Hemel en Hel #461

Door Emanuel Swedenborg

Bestudeer deze passage

  
/ 603  
  

461. DE MENS BLIJFT NA ZIJN DOOD IN HET BEZIT VAN ALLE ZINTUIGEN, VAN GEHEEL ZIJN GEHEUGEN EN VAN AL DE GEDACHTEN EN AANDOENINGEN DIE HIJ HAD IN DE WERELD. HIJ LAAT NIETS ACHTER DAN ZIJN AARDSLICHAAM

Wanneerde mens uit de natuurlijke wereld in de geestelijke overgaat, neemt hij alles mee wat tot zijn wezen als mens behoort, uitgezonderd zijn aards lichaam. Dit is mij uit veelvuldige ervaring gebleken. Wanneer hij de geestelijke wereld of het leven na de dood intreedt, is hij in een lichaam zoals in de wereld. Naar alle schijn is er volstrekt geen verschil, want hij kan geen verschil voelen of zien. Maar zijn lichaam is nu van een geestelijke natuur en dus gescheiden of gezuiverd van wat aards is, en daar nu het geestelijke voelt en ziet wat geestelijk is, zo is de uitwerking op de zinnen volmaakt hetzelfde als toen het natuurlijke voelde en zag wat natuurlijk was. Daardoor is het dat, wanneer hij een geest is geworden, hij niet beter weet dan dat hij in het lichaam is, waarin hij in de wereld was; hij is zich derhalve niet bewust dat hij gestorven is. De mens die nu een geest is, is in het genot van alle zinnen, zowel innerlijk als uiterlijk, gelijk in de wereld. Hij ziet als tevoren; hoort en spreekt als tevoren; hij ruikt, voelt en is bij aanraking gevoelig gelijk tevoren; hij verlangt, begeert, wenst, denkt, overweegt, wordt aangedaan, bemint en wil als tevoren, en de mens die lust heeft in studie, leest en schrijft als tevoren. In één woord, de overgang van de mens van het ene leven in het andere of van de ene wereld in de andere is het gaan van de ene plaats naar de andere. Hij neemt mee wat hij als mens in zichzelf bezit. Er kan niet gezegd worden, dat de mens na zijn dood iets dat tot zijn wezen behoort, heeft verloren; alleen zijn aardse lichaam is dood. Hij draagt met zich zijn natuurlijk geheugen, want al wat hij ooit in de wereld hoorde, zag, las, leerde of dacht, van zijn vroegste kindsheid af tot de laatste dag van zijn leven toe blijft hem bij. De natuurlijke voorwerpen even wel, die in zijn geheugen zijn opgenomen, rusten, evenals zij rusten wanneer de mens in de wereld er niet aan denkt, want zij kunnen in de geestelijke wereld niet weer te voorschijn gebracht worden; zij worden echter weer in geheugen teruggeroepen, wanneer de Heer het zo wil. Van het geheugen en de staat ervan na de dood zal het er in hetgeen volgt meer worden gezegd. De zinnelijke mens kan volstrekt niet geloven, dat de staat van de mens na de dood zodanig is, want hij begrijpt niet hoe dit zijn kan, daar de zinnelijke mens niet anders dan op de natuurlijke wijze, ook over geestelijke zaken, kan denken. Wat hij daarom niet gewaar wordt door zijn zinnen, niet ziet met zijn ogen, of voelt met de zinnen van het lichaam, dat bestaat niet voor hem, zoals wij lezen over Thomas in Johannes 20:25, 27, 29. at de zinnelijke mens is, kan men zien in nr. 267.

  
/ 603  
  

Thanks to the Swedenborg Boekhuis NL and Guus Janssens for their permission to use this translation.