Engelenwijsheid over de Goddelijke Liefde en de Goddelijke Wijsheid #350

Door Emanuel Swedenborg

Bestudeer deze passage

      |   
/ 432  
  

350. Diegenen zijn weliswaar te verontschuldigen die zekere zichtbare dingen aan de natuur hebben toegeschreven, vanuit een tweevoudige oorzaak: de eerste, dat zij niet iets wisten over de Zon van de hemel, waar de Heer is, en over de invloeiing daaruit; noch iets over de geestelijke wereld en de staat ervan; ja zelfs ook niet iets over de aanwezigheid ervan bij de mens en dat zij vandaar niet anders konden denken dan dat het geestelijke een zuiverder natuurlijke zou zijn; en zo dat de engelen ofwel in de ether ofwel in de sterren zouden zijn. Voorts over de duivel dat hij zou zijn ofwel het boze van de mens ofwel indien hij werkelijk bestond, dat hij zou zijn ofwel in de lucht ofwel in de diepten. Verder ook dat de zielen van de mensen na de dood ofwel zouden zijn in het binnenste van de aarde, ofwel in een onbepaald ergens tot aan de ‘dag van het gericht’ en eendere dingen die de fantasie aanbrengt vanuit de onwetendheid van de geestelijke wereld en de Zon ervan. De tweede oorzaak dat zij te verontschuldigen zouden zijn, is dat zij niet weten konden hoe het Goddelijke alle dingen zou voortbrengen die op de aarde verschijnen, waar zowel goede als boze dingen zijn, omdat zij vrezen dat als zij dit bij zich zouden bevestigen, zij niet ook de boze dingen aan God zouden toeschrijven en niet een stoffelijk idee van God zouden opvatten, en God en de natuur één maken en zo beide verwarren. Dit tweetal oorzaken zijn het, dat diegenen te verontschuldigen zijn die geloofd hebben dat de natuur de zichtbare dingen voortbrengt vanuit het aan de schepping ingeënte. Niettemin zijn diegenen die zich door bevestigingen voor de natuur atheïsten hebben gemaakt, niet te verontschuldigen, omdat zij zich vóór het Goddelijke hadden kunnen bevestigen; de onwetendheid verontschuldigt weliswaar, maar neemt het bevestigde valse niet weg, want dit valse kleeft met het boze samen, en zo dus met de hel. Daarom achten diegenen die zich voor de natuur bevestigd hebben tot aan die mate dat zij het Goddelijke van de natuur scheiden, niet iets voor zonde, omdat alle zonde tegen het Goddelijke is dat zij gescheiden en zo verworpen hebben; en zij die niets voor zonde achten in de geest, storten zich na de dood, als zij geesten worden, en aan de hel gebonden zijn, in misdadigheden volgens de begeerten waaraan zij de teugels hebben gevierd.

  
/ 432  
  

Published by Swedenborg Boekhuis.