Hemel en Hel #342

Door Emanuel Swedenborg

Bestudeer deze passage

      |   
/ 603  
  

342. Ik sprak met engelen over de kinderen, en vroeg of zij vrij van kwaad waren, omdat bij hen geen werkelijk kwaad is, wals bij volwassenen; maar mij werd gezegd, dat zij werkelijk evenzo in het kwade waren, en niets dan kwaad waren, maar dat zij, wals alle engelen, van het kwade afgehouden en in het goede behouden worden door de Heer, zodat het hun daardoor voorkomt, alsof zij door zichzelf in het goede zijn. Opdat daarom kinderen, nadat zij in de hemel zijn opgegroeid, geen verkeerde mening omtrent zichzelf zouden hebben en zich niet zouden verbeelden dat het goede dat zij in zich hebben, uit henzelf is en niet van de Heer, worden zij soms in het kwade dat zij erfden teruggeplaatst en daarin gelaten tot zij de waarheid hieromtrent weten, erkennen en geloven. Een zeker iemand, de won van een vorst, welke zoon in zijn kindsheid overleed en in de hemel opgroeide, koesterde zulk een mening. Hij werd bijgevolg teruggeplaatst in het leven van het kwade waarin hij geboren was en toen bemerkte ik dat hij volgens zijn levenssfeer neigingen had over anderen te heersen en echtbreuk als niets te achten, welke euvels hij van zijn ouders had geërfd. Maar nadat hij had erkend deze aard te hebben, werd hij opnieuw onder de engelen ontvangen bij wie hij vooraf in gezelschap was. Niemand krijgt in het ander leven ooit straf wegens geërfd kwaad, omdat het niet van hemzelf is en het dus ook niet zijn fout is; maar wel wordt hij gestraft voor het werkelijk kwaad dat van hemzelf is en bijgevolg naarmate hij geërfd kwaad tot het zijne gemaakt heeft in het werkelijke leven. Dat kinderen, wanneer zij volwassen zijn, in de staat van hun erfelijk kwaad teruggebracht worden, geschiedt niet opdat zij daarvoor bestraffing zouden ondergaan, maar alleen opdat zij zouden leren dat zij uit zichzelf niets dan kwaad zijn, dat zij door de genade van de Heer uit de hel, die hen aankleeft, in de hemel gebracht worden en dat zij niet door enige verdienste uit zichzelf maar door de Heer alleen in de hemel zijn en dat zij bijgevolg zich niet mogen beroemen tegenover anderen over het goede dat in hen is, want dit is evenzeer tegen het goede van de onderlinge liefde als tegen het ware van het geloof.

  
/ 603  
  

Thanks to the Swedenborg Boekhuis NL and Guus Janssens for their permission to use this translation.