Goddelijke Voorzienigheid #92

Door Emanuel Swedenborg

Bestudeer deze passage

  
/ 340  
  

92. 6. De verbinding van de Heer met de mens en de wederkerige verbinding van de mens met de Heer geschiedt door die beide vermogens.

De verbinding met de Heer en de wederverwekking zijn één, want voor zoveel als iemand met de Heer is verbonden, voor zoveel is hij wederverwekt. Daarom kan alles wat boven is gezegd over de wederverwekking, ook gezegd worden over de verbinding, en wat hier gezegd wordt over de verbinding, kan ook gezegd worden over de wederverwekking. Dat er verbinding van de Heer met de mens is, en een wederkerige verbinding van de mens met de Heer, leert de Heer zelf bij Johannes: ‘Blijft in Mij, ook Ik in u; wie in Mij blijft en Ik in hem, deze draagt veel vrucht’, (Johannes 15:4, 5); ‘In die dag zult gij bekennen dat gij in Mij en Ik in u’, (Johannes 14:20). Ieder kan vanuit de rede alleen al zien dat er niet enige verbinding van de gemoederen is tenzij die ook wederkerig is en dat het wederkerige verbindt. Indien iemand de ander liefheeft en niet op zijn beurt wordt geliefd, dan treedt naar gelang de een toetreedt de ander terug. Maar indien hij op zijn beurt wordt geliefd, dan treedt naar gelang de een toetreedt, ook de ander toe en geschiedt verbinding. De liefde wil ook geliefd worden, dit is haar ingeënt; en voor zoveel als zij wordt wedergeliefd, voor zoveel is zij in zich en in haar verkwikkelijke. Hieruit blijkt dat indien de Heer alleen de mens liefheeft en niet op Zijn beurt door de mens zou worden geliefd, de Heer zou toetreden en de mens zou terugtreden. Zo zou dus de Heer aanhoudend met de mens willen samenkomen en tot hem ingaan en de mens zou zich achterwaarts keren en heengaan. Met hen die in de hel zijn is dit zo, maar met hen die in de hemel zijn, is de wederzijdse verbinding. Aangezien de Heer de verbinding met de mens wil om diens behoud, heeft Hij ook daarin voorzien dat bij de mens het wederkerige is. Het wederkerige bij de mens is, dat het goede dat hij vanuit het vrije wil en doet, en het ware dat hij vanuit dat willen volgens de rede denkt en spreekt, schijnt alsof het uit hem was. Dat goede in de wil van hem en dat ware in het verstand van hem, schijnt alsof het van hem was; ja zelfs schijnen die dingen de mens toe alsof zij vanuit hemzelf en alsof zij van hem zijn, geheel en al alsof ze van hem waren; er is niet enig onderscheid. Denk erover na of iemand met welke zin van hem ook dit anders doorvat. Over die schijn zoals uit zich, zie men boven, n. 74-77; en over de toe-eigening alsof het van hem was, n. 78-81. Het verschil is alleen dat de mens moet erkennen dat hij niet vanuit zich het goede doet en het ware denkt, maar vanuit de Heer. Vandaar dat het goede dat hij doet en het ware dat hij denkt, niet van hem is. Zo denken, vanuit enige mate van liefde van zijn wil, omdat het de waarheid is, maakt de verbinding, want zo schouwt de mens tot de Heer en schouwt de Heer tot de mens.

  
/ 340  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, 2017, op www.swedenborg.nl