Goddelijke Voorzienigheid #73

Door Emanuel Swedenborg

Bestudeer deze passage

  
/ 340  
  

73. 1. De mens heeft de rede en het vrije, of redelijkheid en vrijheid; die beide vermogens uit de Heer zijn bij de mens.

De mens heeft het vermogen van verstaan, dat de redelijkheid is, en het vermogen van denken, willen, spreken, en doen dat wat hij verstaat, dat de vrijheid is; en die beide vermogens zijn uit de Heer bij de mens, daarover is in de verhandeling ‘over de Goddelijke Liefde en de Goddelijke Wijsheid’, n. 264-270, 425, en eveneens hierboven, n. 43, 44, gehandeld. Maar omdat er zich verschillende twijfels ten aanzien van deze beide vermogens kunnen voordoen wanneer daarover wordt nagedacht, wil ik hier alleen iets over het vrije van handelen volgens de rede bij de mens meedelen. Maar eerst moet men weten dat al het vrije van de liefde is, dermate dat het vrije en de liefde één zijn; en omdat de liefde het leven van de mens is, is het vrije eveneens van het leven van hem. Alle verkwikking immers die de mens heeft, is vanuit de liefde van hem. Niet ergens anders vandaan is er enige verkwikking en vanuit het verkwikkelijke van de liefde handelen is vanuit het vrije, want het verkwikkelijke leidt de mens zoals iets dat wordt meegedragen door de stroming van de rivier. Aangezien er nu meerdere liefden zijn, sommige samenstemmend en sommige niet, volgt dat er ook meerdere vrijheden zijn. Maar in het algemeen zijn er drie vrijheden: het natuurlijke, het redelijke en het geestelijke. Het natuurlijk vrije heeft ieder mens vanuit erfelijkheid; vanuit dit heeft de mens niet iets anders lief dan zichzelf en de wereld; het eerste leven van hem is niet anders. Omdat alle boze dingen vanuit die beide liefden ontstaan en vandaar de boze dingen ook van de liefde worden, volgt dat de boze dingen denken en willen het natuurlijk vrije van hem is, en wanneer hij die dingen bij zichzelf door redeneringen heeft bevestigd, verricht hij vanuit het vrije volgens zijn rede die dingen. Zo handelen is vanuit het vermogen van hem dat de vrijheid wordt genoemd; en die dingen bevestigen is vanuit het vermogen van hem dat de redelijkheid wordt genoemd. Als bijvoorbeeld vanuit de liefde van de mens waarin hij wordt geboren, het zo is het dat hij wil echtbreken, bedriegen, lasteren, wraaknemen, en wanneer hij deze boze dingen bij zichzelf bevestigt en die daardoor voor geoorloofd houdt, dan denkt en wil hij ze in vrijheid vanuit de verkwikking van de liefde ervan, als het ware volgens de rede, en voor zoveel als de burgerlijke wetten niet tegenhouden, spreekt en doet hij ze. Het is vanuit de Goddelijke Voorzienigheid van de Heer, dat het de mens geoorloofd is zo te handelen, omdat hij het vrije of de vrijheid heeft. In dit vrije is de mens van nature, omdat hij dat is vanuit de erfelijkheid, en in dit vrije zijn zij die het bij zich vanuit de verkwikking van de eigenliefde en de liefde tot de wereld bij zich hebben bevestigd. Het redelijk vrije is vanuit de liefde van de faam om de eer of het gewin; het verkwikkelijke van die liefde is, in de uitwendige vorm te verschijnen als een zedelijk mens; en omdat hij deze faam liefheeft, bedriegt hij niet, pleegt geen echtbreuk, neemt hij geen wraak, lastert niet; en omdat hij deze dingen van zijn rede maakt, doet hij ook vanuit het vrije volgens zijn rede het oprechte, het gerechte, het kuise, het vriendschappelijke; ja zelfs kan hij vanuit de rede ten gunste van die dingen juist spreken. Maar indien zijn redelijke alleen natuurlijk is en niet tegelijk geestelijk, is dat vrije slechts het uitwendig vrije, niet echter het innerlijk vrije, want hij heeft toch innerlijk die goede dingen niet lief, maar slechts uiterlijk om de faam, zoals is gezegd. Daarom zijn de goede dingen die hij doet niet in zich goede dingen. Ook kan hij zeggen dat ze gedaan moeten worden om het openbaar welzijn, maar dit zegt hij niet vanuit de liefde voor het openbaar welzijn, maar vanuit zijn liefde voor eer of gewin. Daarom trekt het vrije van hem niets vanuit de liefde van het openbaar welzijn, noch van de rede, omdat deze met de liefde instemt. Daarom is dit redelijk vrije innerlijk het natuurlijk vrije. Dit vrije wordt ook door de Goddelijke Voorzienigheid van de Heer aan eenieder overgelaten. Het geestelijke vrije is vanuit de liefde van het eeuwige leven; in die liefde en de verkwikking ervan komt niet een ander dan hij die denkt dat de boze dingen zonden zijn en ze daarom niet wil en tegelijk tot de Heer schouwt. Zodra de mens dit doet is hij in dat vrije, want niemand kan de boze dingen niet willen omdat ze zonden zijn en daarom ze niet doen, tenzij het is uit het innerlijk of hogere vrije, wat is vanuit een innerlijker of hogere liefde van hem. Dit vrije verschijnt niet in de aanvang als vrij, maar toch is het dat, maar daarna verschijnt het en dan handelt hij vanuit het vrije zelf volgens de rede zelf door het goede en ware te denken, te willen, te spreken en te doen. Dit vrije groeit naar gelang het natuurlijk vrije afneemt en dienstbaar wordt en het verbindt zich met het redelijk vrije en zuivert dit. Eenieder kan in dit vrije komen als hij slechts wil denken dat er een eeuwig leven is en dat het verkwikkelijke en het gezegende van het leven in de tijd, slechts is als een voorbijgaande schaduw vergeleken bij het verkwikkelijke en het gezegende van een eeuwig leven tot in eeuwigheid. Dit kan de mens denken indien hij wil, omdat hij de redelijkheid en de vrijheid heeft en omdat de Heer vanuit Wie deze beide vermogens zijn, aanhoudend geeft dat hij de mogelijkheid heeft dit te doen.

  
/ 340  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, 2017, op www.swedenborg.nl