Hemel en Hel #17

Door Emanuel Swedenborg

Bestudeer deze passage

      |   
/ 603  
  

17. Alle bewijs in de hemel getuigt ervan dat het Goddelijke dat uit de Heer voortgaat, hetgeen de engelen beïnvloedt en de hemel maakt, liefde is. Want allen die daar zijn, zijn vormen van liefde en naastenliefde. Zij verschijnen in onbeschrijfelijke schoonheid en de liefde straalt hun uit het gelaat, uit hun spraak en uit alle bijzonderheden van hun leven. Bovendien gaan er van iedere engel en geest geestelijke sferen van leven uit, die hen omgeven. Door deze sferen kan men, soms op een vrij grote afstand, weten hoe zij zijn ten aanzien van emoties en liefden. Want die sferen vloeien uit van het leven van ieder z'n emoties en de daaruit voortkomende gedachten, of van het leven van zijn liefde en het daaruit voortkomende geloof. De sferen die uit de engelen voortgaan, zijn zó vol van liefde, dat ze de meest innerlijke dingen van het leven beïnvloeden van hen die bij hen zijn. Ik heb ze herhaaldelijk waargenomen en zij hebben me inderdaad op die manier geroerd. Dat liefde voor engelen de bron van hun leven is, bleek uit het feit dat iedereen in het andere leven zich in de richting van zijn liefde keert. Zij die in liefde tot de Heer en liefde tot de naaste verkeren, keren zich steeds tot de Heer; zij echter die in eigenliefde verkeren, keren zich steeds van de Heer af. Dit gebeurt tijdens iedere beweging van hun lichaam. Want in het andere leven zijn afstanden afhankelijk van hun innerlijke staat, met windstreken is dat ook, die worden daar niet bepaald als op aarde, maar zijn ingedeeld volgens de richting waarin zij kijken. Het zijn echter niet de engelen die zich tot de Heer keren, maar het is de Heer die diegenen tot Zich keert die er van houden de dingen te doen die van Hem zijn. Maar hierover zal meer geschreven worden in wat volgt, waar het gaat over de windstreken in het andere leven.

  
/ 603  
  

Thanks to the Swedenborg Boekhuis NL and Guus Janssens for their permission to use this translation.