Ware Christelijke Religie #308

Door Emanuel Swedenborg

Bestudeer deze passage

        |   
/ 853  
  

308. Men dient voor ogen te houden, dat uit de Heer voortdurend een Goddelijke sfeer van hemelse liefde voortgaat naar allen die de leer van Zijn Kerk omhelzen, en die zoals de kleine kinderen in de wereld hun vader en moeder, Hem gehoorzamen, zich Hem toewijden, en uit Hem gevoed, dat wil zeggen, onderricht willen worden. Uit deze hemelse sfeer ontstaat de natuurlijke sfeer, zoals die van de liefde tot de kleine en de grote kinderen, welke sfeer de meest universele is, en niet alleen de mensen raakt, maar ook de vogels en de beesten, tot aan de slangen toe; en ook niet alleen de bezielde maar ook de onbezielde wezens. Maar opdat de Heer ook op deze zou inwerken, evenals Hij op de geestelijke dingen inwerkt, heeft Hij de zon geschapen, die in de natuurlijke wereld als een vader zou zijn, en de aarde als een moeder; want de zon is als een gemeenschappelijke vader, en de aarde als een gemeenschappelijke moeder, en uit hun huwelijk ontstaan alle spruiten, die de oppervlakte van het aardrijk sieren. Uit de invloeiing van deze hemelse sfeer in de natuurlijke wereld ontstaan die wonderbaarlijke ontwikkelingen van de planten van zaad tot vruchten en tot nieuwe zaden. Vandaar komt het ook, dat er tal van plantensoorten zijn, die overdag, om zo te zeggen, hun aangezichten naar de zon keren, en ze afwenden, wanneer de zon ondergaat. Vandaar komt het ook, dat er bloemen zijn, die zich bij het opgaan van de zon openen en zich bij het ondergaan van de zon sluiten. Vandaar komt het ook, dat de zangvogels in de vroege dageraad liefelijk zingen, en evenzo nadat zij door hun moeder de aarde gevoed zijn. Zo eren al deze schepsels hun vader en hun moeder; al deze zijn getuigenissen, dat de Heer door middel van de zon en de aarde in de natuurlijke wereld voorziet in alle behoeften van de levende en niet-levende wezens. Daarom wordt bij David gezegd: ‘Looft Jehovah uit de hemelen, looft Hem, zon en maan; looft Hem van de aarde, gij walvissen en afgronden; looft Hem, vruchtboom, alle cederbomen, wild gedierte en alle beest, het kruipende en de gevleugelde vogel; de koningen der aarde en alle volken, jongelingen en maagden’, (Psalm 148:1-12); en bij Job:

‘Vraag, ik bid u, de beesten, en zij zullen u leren, of de vogelen van de hemel, en zij zullen het u verkondigen; of de struik van de aarde en hij zal u onderrichten; en de vissen van de zee zullen het u vertellen; wie weet niet uit al deze dat de hand van Jehovah dit gedaan heeft’, (Job 12:7-9). ‘Vraag, en zij zullen leren’, betekent: beschouw, geef aandacht, en oordeel daaruit, dat de Heer Jehovih ze geschapen heeft.

Vijfde Gebod

Gij zult niet doden

  
/ 853  
  

Swedenborg Boekhuis Baarle Nassau, Netherlands Nederlandse vertaling door Henk Weevers 2010. Link markup by NCBSP.