijn.
11B.7. Aangezien die zijn tegen de liefde tot de Heer, en tegen de naastenliefde.
11B.8. Dat nutten die tot eerste en laatste doel het eigen goede hebben, geen nutten van de naastenliefde zijn.
11C. OVER DE WIJSHEID EN OVER HET GELOOF
11C.1. Dat het geloof niet iets anders is dan de waarheid.
11C.2. Dat de waarheid pas waarheid wordt wanneer zij wordt doorvat en geliefd, en dat zij geloof wordt genoemd wanneer zij wordt geweten en gedacht.
11C.3. Dat de ware dingen van het geloof enerzijds de Heer betreffen, anderzijds de naaste.
11C.4. Kortom, hoe tot de Heer moet worden gegaan, opdat er verbinding geschiedt, en daarna hoe de Heer door de mens nutten doet.
11C.5. Het ene en het andere leren de geestelijke, de zedelijke en de burgerlijke ware dingen.
a) Eerst zal gezegd worden wat geestelijke ware dingen, zedelijke ware dingen, en burgerlijke ware dingen zijn;
b) ten tweede, dat de geestelijke mens ook een zedelijk en burgerlijk mens is;
c) ten derde, dat het geestelijke is in het zedelijke en het burgerlijke;
d) ten vierde, dat er, als zij worden gescheiden, geen verbinding is met de Heer.
11C.6. Geloof is die dingen weten en denken; naastenliefde is die dingen willen en doen.
11C.7. Daarom wanneer de Goddelijke Liefde van de Heer ontstaat bij de mens in de naastenliefde, zijnde die dingen willen en doen, zo ontstaat bij de mens de Goddelijke Wijsheid in het geloof, zijnde de ware dingen weten en denken.
11C.8. Dat de verbinding van de naastenliefde en het geloof wederkerig is.
12. Dat de Heer door Zijn Goddelijke Liefde en Zijn Goddelijke Wijsheid alle dingen in de hemel en alle dingen in de wereld bezielt tot aan de laatste ervan toe, sommige opdat zij leven en sommige opdat zij zijn en bestaan.
12.1. Dat de Heer is de Zon in de engellijke hemel.
12.2. Dat vanuit die Zon de oorsprong van alle dingen is.
12.3. Dat van uit die Zon de alomtegenwoordigheid van de Heer is.
12.4. Alle dingen die er zijn, zijn geschapen tot volgzaamheid aan het Leven zelf, zijnde de Heer.
12.5. Dat de zielen van het leven, en de levende zielen, en de plantaardige zielen, uit het leven dat uit de Heer is, worden bezield door nutten en volgens deze.
13. De ideeën van de engelen over de schepping van het heelal uit de Heer.

* * *

1. De Goddelijke Wijsheid in de hemelen verschijnt voor de ogen van de engelen als Licht.

In de Heer is de Liefde en is de Wijsheid.

De Liefde in Hem is Zijn, en de Wijsheid in Hem is Bestaan.

Echter zijn die in Hem niet twee, maar één.

De wijsheid immers is van de liefde, en de liefde is van de wijsheid, van waaruit beiden één zijn, hetgeen wederkerig is, want het éne wordt, en dit éne is de Goddelijke Liefde, die in de hemelen voor de engelen verschijnt als Zon.

Het wederkerige één zijn van de Goddelijke Wijsheid en de Goddelijke Liefde wordt verstaan onder deze woorden van de Heer: “Gelooft gij niet, Filippus, dat Ik in de Vader en de Vader in Mij is. Gelooft Mij, dat Ik in de Vader en de Vader in Mij is” Joh. 14:10-11; en onder deze: “Ik en de Vader zijn één”, Joh. 10:30.

Die twee echter, die één in de Heer zijn, gaan voort als onderscheiden twee uit Hem als Zon, de wijsheid als Licht, en de liefde als Warmte; maar zij gaan onderscheiden voort naar de schijn; in zich evenwel zijn zij niet onderscheiden, want het licht is van de warmte, en de warmte is van het licht.

Zij zijn immers in het kleinste punt één, zoals het is in de zon; wat immers voortgaat uit de zon, dit is eveneens de zon in kleinsten, en vandaar universeel in alles.

Gezegd wordt: elk punt en het kleinste, maar er wordt niet verstaan een punt of een kleinste van ruimte, want die zijn er immers niet in het Goddelijke, omdat het geestelijk en niet natuurlijk is.

Aangezien de wijsheid en de liefde als onderscheiden twee naar de schijn voortgaan uit de Heer als Zon, de wijsheid onder de gedaante van licht, en de liefde onder de doorvatting van warmte, worden zij derhalve als onderscheiden twee opgenomen door de engelen.

Door sommigen meer vanuit de warmte, die de liefde is, en door sommigen meer vanuit het licht, dat de wijsheid is: en daarom ook worden de engelen van alle hemelen onderscheiden in twee Rijken.

Zij die meer vanuit de warmte, die de liefde is, dan vanuit het licht, dat de wijsheid is, hebben opgenomen, maken het ene Rijk, en worden hemelse engelen genoemd; vanuit hen zijn de hoogste hemelen.

Zij echter die meer van uit het licht, dat de wijsheid is, dan vanuit de warmte, die de liefde is, hebben opgenomen, maken het andere Rijk, en worden geestelijke engelen genoemd; vanuit dezen zijn de lagere hemelen.

Gezegd wordt dat dezen meer hebben opgenomen vanuit het licht, dat de wijsheid is, dan vanuit de warmte, die de liefde is, maar dit méér is schijnbaar méér.

Zij zijn immers niet méér wijs dan al naar gelang de liefde bij hen één maakt met de wijsheid; en daarom ook worden de geestelijke engelen niet genoemd wijzen, maar inzichtvollen.

De Goddelijke Wijsheid, die in de hemelen verschijnt als licht, is in zijn wezen niet licht, maar bekleedt zich met licht, opdat zij voor het gezicht van de engelen ook verschijnt.

De wijsheid in haar wezen is het Goddelijk Ware, en het licht is daarvan de schijn en de overeenstemming.

Met het licht van de wijsheid is iets eenders het geval als met de warmte van de liefde, waarover boven.

Aangezien het Licht overeenstemt met de Wijsheid, en de Heer de Goddelijke Wijsheid is, wordt dan ook de Heer in het Woord op vele plaatsen het Licht genoemd, zoals in de volgende: “Hij was het ware Licht, hetwelk beschijnt elk mens komende in de wereld”. Johannes 1:9. “Jezus zei: Ik ben het Licht van de wereld, wie Mij volgt, zal niet wandelen in de duisternis, maar zal het licht van het leven hebben”, Johannes 8:12. “Jezus zei: Een weinig nog is het Licht met u, wandelt terwijl gij het licht hebt, opdat de duisternis u niet bevangt; terwijl gij het Licht hebt, gelooft in het Licht, opdat gij zonen des Lichts zult zijn. Ik, het Licht, in de wereld ben Ik gekomen, opdat al wie in Mij gelooft, niet in de duisternis blijft”, Johannes 12:35-36,46; en meermalen elders.

Zijn Goddelijke Wijsheid werd ook uitgebeeld door Zijn klederen, toen Hij van gedaante was veranderd, namelijk dat “zij verschenen zoals het Licht, schitterend en blank zoals sneeuw, zoals een voller het op aarde niet kan wit maken”, Marcus 9:3; Mattheüs 17:2.

De klederen in het Woord betekenen de ware dingen van de wijsheid, en daarom verschijnen alle engelen in de hemelen bekleed volgens de ware dingen van hun wetenschap, inzicht, en wijsheid.

Dat het Licht de verschijning van de wijsheid is, en dat zij daarvan de overeenstemming is, blijkt in de hemel, en niet in de wereld; in de hemel immers is geen ander licht dan geestelijk licht, dat het licht van de wijsheid is, alle dingen verlichtend die vanuit de Goddelijke Liefde daar ontstaan.

De wijsheid bij de engelen geeft het die dingen in hun wezen te verstaan, en het licht geeft het die dingen in hun vorm te zien; en daarom is het licht in de hemelen in gelijken graad met de wijsheid bij de engelen.

In de hoogste hemelen is het licht vlammend, schitterend zoals van het meest flonkerende goud; de oorzaak hiervan is deze, dat zij in de wijsheid zijn.

In de lagere hemelen is het licht blank, glanzend zoals van het meest blinkende zilver; de oorzaak hiervan is deze, dat zij in het inzicht zijn.

Het licht in de laagste Hemelen is zoals het middaglicht in de wereld; de oorzaak hiervan is deze, dat zij in de wetenschap zijn.

Het licht van de hogere hemelen is blank; het verschijnt geheel en al zoals een ster die in de nacht flitst en blinkt.

En het is een aanhoudend licht, omdat de zon daar niet ondergaat.

Het is datzelfde licht dat in de wereld het verstand van die mensen verlicht die het liefhebben wijs te zijn; maar het verschijnt niet aan hen, omdat zij natuurlijk zijn, en niet geestelijk.

Het kan wel verschijnen, want het is mij verschenen, maar voor de ogen van mijn geest.

Het is ook gegeven te doorvatten dat ik in het licht van de hoogste hemel in de wijsheid was, in het licht van de tweede hemel in het inzicht, en in het licht van de laatste hemel in de wetenschap, en dat ik wanneer ik alleen in het natuurlijke licht was, in onwetendheid omtrent de geestelijke dingen verkeerde.

Opdat ik zou weten in welk licht heden ten dage de geleerden van de wereld zijn, verschenen mij twee wegen; de ene werd die van de wijsheid genoemd, en de andere die van de dwaasheid.

Aan het einde van de weg van de wijsheid was een paleis in het licht; aan het einde echter van de weg van de dwaasheid was iets dat leek op een paleis, maar in de schaduw.

Er verzamelden zich 300 geleerden, en de keuze werd aan hen overgelaten welke weg zij zouden willen gaan; en het werd gezien dat 260 de weg van de dwaasheid in gingen, en slechts 40 de weg van de wijsheid.

Zij die de weg van de wijsheid gingen, traden het paleis binnen in het licht, waar prachtige dingen waren; en hun werden klederen uit fijn linnen gegeven, en zij werden engelen.

Degenen echter die de weg van de dwaasheid gingen, wilden datgene binnengaan wat eender aan een paleis verscheen, in de schaduw; maar zie, het was een theater van toneelspelers, waar zij toneelkostuums aantrokken en gemaskerd aan het bazelen sloegen, en dwaas werden.

Gezegd werd mij daarna, dat zo talrijk en zodanig tegenwoordig de dwaze geleerden zijn, die in het natuurlijke licht zijn, ten opzichte van de wijze geleerden, die in het geestelijke licht zijn, en dat diegenen het geestelijke licht hebben, die het liefhebben om te verstaan of het waar is wat door een ander wordt gezegd; maar dat diegenen het natuurlijke licht hebben, die het alleen liefhebben om datgene te bevestigen wat door een ander is gezegd.

Ga naar sectie / 12  

Volgende →

   Study this Passage
Other New Christian Commentary

Nederlandse tekst door Guus Janssens. Digitale uitgave - Swedenborg Boekhuis 2007.

De Bijbel

 

Johannes 8:12

Dutch Staten Vertaling         

Bestudeer de innerlijke betekenis

← Vorige    volledig hoofdstuk    Volgende →

12 Jezus dan sprak wederom tot henlieden, zeggende: Ik ben het licht der wereld; die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben.

   Bestudeer de innerlijke betekenis

Explanation of John 8      

By Rev. John Clowes M.A.

Explaining the Inner Meaning of John 8

Verses 8:1, 2. That the Lord elevated himself into his divine love, and filling his humanity with that love, he excites mutual love in the church, and from that love imparts heavenly truth.

Verses 8:3, 4, 5. On which occasion he is questioned by those, who are principled in self-intelligence and self-love, concerning the punishment due to the perversion of the affection of good in the church, which punishment, according to the Word, was deprivation of the truths of faith.

Verses 8:6, 7. But this enquiry proceeds from a purpose of deceit and evil, and therefore the Lord pronounces them damned who make it, and when the enquiry is still persisted in, he announces from his divine love, that the punishment due to the perversion of good, does not come from good, but from the perverting evil.

Verse 8:8. And therefore they are damned, who are in the perverting evil.

Verse 8:9. And in consequence of that evil, they become mere external men, without mutual love, according to the several degrees in which they have confirmed themselves in evil, separating themselves from the Lord, and from the affection of good.

Verses 8:10, 11. That on this occasion the Lord's divine love to the church is excited, and from perception of the separation of those who were in evil, the church is led to enquire concerning the accusations of evil spirits, and the condemnation which they bring, and is thus taught, that no evil condemns, which is not seen to be sinful; but when it is seen to be sinful, then it must no longer be persisted in.

Verse 8:12. Instruction is also given, that the Lord in his Divine Humanity is the divine truth itself, and that whoever acknowledges his humanity to be divine, and does his precepts, shall be preserved from falsities, and shall be principled in divine truths, which teach man eternal life, and lead to heaven.

Verse 8:13. But this instruction is rejected, as contrary to the truth, by those who are principled in self-love, and who contend, that truth cannot be its own testimony.

Verse 8:14. They are therefore instructed further, that the truth carries its own testimony along with it, because it acknowledges its divine origin, and divine end, whereas they, who are principled in self-love, know neither the origin nor the end of truth.

Verse 8:15. Thus they are guided merely by their own self-derived intelligence, which condemns all that are opposed to itself, whereas divine truth united with divine good condemns no one.

Verse 8:16. Nevertheless divine truth exercises just judgement, but then it is a judgement not derived from truth alone, but from divine good in union with it.

Verse 8:17. Agreeable to what the Word teaches, in the internal sense, concerning the testimony of two men.

Verse 8:18. Thus the Lord's humanity, which is divine truth, and his divinity, which is divine good, bear united testimony to the truth.

Verse 8:19. That they of the perverted church, who are principled in self love, are hence led to enquire concerning the divine good, and are instructed that they are ignorant both of divine truth and divine good, and that had they been acquainted with divine truth, or the Lord's Divine Humanity, they would have been acquainted also with divine good, or his divinity.

Verse 8:20. That this instruction was from the knowledges of good and truth in the Lord's humanity, to which humanity no violence was as yet offered, because the period of its glorification was not yet arrived.

Verse 8:21. Therefore the Lord, in that humanity, testifies further concerning those who are principled in self-love, that he is about to leave the world, and that they will speculate concerning him, but still will destroy in themselves all heavenly life through their evils and falsities, and thus can have no communion with him.

Verses 8:22, 23. And when this testimony is misunderstood, he testifies yet further, that all, who are principled in self-love, are in connection with infernal spirits, and are also in worldly love, whereas his humanity is in connection with divinity, and thus undefiled by worldly love.

Verse 8:24. Therefore they, who are principled in self-love, separate themselves from the life of heaven, since such separation is a certain consequence of not acknowledging the Lord in his Divine Humanity to be Jehovah.

Verses 8:25, 26. That enquiry is hence excited amongst those who are of the perverted church, concerning the Lord's humanity, and they are instructed that it is the first and supreme of all principles, agreeable to its constant testimony, being in possession of all knowledge, by reason of its union with the divine good.

Verses 8:27, 28, 29. This however is not apprehended by them, and there fore they are instructed further, that when the humanity is glorified, or made divine, then it will be seen that it is essential life, and that all its operation and thought are from that life, and therefore the divinity is always present with the humanity, and the humanity never separated from divinity, since its operation is always in accord with the divine will.

Verses 8:30, 31, 32. That in consequence of this instruction, faith in the Lord's humanity is excited and prevails, and they, who receive it, are further taught, that if they continue to live according to his precepts, they will be taught of him, and will understand divine truth, and will thus be delivered from the bondage of sin.

Verse 8:33. This instruction however is rejected, and it is argued that since they are in possession of the Word, and were never in bondage to sin, it is to no purpose to speak to them about escaping that bondage.

Verses 8:34, 35. Therefore they are further instructed, that in the love of evil there is servitude, and that they who are in such servitude, cannot enter into heaven, which is open only to those who are in divine truth.

Verse 8:36. If then they are in divine truth, leading them to renounce evil love, then they will attain the true freedom, which consists in being led of the Lord.

Verses 8:37, 38. It is granted that they possess the Word, but inasmuch as they reject divine truth, it is a full proof that the truth of the Word is not received by them, since the truth of the Word is from the divine good, and therefore they, who reject it, cleave to what is false derived from infernal evil.

Verses 8:39, 40, and part of 41. Still they insist that they are regenerated of the Lord ; but they are again taught, that if they were regenerated of the Lord, they would love what the Lord loves, but that in rejecting divine truth, they oppose divine love, and by so doing prove themselves to be in infernal love.

Verses: part of 8:41, 42, 43. Still they insist that they are not principled in evils and falsities, but in divine truth; and therefore they are further instructed, that if they were principled in divine truth, they would love the Lord's humanity, because that humanity was from the divine truth, and is the divine truth; and the reason why they do not understand this, is, because they are not rightly affected towards the internal sense of the Word.

Verse 8:44. Therefore they are in the false of faith, and are thus in the cravings of evil, and destroyers of all intellectual truth, cherishing evil in the will, and the false principles thence derived in the understanding.

Verses 8:45, 46. On which account they reject the Lord in his humanity, although in his humanity he was essential purity, and ought to be believed in as essential truth.

Verse 8:47. For every one, who is principled in divine truth, lives in obedience to divine truth, and if any are disobedient, it is because they are not principled in divine truth.

Verses 8:48, 49. That the perverted church reject this instruction, as proceeding from ignorance of the Word, and from infernal agency, therefore they are further taught, that the Lord's humanity is not under infernal control, but under divine government, and is therefore rejected.

Verses 8:50, 51. And that it does not exalt itself, but is exalted and instructed by the essential divinity, and therefore whoever lives according to the Lord's precepts is delivered from damnation.

Verses 8:52, 53, 54. But this instruction is also rejected by the perverted church, through misinterpretation, and regarded as a further proof of infernal agency, and as exalting the Lord's humanity in an undue measure; therefore they are again taught, that if the humanity exalted itself, its exaltation is no exaltation, but that it is exalted by the Supreme Divinity, who is regarded in the church as the supreme teacher of truth.

Verse 8:55. Who yet is unknown in the church, and known only to the assumed humanity; therefore the humanity must testify to such knowledge, because it is the truth; thus it testifies that both in understanding and in will it is one with the Supreme Divinity.

Verse 8:56. And was accordingly seen in the representative church under a human form, exciting the affections both of truth and good.

Verses 8:57, 58. And notwithstanding appearances to the contrary, arising from its being born in time, is yet the Eternal Jehovah.

Verse 8:59. That this instruction is opposed by the false persuasions originating in the natural mind, which darken the truth in such a manner, that it is no longer seen, and therefore is unnoticed, though it is the central life of all men.

From Swedenborg's Works

Toelichting(en) of referenties van Swedenborgs werken:

Hemelse Verborgenheden in Genesis 1839, 3195, 4415, 7083

Apocalyps Onthuld 167, 413, 553, 589

Beknopte Uiteenzetting vd Leer van de Nieuwe Kerk 98

Leer Over De Heer 32

Hemel en Hel 129

Over de Gemeenschap Tussen Ziel en Lichaam 6

Ware Christelijke Religie 107, 358, 474, 761


References from Swedenborg's unpublished works:

Apocalypse Explained 97, 186, 349, 526, 864

Coronis - Aanhangsel tot Ware Christelijke Religie 54

Over het Woord (Janssens vertaling) 17

De Goddelijke Wijsheid 1

Marriage 107

Scriptural Confirmations 2, 14

Andere commentaar

  Verhalen:



Hop to Similar Bible Verses

II Samuël 22:29

Psalm 27:1

Jesaja 42:6, 49:6, 60:1

Micha 5:3

Betekenissen van Bijbelse woorden

sprak
Like "say," the word "speak" refers to thoughts and feelings moving from our more internal spiritual levels to our more external ones – and ultimately...

wereld
The term "world" has both general and more specific meanings in the Bible, including the relatively literal sense of the natural, physical world. In more...

wandelen
To walk in the Bible represents living, and usually means living according to the true things taught to us by the Lord -- to "walk...

Resources for parents and teachers

The items listed here are provided courtesy of our friends at the General Church of the New Jerusalem. You can search/browse their whole library by following this link.


 Discipleship at Easter
The final events in Jesus' life unfolded quickly. The disciples responded to the changes in different ways. The twelve disciples picture qualities in us that follow the Lord. How do we respond when our faith is challenged?
Sunday School Lesson | Ages 11 - 17

 Disciples of the Lord Bookmarks
Here are bookmarks that you can print, cut out, and use to help you remember some of the keys to becoming a disciple of the Lord.
Project | Ages over 7

 Follow Me
Worship Talk | Ages over 18

 Go and Sin No More
Spiritual tasks offer a reflection on a Biblical story and suggest a task for spiritual growth.
Activity | Ages over 18

 How the Word Enlightens
The Lord wants to help everyone see spiritual things more clearly but the quality and extent of an individual’s enlightenment depends on his or her own spiritual development. Enlightenment is affected by the questions we ask the Lord and the reasons we are seeking answers.
Sunday School Lesson | Ages 11 - 17

 I Am the Light of the World
Start out sitting in darkness and light candles one by one as you read (or repeat) a quote from the Word. The room will grow brighter and brighter with the sharing of each quote.
Activity | Ages over 11

 I Am: The Lord’s Divine Presence with Us
Worship Talk | Ages over 18

 Jesus Predicts His Departure
Jesus said, "I AM the light of the world." When is He the light of our world--when He teaches true ideas, or when we act on them?
Sunday School Lesson | Ages 11 - 17

 Light of the World
Use light colored crayons or pastels on dark paper to illustrate light in the darkness.
Project | Ages 4 - 14

 Memory Verse: Disciples of the Lord
Activity | Ages 4 - 14

 Memory Verse: Providence and Evil
Activity | Ages 4 - 14

 Overview of Sunday School Projects and Activities to accompany the Journey program Practicing Forgiveness
Overview of a book of Activities and Projects to accompany the Journey program Practicing Forgiveness. Includes activities for five stories on forgiveness for ages 3-14.
Sunday School Lesson | Ages 3 - 14

 Prayers for Adults: Being Disciples of the Lord
Activity | Ages over 18

 Prayers for Teens: Being Disciples of the Lord
Activity | Ages 15 - 17

 Quotes: Disciples of the Lord
Teaching Support | Ages over 15

 Spiritual Freedom
Worship Talk | Ages over 18

 The Lord's Names
The Lord's names reveal aspects of His qualities. We can be linked to Him through baptism in His name.
Sunday School Lesson | Ages 11 - 17

 The Oneness of God
Lesson and activities looking at the oneness of God and the way his many names help us reflect on what He does for us.
Religion Lesson | Ages over 15

 The Truth Shall Make You Free
Will truth make us free whether or not we are following the Lord?
Activity | Ages over 15

 The Woman Taken in Adultery
A woman accused of committing adultery was brought to Jesus by a mob armed with stones and threatening her life. When do we arm ourselves with true ideas from the Word of God with the intention of using them to judge others?
Sunday School Lesson | Ages 11 - 17

 The Word of the Lord
Lesson and activities looking at how the Word can helps us and the angels in heaven.
Religion Lesson | Ages over 15

 Tolerance and Judgment
Loving the neighbor is intending and doing good to all, but wisely loving others takes a variety of forms depending on others' actions.
Sunday School Lesson | Ages 11 - 17

 True Freedom
"It is the freedom to enjoy such things - the freedom to love the Lord above all, the freedom to love the truth of His Word, and the freedom to love the good in our fellow human beings - it is this which is freedom itself."
Worship Talk | Ages over 18

 Wings of Truth
Lesson and activities exploring how truth can uplift, protect, and free us.
Religion Lesson | Ages over 15

 You Shall Not Bear False Witness
Worship Talk | Ages over 18


Vertalen: