Over de Gemeenschap Tussen Ziel en Lichaam #13

Door Emanuel Swedenborg

Bestudeer deze passage

  
/ 20  
  

13. Hierboven is aangetoond dat een mens niet zelf leven is, maar een orgaan dat leven vanuit God opneemt; dat liefde, met wijsheid samen verenigd, leven is, en dat God de liefde zelf en de wijsheid zelf, en dus het leven zelf is. Hieruit volgt dat naarmate een mens de wijsheid liefheeft of, wat hetzelfde is, naarmate er wijsheid in de schoot der liefde bij hem te vinden is, in die mate is hij een beeld van God, met andere woorden: een opnameorgaan (receptakel) van leven uit God. Omgekeerd volgt er ook uit dat hij, naarmate hij in de tegenovergestelde liefde en daardoor in dwaasheid verkeert, in die mate zijn leven niet uit God ontvangt maar uit de hel, en dit leven wordt dood genoemd.

De liefde zelf en de wijsheid zelf zijn niet leven. Zij vormen evenwel het eigenlijke wezen (esse) van het leven, en de vreugde (iucunda) van de liefde en de bekoorlijkheid (amoena) van de wijsheid, die de gevoelens daarvan vormen, maken het leven uit; want door middel van deze treedt het wezen van het leven tevoorschijn. De influx van leven vanuit God brengt deze vreugde en bekoorlijkheid met zich mee, net zoals de influx van licht en warmte in de lente overeenkomstige gevoelens in het gemoed van de mens teweegbrengt, evenals in vogels en dieren van ieder soort, ja zelfs in de voortbrengselen van het plantenrijk, die dan uitspruiten en vrucht geven. Want de vreugden van de liefde en de bekoorlijkheden van de wijsheid openen en verruimen de gevoelens van het natuurlijke gemoed en maken die geschikt voor de opname, net zoals blijdschap en opgeruimdheid de gelaatstrekken verruimen en ze in staat stellen de influx van vreugde uit de ziel op te nemen.

De mens die door liefde voor de wijsheid wordt geraakt, is als het ware een hof van Eden, waarin twee bomen staan: de boom des levens en de boom der kennis van goed en kwaad. De boom des levens is de opname van liefde en wijsheid uit God, en de boom der kennis van goed en kwaad is de opname van liefde en wijsheid van de mens zelf. In het laatste geval is de mens waanzinnig, hoewel hij meent wijs te zijn als God. In het eerste geval is de mens werkelijk wijs; hij gelooft dan dat niemand wijs is dan God alleen, en dat de mens alleen wijs is voor zover hij dat gelooft en, meer nog, als hij in zichzelf voelt dat hij dat wil.

Over dit onderwerp vindt men echter verdere bijzonderheden in de gedenkwaardigheden in de verhandeling over de Echtelijke Liefde 132-136.

Ik zal hier een verborgenheid aan toevoegen, waardoor het bovenstaande vanuit de hemel bevestigd wordt. Alle engelen in de hemel wenden hun voorhoofd naar de Heer als een zon, en alle geesten in de hel keren Hem hun achterhoofd toe.

De laatsten ontvangen de influx in de geneigdheden van hun wil, die op zichzelf kwade begeerten zijn en het verstand ertoe brengen ze te begunstigen. De eersten ontvangen een influx in de geneigdheden van hun verstand, dat de wil aanspoort om daarheen te neigen. Vandaar dat de engelen van de hemel in een staat van wijsheid verkeren en de geesten van de hel in een staat van dwaasheid.

Het menselijke verstand heeft zijn zetel in de grote hersenen, dat gedeelte van de hersenen dat achter het voorhoofd ligt, en de wil in de kleine hersenen, die in het achterhoofd liggen. Wie weet niet dat een mens, die tengevolge van verkeerde beginselen in een ongezonde geestestoestand verkeert, aan de lusten en begeerten van zijn kwade toestand toegeeft en zich daarin sterk maakt op grond van beweegredenen die zijn verstand hem aangeeft? Wie weet ook niet dat een wijs mens door het licht van de waarheid het ware karakter van de lusten en begeerten van zijn wil inziet en ze beteugelt? De wijze mens doet dit omdat hij zijn gezicht naar God toekeert, met andere woorden: omdat hij in God gelooft en niet in zichzelf. De onzinnige mens daarentegen handelt zoals hierboven omschreven, omdat hij zijn gezicht van God afwendt, dat wil zeggen omdat hij in zichzelf gelooft en niet in God. In zichzelf geloven wil zeggen: geloven dat men liefheeft en wijs is uit zichzelf en niet uit God, en dat wordt bedoeld met het eten van de boom der kennis van goed en kwaad; in God geloven is geloven dat men liefheeft en wijs is door God en niet uit zichzelf, en dit is eten van de boom des levens (Apocalyps 2:7).

Uit het voorgaande kan men nu een inzicht krijgen - hoewel nog onduidelijk, als het ware als bij het licht van de maan in de nacht - van de waarheid dat de opname van de influx van het leven, dat van God uitgaat, gebeurt in overeenstemming met de staat van liefde en wijsheid waarin de mens verkeert. Deze influx kan nog verder worden toegelicht met behulp van de influx van licht en warmte in de voortbrengselen van het plantenrijk, die bloeien en vrucht dragen volgens de wijze waarop de vezels waaruit ze bestaan zijn samengesteld, en dus volgens de aard van hun opname; of ook door het invloeien van de lichtstralen in edelstenen, die uit die stralen kleuren vormen al naargelang de specifieke positie van hun samenstellende delen, dus weer volgens de aard van hun opname. En tenslotte kan een toelichting worden ontleend aan het verschijnsel van lichtbreking in optische instrumenten en in regendruppels, die voor het oog een regenboog vormen naargelang het invallen en breken van het licht, dus ook naar de mate waarin dat licht werd opgenomen. Met de menselijke geesten is het net zo gesteld ten opzichte van het geestelijke licht, dat an de Heer als van een zon uitgaat en hun ononderbroken toevloeit, maar niettemin verschillend wordt opgenomen.

XII. Het verstand van de mens kan in het licht worden verheven, dat wil zeggen in de wijsheid waarin de engelen van de hemel zijn, al naar gelang de graad van zijn verstandelijke ontwikkeling, en zijn wil kan ook worden verheven in de warmte, dat wil zeggen in de liefde, al naargelang de daden van zijn leven; maar de liefde van zijn wil wordt slechts in zoverre verheven als een mens wil en doet wat de wijsheid van het verstand hem leert.

  
/ 20  
  

Published by Swedenborg Boekhuis.