Het Laatste Oordeel #13

Study this Passage

        
/ 74  
  

13. (6) Alle Goddelijk werk beoogt het oneindige en eeuwige.

Uit vele dingen die zowel in de hemel als in de wereld bestaan blijkt dit. In geen van beide is er één ding, dat geheel en al gelijkt op een ander, of daaraan gelijk is. Ook is er geen gelaat, dat geheel en al op een ander lijkt of het zelfde is, en dat zal in de eeuwigheid niet plaats vinden. Op dezelfde wijze is er geen enkel karakter geheel gelijk aan een ander. Daarom zijn er zoveel aangezichten en karakters als er mensen zijn en ook als er engelen zijn. Nooit bestaat er in een mens, wiens lichaam uit zo vele ontelbare delen bestaat, en wiens karakter uit ontelbare genegenheden bestaat, ook maar iets dat geheel en al gelijkt of hetzelfde is als iets in een ander mens. Vandaar is het, dat iedereen een leven leidt, verschillend van dat van iemand anders. Evenzo is het in alles en in ieder ding der natuur. Dat er zo'n oneindige verscheidenheid is in alles en in ieder ding, heeft zijn oorzaak daarin, dat alles zijn oorsprong heeft uit het Goddelijke, dat oneindig is. Er is overal een zeker beeld van oneindigheid, met het doel, dat alles door de Godheid zal worden beschouwd als Zijn eigen werk en tegelijkertijd, opdat alles naar het Goddelijke ziet als Zijn werk. Op welke wijze elk ding in de natuur betrekking heeft op oneindigheid en eeuwigheid, mag door het volgende enigszins duidelijk worden. Elk zaad, de vrucht van een boom, een graankorrel of een bloem, is zo geschapen, dat het tot in het oneindige kan worden vermenigvuldigd en tot in eeuwigheid kan duren; want uit ÚÚn zaad worden meerdere geboren, vijf, tien, twintig, honderd; en uit elk daarvan opnieuw zovele. Wanneer die vruchtbaarheid uit een zaad slechts voor honderd jaren aanhoudend voortduurde, dan zou het niet alleen het oppervlak van een aardbol kunnen bedekken, maar ook het oppervlak van tienduizenden andere aardbollen. Diezelfde zaden zijn ook z¾ geschapen, dat hun duur voor eeuwig is; waaruit blijkt, hoe hierin het denkbeeld ligt van oneindigheid en eeuwigheid, en zo is het ook met de overige dingen.

De engelenhemel is het einddoel, waartoe alle dingen in het heelal geschapen zijn, want de engelenhemel is het doel waartoe de mensheid bestaat; en het menselijk geslacht is het doel, waartoe de zichtbare hemel, met inbegrip van de wereldbollen, geschapen zijn. Het Goddelijk werk van de engelenhemel heeft allereerst oneindigheid en eeuwigheid op het oog, en bij gevolg is zijn vermeerdering zonder einde, want daar woont het Goddelijke Zelf. Vandaar is het ook duidelijk dat het menselijk geslacht nooit zal ophouden, want indien het ophield zou een Goddelijk werk tot een zeker getal begrensd worden, en zou de betrekking tot het oneindige verloren gaan.

  
/ 74  
  
   Study this Passage

Published by Swedenborg Boekhuis.


Vertalen: