Goddelijke Voorzienigheid #50

Goddelijke Voorzienigheid (Weevers vertaling)      

Study this Passage

Ga naar sectie / 340  

← Vorige   Volgende →

50. Aangezien de engelen en de geesten aandoeningen zijn die van de liefde zijn en het denken daaruit, zijn zij daarom ook niet in ruimte en tijd, maar alleen in de schijn ervan. De verschijning van ruimte en tijd is voor hen volgens de staten van de aandoeningen en van het denken daaruit. Daarom, als iemand vanuit aandoening aan de ander denkt met de bedoeling dat hij hem wil zien, of met hem spreken, vertoont deze zich dadelijk tegenwoordig. Vandaar komt het dat bij ieder mens geesten tegenwoordig zijn die in een eendere aandoening als hij zijn, boze geesten met hem die in de aandoening van een eender boze is en goede geesten met hem die in de aandoening van een eender goede is. Zij zijn zó tegenwoordig zoals iemand door een gezelschap is omringd. Ruimte en tijd doen niets aan de tegenwoordigheid toe, de oorzaak hiervan dat de aandoening en het denken daaruit niet zijn in ruimte en tijd, en de geesten en de engelen aandoeningen en het denken daaruit zijn. Dat het zo is, werd vanuit de levende ondervinding van verscheidene jaren te weten gegeven; en eveneens vanuit deze: dat ik met verscheidenen na de dood heb gesproken, zowel met hen die in Europa en in de verschillende koninkrijken ervan waren, als met hen die in Azië en Afrika en in de verschillende koninkrijken ervan waren, en zij waren allen dicht bij mij. Daarom zou, indien er voor hen ruimte en tijd waren geweest, een reis en de tijd van een reis zich daarbij hebben voorgedaan. Ja zelfs weet ieder mens dit vanuit iets dat in hem of in zijn gemoed is geënt, wat mij hierdoor werd duidelijk gemaakt dat niemand aan enige afstand van ruimte heeft gedacht toen ik vertelde dat ik heb gesproken met iemand die in Azië, Afrika, of Europa was overleden, zoals bijvoorbeeld met Calvijn, Luther, Melanchton of met de een of andere koning, hoogaangestelde of priester in een ver verwijderde streek, en het zelfs in hun denken niet was opgekomen hoe men kon spreken met hen die daar hebben geleefd, en hoe zij tot iemand konden komen en aanwezig zijn, terwijl er toch landen en zeeën tussenin liggen. Hieruit bleek mij eveneens dat eenieder niet denkt vanuit ruimte en tijd wanneer hij denkt over hen die in de geestelijke wereld zijn. Dat er evenwel voor hen een schijn van ruimte en tijd is, zie men in het werk ‘Hemel en Hel’ n. 162-169, n. 191-199.

Ga naar sectie / 340  

← Vorige   Volgende →

   Study this Passage
From Swedenborg's Works

Inbound References:

Goddelijke Voorzienigheid 294, 333


Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, 2017, op www.swedenborg.nl


Vertalen: