Ware Christelijke Religie #30

Door Emanuel Swedenborg

Bestudeer deze passage

  
/ 853  
  

30. III. God is, nadat de wereld gemaakt was, in de ruimte zonder ruimte, en in de tijd zonder tijd. Dat God en het Goddelijke, dat onmiddellijk uit Hem voortgaat, niet in de ruimte is, hoewel Hij alom tegenwoordig is, en bij ieder mens in de wereld en bij iedere engel in de hemel en bij iedere geest onder de hemel, kan niet met een louter natuurlijke voorstelling worden begrepen. Dat dit niet zo begrepen kan worden, komt omdat daarin ruimte is, want dit is gevormd vanuit zulke dingen als in de wereld zijn, en in alle en elk van de dingen daarvan, die met de ogen worden aanschouwd, is ruimte; al het grote en kleine daar behoort tot de ruimte, al wat daar lang, breed en hoog is, behoort tot de ruimte, in één woord, elke afmeting, figuur en vorm daar behoort tot de ruimte. Toch kan de mens dit enigermate met een natuurlijke gedachte begrijpen, wanneer hij daarin slechts iets van geestelijk licht toelaat. Maar eerst dient iets gezegd te worden over de voorstelling van de geestelijke gedachte; deze ontleent niets aan de ruimte, maar ontleent alles aan de staat ervan. ‘Staat’ wordt gezegd met betrekking tot liefde, tot leven, tot wijsheid, tot aandoeningen, tot vreugden en in het algemeen tot het goede en ware. Een waarlijk geestelijke voorstelling over deze dingen heeft niets gemeen met ruimte; deze is hoger en beschouwt de voorstellingen van de ruimte onder zich, zoals de hemel de aarde beschouwt. Dat God tegenwoordig is in de ruimte zonder ruimte, en in de tijd zonder tijd, komt, omdat God altijd dezelfde is, uit het eeuwige tot in het eeuwige, dus net zo vóór de geschapen wereld als erna, en omdat in God en voor God vóór de schepping geen ruimten en tijden waren, maar daarna, daarom is Hij, omdat Hij steeds dezelfde blijft, in de ruimte zonder ruimte, en in de tijd zonder tijd. Hieruit volgt dat de natuur van Hem gescheiden is en dat Hij evenwel in haar alomtegenwoordig is, nauwelijks anders dan zoals het leven in al het substantiële en stoffelijke van de mens is, hoewel het zich daarmee niet vermengt. Het is zoals het licht in de ogen, het geluid in de oren, de smaak in de tong, of zoals de ether in de aarde en in het water, waardoor de uit water en land bestaande aardbol wordt samengehouden en rondgevoerd, enzovoort. Wanneer deze werkende krachten werden opgeheven, zouden deze tot substanties en materies gemaakte dingen terstond ineenstorten of uiteenvallen; ja zelfs zou het menselijk gemoed, wanneer God niet overal en te allen tijde tegenwoordig was, uiteenspatten als een bel in de lucht; en de beide hersenen, waarin het gemoed vanuit de beginselen werkt, zouden tot schuim vergaan, en zo zou al het menselijke tot stof van de aarde worden en tot een in de atmosfeer drijvende geur. Aangezien God in alle tijd is zonder tijd, spreekt Hij in Zijn Woord over het verleden en over de toekomst in het tegenwoordige, zoals bij Jesaja: ‘Een Knaap is ons geboren, een Zoon is gegeven, wiens naam is Held, Vorst des vredes’, (Jesaja 9:5); en bij David:

‘Ik zal verkondigen aangaande het besluit; Jehovah heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U verwekt’, (Psalm 2:7).

Dit handelt over de Heer die komen zou, daarom wordt ook bij dezelfde gezegd:

‘Duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren’, (Psalm 90:4).

Dat God overal in de gehele wereld tegenwoordig is en er evenwel niets, wat aan de wereld eigen is in Hem, dat wil zeggen, niets wat tot ruimte en tijd behoort, kan uit verschillende andere plaatsen in het Woord duidelijk gezien worden door diegenen die zien en opmerkzaam zijn, zoals uit het volgende bij Jeremia:

‘Ben Ik een God van nabij, en niet een God van verre; zou zich de man in verborgen plaatsen kunnen verbergen, dat Ik hem niet zou zien; Ik vervul de gehele hemel en de gehele aarde’, (Jeremia 23:23-24).

  
/ 853  
  

Swedenborg Boekhuis Baarle Nassau, Netherlands Nederlandse vertaling door Henk Weevers 2010. Link markup by NCBSP.