Hemel en Hel #60

Door Emanuel Swedenborg

Bestudeer deze passage

  
/ 603  
  

60. Zij die niet het juiste idee hebben over geestelijke en hemelse dingen, kunnen niet beseffen dat de hemelse en geestelijke dingen in een dergelijke vorm en beeltenis zijn gerangschikt en samengevoegd. Zij denken dat de aardse en stoffelijke dingen, waaruit het uitwendige van de mens bestaat, hem mens maken, en dat zonder deze dingen de mens geen mens is. Maar ze zouden moeten weten dat de mens niet door dié dingen mens is, maar vanwege zijn vermogen om te begrijpen wat waar is en te willen wat goed is. Dat begrijpen en willen zijn de geestelijke en hemelse dingen die een mens maken. Bovendien ziet men ook in, dat ieders hoedanigheid bepaald wordt door de hoedanigheid van zijn verstand en wil en kan men ook weten dat zijn aardse lichaam is gevormd om zijn verstand en wil op aarde te dienen en nuttige dingen te doen, die daarmee in overeenstemming zijn in de meest uiterlijke sfeer van de natuur. Daarom doet het lichaam niets uit zichzelf, maar wordt altijd met volledige ondergeschiktheid bewogen naar de wenken van het verstand en de wil. Zelfs bij alles wat iemand denkt, alles wat hij met zijn tong en mond spreekt en alles wat hij wil en wat hij doet met zijn lichaam en ledematen, zijn het het verstand en de wil die handelen en het lichaam uit zichzelf doet niets. Duidelijk is dus dat de dingen van het verstand en de wil de mens vormen en aangezien deze tot in de kleinste deeltjes van het lichaam doorwerken, zoals wat innerlijk is in wat uitwendig is, moeten zij dezelfde vorm hebben en om deze reden wordt de mens een innerlijk en geestelijk mens genoemd. De hemel is zo'n mens in de grootste en meest volmaakte vorm.

  
/ 603  
  

Thanks to the Swedenborg Boekhuis NL and Guus Janssens for their permission to use this translation.