Goddelijke Voorzienigheid #60

Door Emanuel Swedenborg

Bestudeer deze passage

      |   
/ 340  
  

60. (IV). Een beeld van het Oneindige en het Eeuwige bestaat in de engelenhemel.

Onder de dingen waarover men noodzakelijk iets moet weten, is ook de engelenhemel. Eenieder immers die godsdienst heeft, denkt daarover en wil daar komen; maar de hemel wordt niet aan anderen gegeven dan aan hen die de weg tot de hemel weten en die weg bewandelen. Deze weg kan men ook enigermate weten vanuit de erkentenis hoedanig diegenen zijn die de hemel samenstellen, en dat niemand een engel wordt, of in de hemel komt, tenzij hij iets van een engelengemoed met zich vanuit de wereld meebrengt. Hierin is de erkentenis aanwezig van de weg vanuit de bewandeling ervan, en de bewandeling van de weg door de erkentenis ervan. In de geestelijke wereld zijn ook inderdaad wegen die leiden tot elk gezelschap van de hemel en tot elk gezelschap van de hel; en eenieder ziet zijn weg zoals vanuit zich. Dat hij deze ziet, is omdat er daar wegen zijn voor iedere liefde en die liefde opent de weg en leidt tot de metgezellen. Andere wegen dan die van zijn liefde ziet niemand; waaruit blijkt dat de engelen niets dan hemelse liefden zijn, want anders zouden zij de wegen die tot de hemel leiden niet hebben gezien. Maar dit kan beter duidelijk worden uit de beschrijving van de hemel.

  
/ 340  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, 2017, op www.swedenborg.nl