Hemel en Hel #171

Door Emanuel Swedenborg

Bestudeer deze passage

  
/ 603  
  

171. Het is onmogelijk met weinige woorden te beschrijven, welke de dingen zijn, die aan de engelen in de hemel verschijnen; zij gelijken grotendeels op de dingen van de aarde, maar zijn volmaakter, wat hun gestalte betreft en nog groter in aantal. Dat zulke dingen in de hemel zijn, kan blijken uit hetgeen de profeten zagen, zoals bijvoorbeeld uit hetgeen Ezechiël van de nieuwe tempel en van de nieuwe aarde zag, hetgeen in hoofdstuk 40; 41; 42; 43; 44; 45; 46; 47; 48 beschreven wordt; uit hetgeen Daniël, hoofdstuk 7; 8; 9; 10; 11; 12 zag; uit hetgeen Johannes zag van het eerste tot het laatste hoofdstuk van de Apocalyps; en die welke door anderen gezien werden, waarover zowel in de geschiedkundige als in de profetische boeken van het Woord gesproken wordt. Zulke dingen verschenen hun, wanneer de hemel hun ontsloten werd, en de hemel heet geopend, wanneer het innerlijk gezicht, dat het gezicht van de geest van de mens is, geopend wordt. Want de dingen in de hemel kunnen niet met de ogen van het lichaam van de mens worden gezien, maar alleen met de ogen van zijn geest en zodra het de Heer goeddunkt, worden die geopend, terwijl dan de mens onttrokken wordt aan het natuurlijke licht, waarin hij naar de zinnen van zijn lichaam is en verheven wordt in het Geestelijke licht, waarin hij door zijn geest is. In dit licht zag ik wat in de hemelen is.

  
/ 603  
  

Thanks to the Swedenborg Boekhuis NL and Guus Janssens for their permission to use this translation.