Ware Christelijke Religie #281

Door Emanuel Swedenborg

Bestudeer deze passage

  
/ 853  
  

281. Vijfde gedenkwaardigheid. Aangezien het mij uit de Heer gegeven is tegelijkertijd in de geestelijke wereld en in de natuurlijke wereld te zijn is het mij vandaar mogelijk met engelen evenals met mensen te spreken. Daardoor leerde ik de staten kennen van degenen die na de dood aankomen in die tot dusver onbekende wereld. Ik heb daar gesproken met al mijn familieleden en vrienden en ook met koningen en hertogen en ook met geleerden die gestorven waren, en dit nu reeds voortdurend, al zevenentwintig jaar lang. Zo kan ik uit levende ondervinding de staten van de mens na de dood beschrijven, zowel de staten van hen die goed hebben geleefd, als de staten van hen die boos hebben geleefd. Hier zal ik alleen een en ander vermelden over de staat van degenen die zich in de valsheden van de leer bevestigd hebben uit het Woord. In het bijzonder degenen die dat gedaan hebben ten behoeve van ‘de rechtvaardiging door het geloof-alleen’.

De opeenvolgende staten van deze mensen zijn als volgt:

1. Wanneer ze overleden zijn en naar de geest weer leven, wat gewoonlijk gebeurt op de derde dag nadat het hart ophield te kloppen, schijnen ze zichzelf toe in een lichaam te zijn als waarin ze eerder in de wereld waren. Ze weten niet beter of ze leven nog in de vorige wereld, hoewel ze niet in een materieel maar in een substantieel lichaam zijn. Dit substantiële lichaam verschijnt voor hun zintuigen als een materieel lichaam, ofschoon dat dus niet het geval is.

2. Na enige dagen zien ze dat ze in een wereld zijn waarin verschillende gezelschappen zijn gevestigd; deze wereld wordt de wereld der geesten genoemd en ligt midden tussen de hemel en de hel. Alle gezelschappen daar, die ontelbaar zijn, zijn op wonderbaarlijke wijze geordend overeenkomstig de goede en boze natuurlijke aandoeningen. De gezelschappen die geordend zijn volgens de goede natuurlijke aandoeningen hebben gemeenschap met de hemel, en die geordend zijn volgens de boze aandoeningen hebben gemeenschap met de hel.

3. De nieuw aangekomen geest of de geestelijke mens wordt geleid naar en overgebracht in verschillende gezelschappen, zowel de goede als de boze. Hij wordt ernaar onderzocht of hij door goedheden en waarheden wordt aangedaan, en op welke wijze, dan wel of hij door boosheden en valsheden wordt aangedaan en op welke wijze.

4. Als hij door goedheden en waarheden wordt aangedaan, wordt hij uit de boze gezelschappen weggeleid en binnengeleid in verschillende goede gezelschappen. Tenslotte komt hij in een gezelschap dat met zijn natuurlijke aandoening overeenstemt. Daar geniet hij het goede dat met die aandoening overeenstemt, net zo lang totdat hij de natuurlijke aandoening aflegt en de geestelijke aandoening aantrekt; en dan wordt hij in de hemel geheven. Maar dit geschiedt met hen die in de wereld een leven van naastenliefde geleefd hebben en dus ook een leven van geloof, dat daarin bestaat, dat ze in de Heer geloofd hebben en boosheden als zonden hebben geschuwd.

5. Zij die zich in valsheden bevestigd hebben door redelijke dingen, vooral door het Woord, en op deze wijze geen ander leven dan een louter natuurlijk en dus boos leven geleefd hebben, worden uit de goede gezelschappen weggeleid en in verschillende boze gezelschappen gebracht, totdat ze in enig gezelschap komen dat met de begeerte van hun liefde overeenstemt. Boosheden immers begeleiden valsheden, en valsheden kleven de boosheden aan, en ze worden niet door goedheden en waarheden aangedaan maar door het boze en het valse.

6. Aangezien ze in de wereld in uitwendige dingen goede aandoeningen hebben geveinsd, hoewel er in hun innerlijk niets dan boze aandoeningen of begeerten was, worden ze bij beurten in de uitwendige dingen gehouden. Zij, die in de wereld leiding hebben gegeven aan gezelschappen, worden hier en daar in de wereld der geesten over gezelschappen aangesteld, over een volledig gezelschap of over een deel daarvan naar gelang van de omvang van het ambt dat ze vroeger bekleed hebben. Aangezien ze het ware niet liefhebben, en ook het rechtvaardige niet en ook niet voldoende verlicht kunnen worden, dat ze weten wat waar en rechtvaardig is, worden ze na enige dagen weer van hun post ontheven. Ik heb gezien hoe zulke geesten van het ene gezelschap naar het andere werd overgebracht en overal met een ambt belast werden, maar na korte tijd weer even vaak afgezet.

7. Na herhaaldelijk te zijn afgedankt begeren ze geen ambten meer, sommigen omdat ze uit ergernis niet meer willen, anderen omdat ze uit vrees voor verlies van hun naam niet durven. Ze trekken zich dan terug en zitten droefgeestig neer. Dan worden ze naar een verlaten gebied geleid, waar hutten staan die ze binnen gaan. Daar wordt hen werk te doen gegeven en naar gelang ze dit doen ontvangen ze voedsel en als ze het niet doen leiden ze honger en krijgen geen voedsel zodat de nood hen dwingt. De spijzen zijn daar gelijk aan de spijzen in onze wereld, maar ze hebben een geestelijke oorsprong en worden uit de Heer vanuit de hemel aan allen gegeven overeenkomstig de nutten die ze doen. De nietsnutten blijven ervan verstoken omdat ze van geen nut zijn.

8. Na enige tijd staat het werk hen tegen en dan verlaten ze de hutten. Als ze priesters zijn geweest willen ze bouwen en dan verschijnen direct stapels gehouwen stenen, tegels, latten, planken en ook hopen riet en biezen, leem, kalk en teer. Als ze dit zien ontbrandt in hen de lust tot bouwen en beginnen dan ook een huis te bouwen. Nu eens nemen ze een steen, dan een stuk hout, dan riet, dan klei en leggen deze zaken wanordelijk op elkaar, maar in hun eigen ogen is het wel ordelijk. Maar wat ze overdag bouwen, stort ‘s nachts weer in elkaar, maar de volgende dag zoeken ze de uit elkaar gevallen stukken weer bijeen, en gaan opnieuw bouwen net zolang tot het hun begint te vervelen. Dit geschiedt uit overeenstemming, die daarin bestaat, dat ze plaatsen uit het Woord opeengehoopt hebben om de valsheden van het geloof te bevestigen en met deze valsheden kunnen ze hun kerk op geen andere wijze bouwen.

9. Daarna gaan ze uit verveling heen en zitten verlaten en zonder iets te doen neer en aangezien aan nietsnutten, zoals eerder gezegd, geen voedsel uit de hemel wordt gegeven, beginnen ze hongerig te worden. Ze denken dan aan niets anders meer dan hoe aan voedsel te komen en hun honger te stillen. Wanneer ze in die staat zijn komen er enigen tot hen, aan wie ze een aalmoes vragen, maar dezen zeggen: ‘Waarom zit u hier zo niets te doen. Komt met ons mee naar huis en we zullen u iets te doen geven en u voedsel geven.’ Dan staan ze blij op en gaan met hen mee naar huis, en daar wordt aan eenieder zijn werk opgelegd en voor dit werk voedsel gegeven. Maar aangezien allen die zich in de valsheden van het geloof bevestigd hebben geen werken van goed nut kunnen verrichten, maar alleen werken van boos nut, werken ze ook niet plichtsgetrouw maar bedrieglijk en ook met tegenzin. Ze verlaten hun werk dan ook en houden alleen maar van ontmoetingen, praten, rondlopen en slapen. Daar ze dan niet meer door hun meesters aan het werk kunnen worden gezet, worden ze als nutteloos weggestuurd.

10. Als ze dan zijn weggestuurd, wordt hun de ogen geopend en zien ze een weg die naar een soort grot leidt. Als ze daar aankomen wordt de ingang geopend en gaan ze naar binnen en vragen daar of er voedsel is. Als hun wordt geantwoord dat daar voedsel is, vragen ze of ze daar mogen blijven en er wordt hun gezegd dat ze dat mogen. Dan worden ze verder binnengeleid en wordt de ingang achter hen gesloten. Dan komt de opzichter van die grot en zegt tegen hen: ‘U kunt hier niet meer weg; u ziet hier uw metgezellen; allen werken, en al naar ze werken, wordt hun uit de hemel voedsel gegeven; ik zeg u dit opdat u het weet.’ Hun metgezellen zeggen dan ook: ‘Onze opzichter weet, tot welk werk eenieder geschikt is en zulk een werk draagt hij aan iedereen dagelijks op. Op de dag dat u dit werk volbrengt ontvangt u voedsel en als u het niet doet wordt u noch voedsel noch kleding gegeven. Als iemand een ander boos doet wordt hij in een hoek van de grot geworpen, op een bed van verdoemde stof, waar hij jammerlijke kwellingen ondergaat. Dit duurt zolang totdat de opzichter een teken van berouw bij hem ziet; dan wordt hij daar vandaan gehaald en wordt hem bevolen zijn werk te doen.’ Er wordt hem ook gezegd dat het eenieder na gedane arbeid veroorloofd is, rond te wandelen, te praten en daarna te slapen. Hij wordt dan dieper in de grot geleid waar hoeren zijn, waaruit ieder er zich een neemt en die hij zijn vrouw mag noemen, maar met anderen overspel te plegen is onder bedreiging van straffen verboden. Uit dergelijke holen die niets anders dan eeuwige tuchthuizen zijn, bestaat de hel. Het werd mij gegeven om in enige binnen te gaan om ze te zien en bekend te maken. Allen die zich daar bevonden verschenen als verworpelingen, en geen van hen wist, wie hij was geweest en in welk ambt hij in de wereld geweest was. Maar een engel die bij mij was, zei mij dat die ene persoon in de wereld een bediende was geweest, een andere soldaat en die een overheidspersoon, die een priester, die had een hoge waardigheid gehad en die had in rijkdom geleefd. Toch weten allen niet beter of ze zijn slaven en gelijkgezinden geweest. Dit is vanuit deze oorzaak: dat allen innerlijk aan elkaar gelijk waren, hoewel ze uiterlijk van elkaar verschillen, en de innerlijke dingen allen in de geestelijke wereld doen vergezelschappen.

Wat de hellen in het algemeen betreft, deze bestaan uit louter dergelijke holen en tuchthuizen, maar die, waar de satans zijn, verschillen van die waar de duivels zijn. Satans worden diegenen genoemd die in valsheden en de daaruit voortvloeiende boosheden zijn geweest. Duivels worden diegenen genoemd die in boosheden en de daaruit voortvloeiende valsheden zijn geweest. De satans verschijnen in het licht van de hemel loodkleurig, als lijken, en sommigen zwart als mummies, de duivels verschijnen daarentegen in het licht van de hemel donkervurig, en sommigen zwart als roet. Allen zijn monsterachtig van aangezicht en lichaam; maar in hun eigen licht, dat lijkt op het licht van vurige kolen, verschijnen ze niet als monsters, maar als mensen. Dit wordt hun gegeven, opdat ze in gezelschap van elkaar kunnen zijn.

  
/ 853  
  

Swedenborg Boekhuis Baarle Nassau, Netherlands Nederlandse vertaling door Henk Weevers 2010. Link markup by NCBSP.