Ware Christelijke Religie #35

Study this Passage

        
/ 853  
  

35. Hieraan zal ik de volgende gedenkwaardigheid toevoegen: Eens was ik in een staat van verbazing over de geweldige menigte van mensen, die de schepping en vandaar alle dingen die onder de zon zijn, en alle dingen die boven de zon zijn, aan de natuur toeschrijven en die, als ze iets zien, vanuit die erkenning met hun hart zeggen: ‘Is dit niet van de natuur?’ En wanneer men hun vraagt, waarom ze zeggen dat het van de natuur is, en waarom niet van God, terwijl ze toch van tijd tot tijd, naar algemeen gebruik zeggen, dat God de natuur geschapen heeft, en ze vandaar evengoed kunnen zeggen dat de dingen die ze zien van God in plaats van de natuur zijn, dan antwoorden ze op een innerlijke, bijna stilzwijgende toon: ‘Wat is God anders dan de natuur?’ Al deze mensen vertonen zich trots vanuit de overreding ten aanzien van de schepping van het heelal vanuit de natuur. Ze voelen deze waanzin die ze als wijsheid beschouwen zodanig, dat ze al diegenen, die de schepping van het heelal uit God erkennen, als mieren beschouwen die een afgesleten weg gaan, of zoals vlinders die maar een beetje in de lucht fladderen. Ze noemen de meningen van deze mensen dromen, omdat die zien wat zij niet zien. Ze zeggen dan: ‘Wie heeft God gezien, en wie ziet niet de natuur?’ Toen ik over de menigte van dergelijke mensen zo verbaasd was, stond een engel aan mijn zijde die tot mij sprak: ‘Wat overdenkt u?’ Ik antwoordde: ‘Ik denk over de menigte van mensen die geloven dat de natuur vanuit zichzelf is en dat de natuur op die wijze de schepster van het heelal is.’ De engel zei: ‘Geheel de hel bestaat uit dergelijke mensen, ze worden daar satans en duivels genoemd; satans degenen die zich ten gunste van de natuur bevestigd hebben en vandaar God hebben geloochend, duivels diegenen die misdadig geleefd hebben en zo alle erkenning van God uit hun hart hebben geworpen. Ik zal u leiden naar de scholen in de zuidwestelijke streek, waar diegenen zich bevinden die nog niet in de hel zijn.’ Hij nam mij bij de hand en leidde mij daarheen. Ik zag kleine huisjes waarin scholen waren gevestigd en temidden daarvan een gebouw, dat zoveel als het hoofdgebouw was. Dit was gebouwd uit pikzwarte stenen die overdekt waren met glasachtige plaatjes die glinsterden als goud en zilver, zoals de stenen die seleniet of mica worden genoemd; hier en daar lagen er glanzende schelpen tussen gestrooid. We naderden het gebouw en klopten aan. Meteen opende iemand de deur en zei: ‘Welkom’. Hij snelde naar een tafel en bracht vier boeken en zei: ‘Deze boeken zijn de wijsheid waaraan een groot aantal koninkrijken heden ten dage bijval schenkt. Dit boek of deze wijsheid juichen velen in Frankrijk toe, dit velen in Duitsland; dit enkelen in Holland; en dit sommigen in Engeland.’ Hij vervolgde: ‘Als u het wilt zien zal ik deze vier boeken voor uw ogen doen oplichten.’ Toen stortte hij de glorie van zijn roem uit en goot die rondom zich heen, en weldra straalden de boeken als een licht. Plotseling verdween dit licht echter voor onze ogen. We vroegen hem toen waar hij nu mee bezig was te schrijven en hij antwoordde dat hij nu die dingen die tot de binnenste wijsheid behoorden, vanuit zijn schatkamer ophaalde en te voorschijn bracht.’
Kort samengevat zijn het deze:

1. Behoort de natuur tot het leven, dan wel het leven tot de natuur?

2. Behoort het middelpunt tot de expansie of omtrek dan wel de expansie tot het middelpunt?

3. Over het middelpunt van de expansie of de omtrek en van het leven.

Toen hij dit had gezegd ging hij op een stoel aan tafel zitten. Wij echter gingen rondwandelen in de school die heel ruim was. Er stond een kaars op zijn tafel, want er was geen zonlicht maar alleen het nachtelijk licht van de maan. Tot mijn verwondering scheen de kaars daar rondgedragen te worden en licht te geven, maar omdat ze niet was gesnoten gaf ze maar weinig licht. Terwijl hij schreef zagen we beelden in verschillende vormen vanaf de tafel naar de wanden vliegen. In dit nachtelijk maanlicht verschenen ze als mooie Indische vogels. Toen we echter de deur openden, ziet, toen verschenen ze in het daglicht van de zon als die nachtvogels met netvormige vleugels, want het waren schijnbare waarheden. Deze waren door de bevestigingen misleidingen geworden die door hem scherpzinnig tot reeksen aaneengeschakeld waren. Nadat we dat gezien hadden, naderden we de tafel en vroegen hem waarmee hij nu bezig was te schrijven. Hij zei: ‘Over dit eerste punt: behoort de natuur tot het leven dan wel het leven tot de natuur.’ Hij zei hierover dat hij allebei kon bevestigen en waar maken. Maar aangezien er van binnen iets in verborgen lag, dat hij vreesde, durfde hij alleen dit ene te bevestigen: dat de natuur tot het leven behoort. Eigenlijk vanuit het leven is, maar niet dat het leven tot de natuur behoort, dat wil zeggen, vanuit de natuur is. We vroegen beleefd, wat het is, dat van binnen sluimerde en dat hij vreesde
. Hij antwoordde dat hij door de geestelijkheid een aanbidder van de natuur en dus een atheďst genoemd zou kunnen worden. Door leken zou hij een man met een ongezonde rede genoemd kunnen worden, aangezien dezen en de vorigen ňf uit blind geloof geloven, ňf zien door de ogen van hen, die dat geloof bevestigen. Maar toen, vanuit een zekere verontwaardiging van ijver voor de waarheid, zeiden we tegen hem: ‘Vriend, u dwaalt schromelijk, uw wijsheid is eigenlijk een bepaald talent voor het schrijven, dit heeft u verleid en de glorie van de roem heeft u er toe gevoerd, dingen te bevestigen die u niet gelooft. Weet u niet dat het menselijk gemoed zich kan verheffen boven de zinlijke dingen, wat de dingen zijn die in de gedachten zijn vanuit de gevoelens van het lichaam? Als het gemoed wordt verheven ziet het de dingen die bij het leven behoren boven en de dingen die van de natuur zijn beneden. Wat is het leven anders dan liefde en wijsheid en wat is de natuur anders dan het ontvangende daarvan, waardoor ze haar werkingen en nutten kunnen doen. Kunnen leven en natuur op andere wijze één zijn dan zoals het principale en het instrumentale; of kan het licht één zijn met het oog of het geluid één met het oor? Waarvandaan zijn de zinnen van het oog en het oor anders dan vanuit het leven, en waarvandaan hun vormen anders dan vanuit de natuur? Wat is het menselijk lichaam anders dan een orgaan van het leven? Zijn niet alle dingen tot in bijzonderheden daarin organisch gevormd, om datgene voort te brengen wat de liefde wil en het verstand denkt? Zijn niet de organen van het lichaam vanuit de natuur, en de liefde en de gedachte vanuit het leven? Zijn ze niet volledig van elkaar onderscheiden? Verhef de blik van uw scherpzinnigheid nog iets hoger en u zult zien dat aangedaan worden en denken tot het leven behoort, en dat aangedaan worden tot de liefde behoort, en denken tot de wijsheid en beide behoren tot het leven, want zoals gezegd, de liefde en de wijsheid zijn het leven. Als u uw begripsvermogen nog iets hoger verheft, zult u zien dat de liefde en de wijsheid niet bestaan, als ze niet ergens een oorsprong hebben. Deze oorsprong is de Liefde en de Wijsheid zelf en vandaar het Leven zelf en deze zijn God, uit wie de natuur is.’ Daarna spraken we met hem over het tweede punt: behoort het middelpunt tot de expansie of de uitbreiding dan wel de expansie tot het middelpunt. We vroegen hem waarom hij dit vraagstuk opwierp en hij antwoordde dat hij dit deed met het doel om tot een conclusie te komen betreffende het middelpunt en de expansie of de omtrek van de natuur en van het leven, dus over de oorsprong van elk van beide. Toen we hem vroegen wat zijn mening was gaf hij hetzelfde antwoord als eerder, namelijk dat hij beide bevestigen kon, maar dat hij uit vrees voor verlies van zijn goede naam, bevestigde dat de expansie tot het middelpunt behoort, dat wil zeggen; uit het middelpunt is. ‘Hoewel ik weet’, zei hij, ‘dat, voor de zon er was, iets geweest is, en wel overal in het uitspansel, en dat dit uit zichzelf in de orde samenvloeide, dus tot een middelpunt.’ Wij spraken hem opnieuw toe met verontwaardigde ijver en zeiden: ‘Vriend, u bent krankzinnig.’ Toen hij dit hoorde, schoof hij zijn stoel van de tafel terug, keek ons schuchter aan en luisterde toen naar ons, maar met een lach op zijn gezicht. Wij gingen echter door met spreken: ‘Wat is onzinniger, dan te zeggen, dat het middelpunt uit het uitspansel is - onder uw middelpunt verstaan wij de zon, en onder uw uitspansel verstaan wij het heelal - en dus dat het heelal zonder zon ontstaan zou zijn. Maakt niet de zon de natuur en al haar eigenschappen? Deze hangen immers alleen af van het licht en de warmte, die voortgaan uit de zon door de atmosferen. Waar waren deze eerder? Maar we zullen zeggen waar deze vandaan zijn door het volgende te overwegen. Zijn niet de atmosferen en alle dingen die op aarde zijn, gelijkend op oppervlakken en is de zon niet hun middelpunt? Wat zijn al deze dingen zonder de zon; kunnen ze één ogenblik blijven bestaan? Dus, wat waren al deze dingen vóór de zon? Konden ze ontstaan, en is blijven bestaan niet een voortdurend ontstaan? Als dus het blijven bestaan van alle dingen van de natuur uit de zon is, volgt daaruit dat ook het ontstaan van alle dingen daaruit is. Dit ziet en erkent eenieder vanuit eigen ervaring. Blijft het latere niet uit het eerdere bestaan, evenals het ontstaat uit het eerdere? Wanneer de oppervlakte het vroegere was en het middelpunt het latere, zou dan niet het vroegere vanuit het latere blijven bestaan, wat toch tegen de wetten van de orde is. Hoe kunnen latere dingen vroegere dingen voortbrengen, of uiterlijke dingen innerlijke, of grovere fijnere dingen. Dus, hoe kunnen de oppervlakken, die het uitspansel maken, het middelpunt voortbrengen? Wie ziet niet dat dit tegen de wetten van de natuur is? We hebben deze argumenten vanuit de analyse van de rede aangevoerd om te bevestigen, dat het uitspansel uit het middelpunt ontstaat en niet omgekeerd, hoewel eenieder, die juist denkt, dit ziet zonder deze argumenten. U heeft gezegd dat het uitspansel uit zichzelf tot een middelpunt is samengevloeid; deed het dat dan bij toeval in zulk een bewonderenswaardige en verbazingwekkende orde, dat het ene ding er is ten behoeve van het andere en alle dingen in het algemeen en in het bijzonder ten behoeve van de mens en van zijn eeuwig leven? Kan de natuur vanuit de een of andere liefde, door de een of andere wijsheid doeleinden nastreven, oorzaken beschouwen, en dan in werkingen voorzien, opdat dergelijke dingen in hun volgorde ontstaan? Kan ze uit mensen engelen maken en vanuit die de hemel, en maken dat zij die daar zijn, tot in het eeuwige leven? Stel u deze vragen en denk na, en uw voorstelling over het ontstaan van de natuur uit de natuur zal in elkaar storten’. Daarna vroegen we hem wat hij gedacht had en hoe hij nu dacht over het derde punt: over het middelpunt en het uitspansel van de natuur en van het leven. Of hij geloofde dat het middelpunt en het uitspansel van het leven dezelfde waren als het middelpunt en het uitspansel van de natuur. Hij zei dat hij hierover in onzekerheid verkeerde, en dat hij eerst had gedacht, dat de innerlijke werkzaamheid van de natuur het leven is, en dat de liefde en de wijsheid, die wezenlijk het leven van de mens maken, daaruit zijn, en dat het vuur van de zon, door de warmte en het licht, door middel van de atmosferen, deze werkzaamheden voortbrengen. Nu echter verkeerde hij in twijfel door de dingen die hij had gehoord over het leven van de mens na de dood. Deze onzekerheid droeg zijn gemoed soms omhoog, dan weer omlaag. Als het omhoog ging, erkende hij een middelpunt waarover hij vroeger niets geweten had, en als zijn gemoed omlaag viel, zag hij het middelpunt, dat hij voor het enige had gehouden. Hij geloofde nu dat het leven vanuit het middelpunt is, waarover hij vroeger niets geweten had en de natuur vanuit het middelpunt waarvan hij tevoren had gedacht dat dit het enige was, en dat het ene en het andere middelpunt een uitspansel om zich heen heeft. Hierop zeiden wij: ‘Goed! , mits u nu ook maar alleen vanuit het middelpunt en het uitspansel van het leven het middelpunt en het uitspansel van de natuur wilt beschouwen en niet omgekeerd.’ Wij onderrichtten hem toen dat er boven de engelenhemel een Zon is die louter Liefde is, schijnbaar vurig zoals de zon van de wereld, en dat de engelen en de mensen vanuit de warmte die vanuit die Zon voortgaat, de wil en de liefde hebben en dat ze vanuit het daaruit voortvloeiende licht verstand en wijsheid hebben. Verder, dat de dingen die daaruit voortkomen, geestelijke dingen worden genoemd, en dat de dingen die van de zon van de wereld uitgaan, de houders of de ontvangende vaten van het leven zijn, en natuurlijke dingen worden genoemd. Vervolgens dat het uitspansel van het middelpunt van het leven de geestelijke wereld wordt genoemd, die door haar Zon bestaat, en dat het uitspansel van het middelpunt van de natuur de natuurlijke wereld wordt genoemd, die door haar zon bestaat. En aangezien nu bij de Liefde en de Wijsheid niet van ruimte en tijd gesproken kan worden, maar in plaats daarvan van staten, zo volgt hieruit dat het uitspansel rondom de Zon van de engelenhemel, geen expansie is, maar wel in de uitgebreidheid is van de natuurlijke zon, en bij de levende wezens daar overeenkomstig hun opnemingen en de opnemingen overeenkomstig hun vormen en staten. Hij vroeg toen vanwaar het vuur van de zon van de wereld of van de natuur kwam. We antwoordden dat het is vanuit de Zon van de engelenhemel, die niet een vuur is, maar de Goddelijke Liefde die het dichtst voortgaat uit God, die in het midden van die Zon is. Daar hij zich hierover verwonderde, toonden we hem dit op de volgende wijze aan: ‘De liefde is in haar wezen een geestelijk vuur, vandaar komt het, dat het vuur in het Woord in de geestelijke zin de liefde betekent. Vandaar bidden priesters in de tempels, dat het hemelse vuur de harten moge vervullen, waaronder ze de liefde verstaan. Het vuur van het altaar, en het vuur van de kandelaar bij de Israëlieten beeldden niets anders uit dan de Goddelijke Liefde. De bloed- of levenswarmte van de mensen en ook algemener van de dieren, heeft geen andere oorsprong dan de liefde, die hun leven uitmaakt. Dit is de reden waarom een mens warm wordt, verhit en ontvlamt, als zijn liefde tot ijver wordt opgedreven of dat hij geprikkeld wordt tot woede en passie. Vandaar kan het uit het feit, dat de geestelijke warmte, die liefde is, en bij de mens natuurlijke warmte voortbrengt en wel dermate dat dit hun aangezichten en hun leden aansteekt en doet ontvlammen, duidelijk zijn, dat het vuur van de natuurlijke zon nergens anders uit ontstaan is, dan uit het vuur van de geestelijke Zon, die de Goddelijke Liefde is. Het uitspansel komt dus voort uit het middelpunt niet omgekeerd, zoals we net hebben gezegd, en het middelpunt van het leven dat de Zon van de engelenhemel is, is de Goddelijke Liefde. Deze gaat het dichtst vanuit God voort; Hij is in het centrum van die Zon en aangezien daaruit het uitspansel van dat middelpunt dat de geestelijke wereld wordt genoemd, is, en vanuit deze Zon de zon van de wereld is ontstaan, en hieruit haar uitspansel, dat de natuurlijke wereld wordt genoemd, zo blijkt duidelijk dat het heelal uit God geschapen is.’ Na deze woorden gingen we heen en hij begeleidde ons tot buiten het voorplein van zijn school. Hij sprak met ons over hemel en hel en over het goddelijke toezicht, vanuit een nieuw verstandig inzicht.

  
/ 853  
  
   Study this Passage

Swedenborg Boekhuis Baarle Nassau, Netherlands Nederlandse vertaling door Henk Weevers 2010. Link markup by NCBSP.


Vertalen: