Goddelijke Voorzienigheid #233

Door Emanuel Swedenborg

Bestudeer deze passage

  
/ 340  
  

233. Opdat daarom deze verborgenheid van de Goddelijke Voorzienigheid zal worden opgedekt tot zover dat de redelijke mens deze in zijn eigen licht kan zien, moeten die dingen die nu zijn aangevoerd, afzonderlijk worden ontvouwd.

Ten eerste: Dat in de innerlijke dingen bij de mens niet het boze en tegelijk het goede kan zijn en vandaar ook niet het valse van het boze en tegelijk het ware van het goede.

Onder de innerlijke dingen van de mens wordt het innerlijke van zijn denken verstaan, waarover de mens niet iets weet vooraleer hij in de geestelijke wereld en in het licht ervan komt, wat na de dood plaatsvindt. In de natuurlijke wereld wordt kan dit alleen gekend worden vanuit het verkwikkelijke van de liefde van hem in het uitwendige van zijn denken en vanuit de boze dingen zelf, wanneer hij die bij zich onderzoekt; want, zoals boven werd getoond, het innerlijke van het denken hangt met het uitwendige van het denken bij de mens in een zodanige samenhangende orde, dat ze niet kunnen worden gescheiden; maar over deze dingen boven meer. Gezegd wordt het goede en het ware van het goede en het boze en het valse van het boze, aangezien het goede niet kan bestaan zonder zijn ware, noch het boze zonder zijn valse; ze zijn immers bedgenoten of echtgenoten. Want het leven van het goede is uit zijn ware en het leven van het ware uit zijn goede; iets dergelijks is het geval met het boze en het valse ervan. Dat in de innerlijke dingen van de mens niet het boze met zijn valse en tegelijk het goede met zijn ware kan zijn, kan door de redelijke mens zonder ontvouwing worden gezien. Het boze immers is tegenovergesteld aan het goede en het goede tegenovergesteld aan het boze en twee tegenovergestelden kunnen niet tegelijk zijn. Ook is in elk boze een haat tegen het goede geënt en in elk goede is de liefde geënt van zich tegen het boze te beschermen en dit van zich te verwijderen. Waaruit volgt dat het een met het ander niet tegelijk kan zijn, en indien zij tegelijk waren, zou eerst botsing en strijd opkomen en daarop vernietiging. Hetgeen ook de Heer met deze woorden leert: ‘Elk koninkrijk dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verlaten, en elke stad of huis dat tegen zichzelf verdeeld is, houdt niet stand. Wie niet met Mij is, is tegen Mij, en wie niet vergadert met Mij, verstrooit’, (Mattheüs 12:30); en elders: ‘Niemand kan twee heren tegelijk dienen, want òf hij zal de een haten, en zal de andere liefhebben...’, (Mattheüs 6:24). Twee tegenovergestelden zijn niet bestaanbaar in één substantie of vorm tegelijk zonder dat deze wordt uiteengerukt en vergaat. Indien het ene toetrad en naderde tot het andere, zouden zij zich beslist scheiden zoals twee vijanden, waarvan de een zich binnen zijn kamp of binnen zijn vesting en de ander zich daarbuiten zou terugtrekken. Zo ook geschiedt met de boze dingen en de goede dingen bij de huichelaar; deze is zowel in het ene als in het andere, maar het boze is binnen en het goede is buiten en zo zijn die twee gescheiden en niet vermengd. Hieruit nu blijkt dat het boze met zijn valse en het goede met zijn ware niet tegelijk kunnen zijn.

Ten tweede: Dat uit de Heer in de innerlijke dingen van de mens niet het goede en het ware van het goede kan worden ingebracht, tenzij voor zoveel als daar het boze en het valse van het boze is verwijderd.

Dit is het noodzakelijke gevolg van de voorafgaande dingen; want wanneer het boze en het goede niet tegelijk kunnen zijn, dan kan het goede niet worden ingebracht vooraleer het boze is verwijderd. Gezegd wordt in de innerlijke dingen van de mens, waaronder wordt verstaan het innerlijke van het denken; en hierin, waarover nu wordt gehandeld, moet òf de Heer òf de duivel aanwezig zijn . De Heer is daar na de hervorming en de duivel is daar ervoor; voor zoveel als zich dus de mens laat hervormen, voor zoveel wordt de duivel uitgeworpen, maar voor zoveel als hij zich niet laat hervormen, voor zoveel blijft de duivel. Wie kan niet zien dat de Heer niet kan binnentreden zolang daar de duivel is; en hij is zolang daar als de mens de poort gesloten houdt waarin hij tegelijk met de Heer is. Dat de Heer binnentreedt wanneer die poort door middel van de mens geopend wordt, leert de Heer in de Apocalyps: ‘Ik sta aan de deur en Ik klop; indien iemand Mijn stem heeft gehoord en de deur heeft geopend, zal Ik tot hem binnengaan en Ik zal avondmalen met hem en hij met Mij’, (Apocalyps 3:20). De deur wordt geopend doordat de mens het boze verwijdert door het te schuwen en te verafschuwen als hels en duivels. Want hetzij gezegd wordt het boze, hetzij de duivel, het is hetzelfde; en omgekeerd hetzij gezegd wordt het goede, hetzij de Heer, het is hetzelfde; want in elk goede is van binnen de Heer en in elk boze is van binnen de duivel. Hieruit blijkt de waarheid van deze zaak.

Ten derde: Indien het goede met zijn ware daar werd ingebracht eerder of meer dan het boze met zijn valse werd verwijderd, zou de mens terugtreden uit het goede en terugkeren tot zijn boze.

De oorzaak is omdat het boze de overhand zou hebben en wat de overhand heeft, dat overwint, zo al niet op het moment, dan toch daarna. Zolang het boze nog de overhand heeft kan het goede niet worden ingebracht in de binnenste vertrekken, maar alleen in de voorzalen, aangezien zoals is gezegd, het boze en het goede niet tegelijk kunnen zijn. Wat alleen in de voorzalen is, wordt verwijderd door zijn vijand die in de vertrekken is. Vandaar geschiedt terugtreding uit het goede en terugkeer tot het boze, wat het ergste geslacht van ontwijding is. Bovendien is het verkwikkelijke zelf van het leven van de mens, zichzelf en de wereld boven alle dingen lief te hebben. Dit verkwikkelijk kan niet in één ogenblik worden verwijderd, maar geleidelijk; maar voor zoveel als dit verkwikkelijke bij de mens aanblijft, voor zoveel heeft daar het boze de overhand. Dit boze kan niet anders verwijderd worden dan naarmate de liefde van zich de liefde van de nutten wordt, of naarmate de liefde van heersen niet is ter wille van zich maar ter wille van de nutten. Zo immers vormen de nutten het hoofd en de liefde van zich of van heersen vormt eerst het lichaam onder het hoofd en daarna de voeten waarop hij wandelt. Wie ziet niet dat het goede het hoofd maakt, en dat wanneer het goede het hoofd maakt de Heer daar is; het goede en de nutten zijn één; wie ziet niet dat indien het boze het hoofd maakt de duivel daar is, en dat, omdat eveneens het burgerlijk en zedelijk goede, en in de uitwendige vorm ook het geestelijk goede opgenomen moet worden, dit dan de voeten en de zolen maakt en vertrapt wordt. Wanneer dus de staat van het leven van de mens moet worden omgekeerd opdat wat boven is beneden zal zijn, en deze omkering er niet in één ogenblik kan zijn, immers het verkwikkelijkste van het leven, dat is vanuit de liefde van zich en van de heerschappij daaruit, kan niet dan geleidelijk verminderd worden en verkeerd in de liefde van de nutten, zo kan daarom niet uit de Heer het goede worden ingebracht eerder en meer dan voor zoveel als dit boze wordt verwijderd; en indien eerder en meer, zou de mens terugtreden uit het goede en terugkeren tot zijn boze.

Ten vierde: Wanneer de mens in het boze is, kunnen in zijn verstand vele ware dingen worden gebracht en in het geheugen worden opgeborgen en evenwel niet ontwijd.

De oorzaak is, omdat het verstand niet invloeit in de wil, maar de wil in het verstand, en omdat het niet invloeit in de wil, kunnen vele ware dingen door het verstand worden opgenomen, en in het geheugen opgeborgen worden, en toch met het boze van de wil niet worden vermengd en dus de heilige dingen niet ontwijd worden. Eveneens is het eenieder opgelegd dat hij de ware dingen vanuit het Woord of vanuit de prediking zal leren, in het geheugen zal leggen en daarover denken. Het verstand immers moet vanuit de ware dingen die in het geheugen zijn en daaruit in het denken komen en dan de wil leren, dat wil zeggen, het moet de mens leren wat hij zal doen; dit dus is het voornaamste middel van de hervorming. Wanneer de ware dingen alleen in het verstand en daaruit in het geheugen zijn, zijn zij niet in de mens maar buiten hem. Het geheugen van de mens kan worden vergeleken met de herkauwersmaag van bepaalde dieren, waarin hun spijsbrokken terechtkomen, die, zolang zij daar zijn, niet in hun lichaam zijn, maar erbuiten; maar naarmate zij die daaruit opnemen en opslokken, worden die van hun leven en wordt het lichaam gevoed. Maar in het geheugen van de mens zijn niet stoffelijke spijsbrokken, maar geestelijke, die worden verstaan onder de ware dingen en in zich erkentenissen zijn. Voor zoveel als de mens daaruit opneemt door die te denken en ze als het ware herkauwt, voor zoveel wordt zijn geestelijk gemoed gevoed. De liefde van de wil is het die verlangt en als het ware trek heeft en maakt dat ze opgehaald worden en voeden. Indien de liefde boos is, heeft zij verlangen en als het ware trek in onreine dingen; indien ze echter goed is, heeft ze verlangen en als het ware trek in reine dingen en die dingen die niet overeenstemmen scheidt, verdrijft en werpt zij uit. Dit vindt plaats op verschillende manieren.

Ten vijfde: De Heer draagt door Zijn Goddelijke Voorzienigheid de meest mogelijke zorg dat niet eerder en niet meer daaruit wordt opgenomen door de wil dan voor zoveel als de mens zoals uit zich het boze in de uitwendige mens verwijdert.

Want wat door de wil wordt opgenomen, dat komt in de mens en wordt hem toegeëigend en wordt van zijn leven; en in het leven zelf wat de mens heeft vanuit de wil, kan niet het boze en het goede tegelijk zijn. Zo immers zou het vergaan, maar in het verstand kan het ene en het andere zijn, en ze worden daar de valse dingen van het boze of de ware dingen van het goede genoemd, hoewel niet tegelijk, anders zou de mens het boze niet kunnen zien uit het goede en het goede leren kennen uit het boze. Maar ze worden daar onderscheiden en gescheiden zoals een huis in innerlijke en uiterlijke dingen. Wanneer de boze mens goede dingen denkt en spreekt, dan denkt en spreekt hij uiterlijk, maar wanneer hij boze dingen spreekt, dan innerlijk. Daarom, wanneer hij goede dingen spreekt, geschiedt zijn spreken zoals van een wand en kan worden vergeleken met een vrucht schoon aan de oppervlakte, maar die van binnen wormstekig en verrot is en eveneens met een drakenei, dat alleen bekeken wordt naar de schaal.

Ten zesde: Dat indien het eerder en meer geschiedt, de wil dan het goede zou schenden en het verstand het ware vervalsen, door die te vermengen met de boze dingen en met de valse dingen daaruit.

Wanneer de wil in het boze is, dan schendt hij in het verstand het goede en het geschonden goede in het verstand is in de wil het boze, het bevestigt immers dat het boze het goede is en omgekeerd. Het boze doet zo met elk goede dat eraan tegenovergesteld is. Het boze vervalst ook het ware, omdat het ware van het goede tegenovergesteld is aan het valse van het boze. Dit doet de wil ook in het verstand en niet het verstand uit zich. De schendingen van het goede worden in het Woord beschreven door echtbreuken en de vervalsingen van het ware door hoereringen daar. Die schendingen en vervalsingen geschieden door redeneringen vanuit de natuurlijke mens die in het boze is en eveneens geschieden ze door de bevestigingen vanuit de schijnbaarheden van de letterlijke zin van het Woord. De liefde van zich die het hoofd van alle boze dingen is, overmag de andere liefden door het vernuft om de goede dingen te schenden en de ware dingen te vervalsen. Dit doet zij door het misbruik van de redelijkheid die elk mens, zowel de boze als de goede, uit de Heer heeft. Zelfs kan zij door bevestigingen maken dat het boze geheel en al verschijnt zoals het goede en het valse zoals het ware. Wat is er dat zij niet kan, wanneer zij met duizend argumenten kan bevestigen dat de natuur zichzelf heeft geschapen en dat die daarna heeft geschapen: de mensen, de beesten en de gewassen van elk geslacht; voorts dat zij door invloed vanuit iets dat meer innerlijk is dan zijzelf, maakt dat de mensen leven, analytisch denken en wijs verstaan. Dat de liefde van zich overmacht heeft door het vernuft om te bevestigen al wat zij wil, komt omdat het laatste oppervlak ervan door een zekere glans van licht, in verschillende kleuren geschakeerd, wordt gemaakt. Deze glans is de roem van wijs zijn van deze liefde en zo eveneens van uit te blinken en te heersen. Maar wanneer die liefde zodanige dingen heeft bevestigd, dan wordt zij zo blind dat zij niet anders ziet dan dat de mens een beest is en dat ze op eendere wijze denken, zelfs, dat indien een beest ook zou kunnen spreken, het een mens zou zijn onder een andere vorm. Indien zij uit een bepaalde overreding ertoe gebracht werd te geloven dat iets van de mens leeft na de dood, dan is zij zó blind dat zij gelooft dat het ook met het beest zo gesteld is en dat dat levende iets, na de dood, slechts een subtiele adem van leven is zoals een damp, die niettemin tot zijn lijk terugvalt, of dat het iets vitaals is zonder gezicht, gehoor en spraak, en dus blind, doof en stom, rondfladderend en denkend, behalve nog andere waanzinnigheden, die de natuur zelf die in zich dood is, aan zijn fantasie inblaast. Dit doet de liefde van zich, die in zich beschouwd de liefde van het eigene is, en het eigene van de mens is naar zijn aandoeningen, die alle natuurlijk zijn, niet ongelijk aan het leven van een beest; en naar de doorvattingen, omdat zij vanuit die aandoeningen zijn, is dit niet ongelijk aan een nachtuil. Daarom kan hij die aanhoudend het denken in zijn eigene onderdompelt, niet worden verheven uit het natuurlijk licht tot in het geestelijk licht en iets zien van God, van de hemel en van het eeuwige leven. Omdat deze liefde zodanig is en zij niettemin overmacht heeft door het vernuft om al wat haar belieft te bevestigen, kan zij daarom ook met een eender vernuft de goede dingen van het Woord schenden en de ware dingen ervan vervalsen, wanneer zij vanuit een zekere noodzakelijkheid gehouden wordt om die dingen te belijden.

Ten zevende: Dat daarom de Heer de mens niet innerlijk binnenlaat in de ware dingen van de wijsheid en in de goede dingen van de liefde, tenzij voor zoveel als de mens daarin gehouden kan worden tot aan het einde van zijn leven.

Dit doet de Heer opdat niet de mens in dat zwaarste geslacht van ontwijding van het heilige, waarover in dit artikel gehandeld werd, zou vallen. Wegens dit gevaar ook laat de Heer de boze dingen van het leven toe en verscheidene ketterse dingen van de eredienst; over de toelating hiervan zal men in de volgende paragrafen zien.

  
/ 340  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, 2017, op www.swedenborg.nl