Engelenwijsheid over de Goddelijke Liefde en de Goddelijke Wijsheid #66

Door Emanuel Swedenborg

Bestudeer deze passage

  
/ 432  
  

66. Er zijn drie graden van opklimming in de natuurlijke wereld, en er zijn drie graden van opklimming in de geestelijke wereld. Alle dieren zijn opnemende schepsels van het leven; de meer volmaakte dieren zijn de opnemende dingen van het leven van de drie graden van de natuurlijke wereld; de minder volmaakte zijn de opnemende dingen van het leven van twee graden van die wereld, en de onvolmaakte zijn de opnemende dingen van de ene graad ervan; maar alleen de mens is de opnemende van het leven van de drie graden, niet slechts van de natuurlijke wereld, maar ook van de drie graden van de geestelijke wereld. Vandaar is het, dat de mens kan verheven worden boven de natuur, anders dan enig dier. Hij kan analytisch en redelijk denken over de burgerlijke en de zedelijke dingen die binnen de natuur zijn, en hij kan het eveneens over de geestelijke en de hemelse dingen, die boven de natuur zijn; ja zelfs kan hij verheven worden in wijsheid, tot hij God ziet. Maar over de zes graden, waardoor de nutten van alle dingen die geschapen zijn, in hun orde opklimmen tot aan God de Schepper toe, moet op betreffende plaats gehandeld worden. Vanuit deze beknopte samenvatting kan dit worden gezien dat er een opklimming is van alle dingen die geschapen zijn, tot de Eerste, die alleen het Leven is, en dat de nutten van alle dingen de opnemende dingen zelf zijn van het leven, en daaruit de vormen van de nutten.

  
/ 432  
  

Published by Swedenborg Boekhuis.