Engelenwijsheid over de Goddelijke Liefde en de Goddelijke Wijsheid #1

Door Emanuel Swedenborg

Bestudeer deze passage

        |   
/ 432  
  

1. DE LIEFDE IS HET LEVEN VAN DE MENSEN.

De mens weet dat de liefde bestaat, maar hij weet niet wat de liefde is. Hij weet dat de liefde bestaat vanuit het gewone spraakgebruik, zoals wanneer gezegd wordt: ‘hij heeft mij lief, de koning heeft de onderdanen lief en de onderdanen hebben de koning lief, dat de echtgenoot de echtgenote liefheeft en de moeder de kinderen, en omgekeerd’. Voorts, ‘dat iemand het vaderland, de medeburgers, de naaste liefheeft’; eveneens over dingen geabstraheerd van de persoon, zoals ‘dat hij dit of dat liefheeft’. Maar hoewel het woord liefde zo universeel is in de spraak, weet toch nauwelijks iemand wat liefde is. Als hij erover nadenkt zegt hij, omdat hij er zich niet enige gedachte over kan vormen, ofwel dat het niet iets is, ofwel dat het alleen iets is dat invloeit vanuit gezicht, gehoor, tast en conversatie en hem zo aandoet. Hij weet in het geheel niet dat dit het leven zelf van hem is, niet slechts het leven in het algemeen, van zijn gehele lichaam en het gezamenlijke leven van al zijn gedachten, maar ook het leven van al de afzonderlijke dingen ervan. Dit kan de wijze mens inzien wanneer gezegd wordt: indien men de aandoening, die van de liefde is, verwijdert, kunt u dan iets denken, en kunt u dan iets doen? Worden gedachten, conversaties en handelingen niet koud in de mate waarin de aandoening, die van de liefde is, koud wordt? En worden die niet warm naar de mate waarin de aandoening warm wordt. Maar deze dingen doorvat de wijze niet vanuit de kennis dat de liefde het leven van de mens is, maar uit de eenvoudige waarneming dat het zo geschiedt.

  
/ 432  
  

Published by Swedenborg Boekhuis.