Goddelijke Voorzienigheid #298

Goddelijke Voorzienigheid (Weevers vertaling)      

Study this Passage

Ga naar sectie / 340  

← Vorige   Volgende →

298. Maar opdat deze dingen voor de redelijke mens duidelijk zal worden, hetzij hij boos is hetzij goed, dus hetzij hij in het winterlicht is, hetzij in het zomerlicht, in beide verschijnen immers de kleuren eender, moeten ze in hun orde worden ontvouwd.

Ten eerste: Dat het eigen inzicht wanneer de wil in het boze is, niets ziet dan het valse en dat het niet anders wil noch kan zien; dit werd meermalen in de geestelijke wereld getoond.

Elk mens wordt, als hij een geest wordt, wat geschiedt na de dood, dan immers trekt hij het stoffelijke lichaam uit en trekt hij het geestelijke aan en hij wordt beurtelings in de beide staten van zijn leven gebracht: de uitwendige en de innerlijke. Wanneer hij in de uitwendige staat is, spreekt en handelt hij ook redelijk en wijs, geheel en al zoals de redelijke en wijze mens in de wereld en eveneens kan hij anderen verschillende dingen leren die van het zedelijke en het burgerlijke van het leven zijn. Maar wanneer hij uit die uitwendige staat in zijn innerlijke wordt gebracht en dat innerlijke wordt gewekt, dan wordt, indien hij boos is, het toneel veranderd; van redelijk wordt hij zinlijk en van wijs waanzinnig. Hij denkt immers dan uit het boze van zijn wil en uit het verkwikkelijke ervan, dus vanuit het eigen inzicht en hij ziet niets dan het valse en doet niets dan het boze, door te geloven dat de boosaardigheid de wijsheid is en dat de listigheid de voorzichtigheid is. Vanuit het eigen inzicht gelooft hij zich een godheid en met het gehele gemoed verdiept hij zich in misdadige kunstgrepen. Zulke waanzinnigheden heb ik meermalen gezien en eveneens dat zij in die afwisselende staten binnen een uur tijds twee- of driemaal gebracht werden en dan werd het hun gegeven hun waanzinnigheden te zien en eveneens die te erkennen. Maar toch wilden zij niet in die redelijke en zedelijke staat blijven, maar keerden zij zichzelf vrijwillig tot hun zinlijke en waanzinnige staat; deze immers hadden zij boven de andere lief omdat daarin het verkwikkelijke van de liefde van hun leven lag. Wie kan geloven dat de boze mens zodanig beneden zijn uitwendige verschijning is en dat hij een dergelijke gedaantewisseling ondergaat, wanneer hij in zijn innerlijke staat komt. Uit deze ondervinding alleen al kan vaststaan hoedanig het eigen inzicht is, wanneer hij vanuit het boze van zijn wil denkt en handelt. Anders geschiedt met de goede mensen; dezen worden, wanneer zij uit de uitwendige staat in de innerlijke worden gebracht, nog wijzer en beschaafder.

Ten tweede: Indien dan het eigen inzicht het ware ziet, wendt het zich òf af, òf vervalst het.

De mens heeft een eigene dat van de wil is en hij heeft een verstandelijk eigene. Het eigene van de wil is boos en het verstandelijk eigene is het valse daaruit. Het eerste wordt verstaan onder de ‘wil des mans’, en het tweede door de ‘wil des vleeses’, (Johannes 1:13). Het wilsdeel van het eigene is in zijn wezen de liefde van zich en het verstandelijk eigene is de trots vanuit die liefde. Deze beide zijn zoals twee echtgenoten en het huwelijk ervan wordt genoemd het huwelijk van het boze en het valse. In dit huwelijk wordt iedere boze geest gebracht alvorens hij in de hel wordt gelaten en wanneer hij daar is, dan weet hij niet wat het goede is, want zijn boze noemt hij goed, immers hij voelt dat als verkwikkelijk, en eveneens wendt hij zich dan van het ware af. Hij wil dat ook niet zien, omdat hij het valse dat samenstemt met zijn boze ziet zoals het oog het schone en hoort zoals het oor het harmonische.

Ten derde: De Goddelijke Voorzienigheid doet de mens aanhoudend het ware zien en geeft ook de aandoening om dat te doorvatten en om dat op te nemen.

Dit geschiedt, omdat de Goddelijke Voorzienigheid handelt uit het innerlijke en daardoor invloeit in de uiterlijke dingen, of uit het geestelijke in die dingen die zijn in de natuurlijke mens, en door het licht van de hemel het verstand verlicht en door de warmte van de hemel de wil levend maakt. Het hemelse licht is in zijn wezen de Goddelijke Wijsheid en de hemelse warmte is in haar wezen de Goddelijke Liefde; en vanuit de Goddelijke Wijsheid kan niet iets anders invloeien dan het ware, en vanuit de Goddelijke Liefde kan niet anders invloeien dan het goede en vanuit dit geeft de Heer in het verstand de aandoening om het ware te zien en eveneens om dat te doorvatten en op te nemen. Zo wordt de mens niet alleen naar het uitwendig gezicht mens, maar ook naar het innerlijk. Wie wil niet worden gezien als een redelijk en geestelijk mens, en wie weet niet dat hij zo gezien wil worden opdat door anderen zal worden geloofd dat hij een waar mens is. Indien hij dus alleen redelijk en geestelijk is in de uitwendige vorm en niet tegelijk in de inwendige, is hij dan wel een mens; is hij dan iets anders dan een toneelspeler op het toneel, of zoals een aap waarvan het aangezicht bijna menselijk is. Kan men daaruit niet weten dat alleen hij een mens is die innerlijk is zoals hij door anderen gezien wil worden; wie het ene erkent, erkent het andere. Het eigen inzicht kan alleen over de uitwendige dingen de menselijke vorm brengen, maar de Goddelijke Voorzienigheid brengt over de innerlijke dingen, en door de innerlijke dingen over de uitwendige dingen, die vorm, en wanneer die daarover is gebracht, verschijnt de mens niet alleen als mens, maar is mens.

Ten vierde: De mens wordt weggeleid uit het boze, niet uit zich, maar uit de Heer. Wanneer de Goddelijke Voorzienigheid het ware geeft te zien en tegelijk de aandoening ervan, dan kan de mens uit het boze worden weggeleid.

Dit komt omdat het ware toont en dicteert, en wanneer de wil doet wat de wijsheid dicteert, verbindt hij zich met de wijsheid en verkeert in zich het ware in het goede, want het wordt van de liefde van hem en wat van de liefde is, is het goede. Alle hervorming geschiedt door het ware en niet zonder dat, want zonder het ware is de wil aanhoudend in het boze en indien hij het verstand raadpleegt, wordt hij niet onderricht, maar wordt het boze door valse dingen bevestigd. Wat het inzicht aangaat, dit verschijnt zowel bij de goede mens als bij de boze als het zijne en hem eigen, en eveneens wordt de goede evenzeer gehouden te handelen vanuit het inzicht alsof het hem eigen was, gelijk de boze. Maar wie de Goddelijke Voorzienigheid gelooft, die wordt uit het boze weggeleid, maar wie niet gelooft, wordt niet weggeleid. Diegene gelooft die erkent dat het boze zonde is en daaruit weggeleid wil worden en diegene gelooft niet die het niet erkent en niet wil. Het verschil tussen die beide inzichten is zoals tussen dat waarvan men gelooft dat het in zich is, en tussen dat waarvan men gelooft dat het niet in zich is, maar dan toch zoals in zich. Het is eveneens zoals tussen een uitwendige zonder zo’n inwendige als daaraan eender is en tussen een uitwendige met een daaraan gelijke inwendige. Dus zoals tussen de gebaren van mimespelers en de woorden van toneelspelers, die de personen van koningen, vorsten en bevelhebbers spelen, en tussen de koningen, vorsten en bevelhebbers zelf. Laatstgenoemden zijn innerlijk en tegelijk uiterlijk zodanig, eerstgenoemden echter slechts uiterlijk en wanneer het uiterlijke wordt afgelegd worden zij komedianten, toneelspelers en mimespelers genoemd.

Ga naar sectie / 340  

← Vorige   Volgende →

   Study this Passage
Other New Christian Commentary

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, 2017, op www.swedenborg.nl


Vertalen: