Ware Christelijke Religie #503

Door Emanuel Swedenborg

Bestudeer deze passage

        |   
/ 853  
  

503. Hieraan zullen de volgende gedenkwaardigheden worden toegevoegd. De eerste: ik hoorde dat een bijeenkomst was aangekondigd, waarin zou worden gesproken over de vrije keuze van de mens in geestelijke dingen; dit vond plaats in de geestelijke wereld. Er waren uit elke streek geleerden aanwezig, die hierover in de wereld, waarin ze tevoren leefden, gedacht hadden. Velen van hen hadden in de grote en de kleine concilies gezeten, zowel voor als na dat van Nicea. Ze waren bij elkaar gekomen in een soort van ronde tempel, die op de tempel van Rome leek, die het Pantheon wordt genoemd, en die vroeger gewijd was aan de eredienst van alle goden, en daarna werd ingericht door de pauselijke stoel voor de eredienst van alle heilige martelaren. In deze tempel stonden ook aan de wanden een soort altaren, maar bij elk daarvan waren zitbanken, waarop allen gingen zitten, terwijl ze met hun ellebogen op de altaren steunden. Er was geen voorzitter aanwezig, om bij hen de leiding te hebben, maar eenieder schoot als hij er zin in had naar het midden, luchtte zijn hart en gaf zijn mening te kennen. Ik verwonderde mij erover dat allen in die bijeenkomst vol bevestigingen waren ten gunste van de volledige onmacht van de mens in geestelijke dingen, en ze spotten dus met het idee van de vrije keuze. Toen ze zo bijeen waren, ziet, zo schoot ineens een van hen naar het midden en riep met luide stem de volgende woorden: ‘De mens heeft in geestelijke dingen niet meer vrije keuze dan de echtgenote van Loth, nadat ze in een zoutpilaar was veranderd; want als de mens meer vrije keuze had, zo zou hij stellig vanuit zich, het geloof van onze kerk voor zich opeisen. Maar ons geloof bestaat daarin, dat God de Vader dit om niet, uit volle vrijheid en geheel naar Zijn welbehagen geeft aan wie Hij wil en wanneer Hij wil. Dit welbehagen en deze vrijgevigheid zou God geenszins hebben, als de mens uit enig vrije of uit enig welbehagen dit geloof voor zich kon opeisen. Ons geloof, dat als een ster dag en nacht voor ons blinkt, zou zo in de lucht verstrooid worden als een vallende ster.’ Daarna schoot een ander van zijn bank en zei: ‘Een mens heeft evenmin vrije keuze in geestelijke dingen als een beest, ja zelfs als een hond; want als de mens deze wel had, zou hij het goede uit zichzelf doen. Maar al het goede is uit God en de mens kan niets voor zichzelf nemen, wat hem niet uit de hemel gegeven is.’ Daarna sprong een ander op van zijn zitplaats en verhief zijn stem in het midden van die ruimte en zei: ‘De mens heeft niet meer vrije keuze in geestelijke dingen dan een nachtuil overdag, ja zelfs minder dan een kuiken dat nog in het ei verborgen is. Hij is daarin zo blind als een mol, want als hij lynxogen had in het doorzien van de dingen, die tot het geloof, de zaligheid en het eeuwige leven behoren, zo zou hij geloven dat hij zichzelf zou kunnen wederverwekken en zaligmaken en daarnaar ook streven. Zo zou hij zijn gedachten en daden ontheiligen door verdiensten op verdiensten te stapelen.’ Weer snelde iemand naar het midden en betoogde het volgende: ‘Hij, die van menig is dat hij na de val van Adam iets kan willen en begrijpen in geestelijke dingen, is onzinnig en wordt een maniak, aangezien hij dan van zichzelf moet gaan geloven dat hij een halfgod of een godheid is, die krachtens zijn eigen recht een deel van de goddelijke macht bezit.’ Na hem kwam een ander buiten adem naar het midden gesneld, met onder de arm het boek, de Formula Concordiae getiteld. Hij zei dat op de rechtzinnigheid ervan, zoals hij het noemde, de evangelischen heden ten dage zweren. Hij opende het en las het volgende er uit voor: ‘De mens is tot het goede volslagen verdorven en dood, zodat in de natuur van de mens na de val, vóór de wederverwekking, zelfs niet één vonkje van geestelijke krachten achtergebleven of over is, waardoor hij uit zichzelf tot de genade van God voorbereid kan worden, of haar aangrijpen wanneer zij wordt aangeboden, of uit zichzelf en door zichzelf bij machte is deze genade te ontvangen, of geestelijke dingen verstaan, geloven, omhelzen, denken, willen, beginnen, voltooien, handelen, werken, samenwerken, of zich tot de genade geschikt maken of daarbij aanpassen, of iets tot zijn bekering, hetzij voor de helft, hetzij voor het kleinste deel, bijdragen. En dat de mens in geestelijke dingen, die het heil van zijn ziel betreffen, is gelijk de zoutpilaar van Loths echtgenote, en dat hij lijkt op een levenloos stuk hout of een steen, die niet kunnen beschikken over het gebruik van ogen, mond of van enige zin. Dat hij nochtans de macht tot bewegen heeft, of de uitwendige leden regeren kan, naar openbare bijeenkomsten gaan, en het Woord en het Evangelie horen.’ Hierna riepen allen tegelijkertijd uit: ‘Dit is waarlijk recht in de leer’. Ik stond daarbij en had alles met gespannen aandacht aangehoord; en daar mijn geest was ontbrand, vroeg ik met luide stem: ‘Zo u in geestelijke dingen de mens maakt tot een zoutpilaar, een beest, een blinde en een waanzinnige, wat is dan uw theologie; zijn niet alle dingen daarin, in het algemeen en in het bijzonder, geestelijk?’ Na een moment van stilte antwoordden ze hierop: ‘In onze gezamenlijke theologie is hoegenaamd niets geestelijks wat voor de rede begrijpelijk is. Enig en alleen ons geloof is daarin geestelijk, maar dit hebben wij terdege toegesloten, opdat niemand daarin een blik kan werpen. We hebben er zorg voor gedragen dat niet een enkele geestelijke straal daaruit kan ontsnappen en voor het verstand verschijnt. Bovendien draagt de mens ook niet het kleinste deeltje daartoe bij door enige eigen keuze. Ook de naastenliefde hebben we van al het geestelijke verwijderd en hebben die louter zedelijk gemaakt; zo ook de decaloog. Ten aanzien van de rechtvaardiging, de vergeving van de zonden, de wederverwekking en de daaruit voortvloeiende zaligmaking, onderwijzen we evenmin iets geestelijks; we zeggen dat het geloof deze dingen bewerkt; maar hoe weten we in het geheel niet. In plaats van de boetedoening hebben wij de wroeging genomen en opdat die niet voor geestelijk gehouden zou worden, hebben we die van elke aanraking van het geloof verwijderd. Ten aanzien van de verlossing hebben we ook geen andere dan zuiver natuurlijke voorstellingen aangenomen. Deze bestaan daarin, dat God de Vader, het menselijk geslacht onder de verdoemenis had geplaatst en dat Zijn Zoon deze verdoemenis op Zich nam en Zich aan het kruis liet ophangen. Zo heeft Hij Zijn Vader tot ontferming bewogen. Er zijn nog vele dingen die we hebben aangenomen maar u zult daarin hoegenaamd niets geestelijks vinden maar alleen louter natuurlijke.’ Maar mijn verontwaardiging had al dusdanig vlam gevat dat ik zei: ‘Als de mens geen vrije keuze in geestelijke dingen had, wat zou de mens dan anders zijn dan een redeloos dier; verheft de mens zich niet door deze vrije keuze boven de redeloze dieren? Wat is de kerk zonder dit, anders dan het zwarte aangezicht van een voller, met slechts een witte vlek in zijn ogen? Wat is het Woord zonder dit, anders dan een leeg boek? Wat wordt daarin meer herhaald en geboden, dan dat de mens God moet liefhebben en dat hij de naaste moet liefhebben en ook dat hij geloven moet en verder dat hij de zaligheid en het leven heeft al naarmate hij liefheeft en gelooft? Is er iemand die niet het vermogen heeft, de dingen te begrijpen en te doen, die in het Woord en in de Decaloog zijn geboden? Hoe kan God dergelijke dingen de mens voorgeschreven en geboden hebben, als hem daartoe niet het vermogen gegeven was. Zeg aan onverschillig welke boer ook, bij wie het gemoed niet door waanideeën in theologische dingen is verstopt, dat hij in de dingen van het geloof en van de naastenliefde en vandaar van de zaligheid, hoegenaamd niets meer begrijpen en willen kan dan een blok hout of een steen en zichzelf daartoe niets eens geschikt kan maken en daarbij aanpassen. Zal deze man dan niet uit volle borst lachen en zeggen: ‘Wat een onzin; wat heb ik dan te doen met de priester en zijn prediking; wat is de tempel dan meer dan een stal; en wat is de eredienst dan meer dan landbouw. O, wat een waanzin om zo te spreken; het is de dwaasheid ten top! Wie ontkent dat al het goede uit God is? Is het de mens niet gegeven, het goede vanuit zich uit God te doen, net zoals dit gesteld is met het geloof?’ Nadat ze dit gehoord hadden riepen allen uit: ‘Wij hebben rechtzinnig gesproken vanuit onze orthodoxe leer, u hebt echter gesproken vanuit het gezichtspunt van een boer, gebaseerd op boeren principes.’ Toen, plotseling sloeg een bliksemflits uit de hemel neer en opdat die hen niet zou verteren, stortten ze zich bij drommen naar buiten en vluchtten weg, ieder naar zijn eigen huis.

  
/ 853  
  

Swedenborg Boekhuis Baarle Nassau, Netherlands Nederlandse vertaling door Henk Weevers 2010. Link markup by NCBSP.