Goddelijke Voorzienigheid #215

Door Emanuel Swedenborg

Bestudeer deze passage

  
/ 340  
  

215. 1. Tijdelijke dingen hebben betrekking op waardigheden en rijkdommen, dus op eerbewijzen en winsten in de wereld.

Er zijn vele tijdelijke dingen, maar niettemin hebben die alle betrekking op waardigheden en rijkdommen. Onder tijdelijke dingen worden die dingen verstaan die òf met de tijd vergaan òf die pas met het leven van de mens in de wereld ophouden. Onder eeuwige dingen worden echter die zaken verstaan die niet met de tijd en dus niet met het leven in de wereld vergaan en ophouden. Aangezien, zoals gezegd, alle tijdelijke dingen betrekking hebben op waardigheden en rijkdommen, is het van belang deze volgende dingen te weten, namelijk: wat en vanwaar de waardigheden en de rijkdommen zijn, en hoedanig de liefde ervoor is ter wille van de nutten. Die beide liefden zijn onderscheiden zoals de hel en de hemel en het onderscheid van die liefden kan bezwaarlijk door de mens worden geweten; maar over elk van deze dingen afzonderlijk. Ten eerste: wat en vanwaar de waardigheden en de rijkdommen zijn. De waardigheden en de rijkdommen waren geheel anders in de oudste tijden dan ze daarna gaandeweg geworden zijn. De waardigheden in de oudste tijden waren niet anders dan hoedanig die zijn tussen ouders en kinderen, die waardigheden van de liefde waren, vol ontzag en verering, niet vanwege de geboorte uit die ouders, maar vanwege het onderricht en de wijsheid uit hen. Dit was de tweede geboorte, in zich geestelijk, omdat die was van hun geest. Deze alleen was de waardigheid in de oudste tijden, omdat toen de naties, de families en de huizen op zichzelf woonden en niet onder regeringen zoals heden ten dage. Het was de familievader bij wie de waardigheid was. Deze tijden werden door de ouden de gouden eeuw genoemd. Maar na die tijden drong gaandeweg de liefde van heersen alleen vanuit het verkwikkelijke van die liefde binnen en omdat toen tegelijk de vijandschap en de vijandigheid binnendrong tegen hen die zich niet wilden onderwerpen, vergaderden zich de naties, de families en de huizen vanuit die noodzakelijkheid tot groepen en stelden iemand over zich aan die zij in de aanvang rechter noemden en daarna vorst en tenslotte koning en keizer. Eveneens vingen zij toen aan zich te versterken door torens, wallen en muren. Vanuit de rechter, de vorst, de koning en de keizer, als uit het hoofd in het lichaam, drong toen zoals een besmetting de drift van heersen in verscheidene mensen binnen. Daaruit zijn de graden van de waardigheden ontstaan en eveneens de eerbewijzen als gevolg daarvan; en hiermee de liefde van zich en de hoogmoed van het eigen verstand en de eigen voorzichtigheid. Iets dergelijks is geschied met de liefde van de rijkdommen. In de oudste tijden, toen de naties en de families onderling onderscheiden woonden, was er niet een andere liefde van rijkdommen dan die om de benodigdheden van het leven te bezitten, die zij zich verwierven door kudden van kleinvee en grootvee en door akkers, velden en tuinen, waaruit zij hun voedsel hadden. Onder hun levensbehoeften waren ook geschikte huizen met allerlei huisraad voorzien en eveneens kleding. In de behartiging van de arbeid van al die dingen waren de ouders, de kinderen, de bedienden en de dienstmaagden die in het huis waren. Maar nadat de liefde van heersen was binnengedrongen en deze staat van het gezelschap had vernietigd, drong ook de liefde binnen van het bezitten van schatten boven de behoeften uit, en steeg die liefde tot zo’n top dat zij de schatten van alle anderen wilde bezitten. Die beide liefden zijn zoals bloedverwanten; wie immers over alle dingen wil heersen, wil ook alle dingen bezitten, want zo worden allen slaven, en zij allen heren. Dit blijkt duidelijk uit diegenen in de pauselijke natie die hun heerschappij hebben verhoogd tot in de hemel tot de troon van de Heer, waarop zij zich hebben gezet, dat zij ook de schatten van de gehele aarde najagen en hun schatkamers vergroten zonder einde. Ten tweede: hoedanig de liefde van de waardigheden en de rijkdommen ter wille hiervan is; en hoedanig de liefde van de waardigheden en de rijkdommen ter wille van de nutten is. De liefde van de waardigheden en van de eerbewijzen ter wille van de waardigheden en de eerbewijzen, is de liefde van zich, eigenlijk de liefde van heersen vanuit de liefde van zich. De liefde van de rijkdommen en van de schatten ter wille van de rijkdommen en de schatten, is de liefde van de wereld, eigenlijk de liefde van bezitten van de goederen van anderen door onverschillig welke kunstgreep. De liefde van de waardigheden en van de rijkdommen ter wille van de nutten echter is de liefde van de nutten, die hetzelfde is als de liefde van de naaste. Want datgene ter wille waarvan de mens handelt, is het doel waaruit hij handelt en is het eerste of het primaire, en de overige dingen zijn de middelen en die zijn secondair. Wat betreft de liefde van de waardigheden en van de eerbewijzen ter wille van deze, die dezelfde zijn als de liefde van zich, eigenlijk als de liefde van heersen vanuit de liefde van zich, deze is de liefde van het eigene en het eigene van de mens is al het boze. Vandaar is het dat gezegd wordt dat de mens wordt geboren in al het boze en dat het erfelijke van hem niets dan het boze is. Het erfelijke van de mens is het eigene van hem, waarin hij is en waarin hij komt door de eigenliefde en voornamelijk door de liefde van heersen vanuit de liefde van zich. Want de mens die in deze liefde is, schouwt niet dan alleen zichzelf en dompelt zo in zijn eigene zijn denken en aandoeningen onder. Vandaar komt het dat in de liefde van zich de liefde van boosdoen is; de oorzaak is omdat hij niet de naaste liefheeft, maar alleen zichzelf en wie alleen zichzelf liefheeft, ziet de anderen niet anders dan buiten zich, òf als gering, òf als nietswaardig, die hij bij zich vergeleken veracht, en de ander het boze aan te doen acht hij voor niets. Daarvandaan is het dat wie in de liefde van heersen is vanuit de liefde van zich, het voor niets acht de naaste te bedriegen, met diens echtgenote echtbreuk te bedrijven, hem te lasteren, van wraakzucht tegen hem tot moord toe te blaken, woest tegen hem op te treden en andere dergelijke dingen. Dit trekt de mens daaruit dat de duivel zelf niet iets anders is dan de liefde van heersen vanuit de liefde van zich, met wie hij verbonden is en door wie hij geleid wordt; en wie geleid wordt door de duivel, dat wil zeggen, door de hel, wordt in al die boze dingen geleid; en hij wordt aanhoudend geleid door de verkwikkingen van die boze dingen. Vandaar komt het dat allen die in de hel zijn, allen willen boosdoen, maar dat zij die in de hemel zijn, allen willen weldoen. Vanuit die tegenoverstelling ontstaat dat wat in het midden is, waarin de mens is, en hij is daarin zoals in evenwicht, opdat hij zich òf tot de hel òf tot de hemel kan keren. Voor zoveel als hij de boze dingen van de eigenliefde begunstigt, voor zoveel keert hij zich tot de hel, maar voor zoveel als hij die van zich verwijdert, voor zoveel keert hij zich tot de hemel. Het werd mij gegeven te voelen hoedanig en hoe groot het verkwikkelijke van de liefde van heersen vanuit de liefde van zich is. Ik werd daarin gebracht om dat te leren kennen en het was zodanig dat het alle verkwikkingen in de wereld te boven ging. Het was een verkwikking van het gehele gemoed van het binnenste tot het laatste ervan. In het lichaam echter werd het niet anders gevoeld dan zoals iets genoeglijks en aangenaams waarbij de borst opzwol. Ook werd het te voelen gegeven dat vanuit dat verkwikkelijke, zoals vanuit zijn bron, de verkwikkingen van allerlei soort boze dingen opwelden, zoals van: echtbreken, wraaknemen, bedriegen, lasteren, dus in het algemeen van boosdoen. Een dergelijk verkwikkelijke ligt ook in de liefde van het bezitten van de schatten van anderen door onverschillig welke kunstgreep en daarvanuit in de begeerten, die de afleidingen zijn; maar toch niet in die graad, tenzij zij verbonden is met de liefde van zich. Wat echter de waardigheden en de rijkdommen, niet ter wille daarvan, maar ter wille van de nutten, betreft, dit is niet de liefde van de waardigheden en van de rijkdommen, maar de liefde van de nutten, waaraan de waardigheden en de rijkdommen van dienst zijn als middelen; deze liefde is hemels. Maar hierover meer in de volgende dingen. Ten derde: dat die beide liefden onderling onderscheiden zijn, zoals de hel en de hemel, blijkt uit wat nu gezegd is, waaraan ik dit zal toevoegen: allen die in de liefde van heersen vanuit de liefde van zich zijn, naar de geest in de hel zijn, wie zij ook mogen zijn, hetzij groot hetzij klein, en dat allen die in die liefde zijn, in de liefde van alle boze dingen zijn, die zij, indien zij ze niet doen, toch in hun geest geoorloofd geloven en vandaar met het lichaam doen wanneer niet de waardigheid en de eer en de vrees voor de wet in de weg staan. En wat meer is, de liefde van heersen vanuit de liefde van zich verbergt het meest van binnen in zich de haat tegen God, dus tegen de Goddelijke dingen die van de Kerk zijn en voornamelijk tegen de Heer. Indien zij God erkennen doen zij dit alleen met de mond en indien zij de Goddelijke dingen van de Kerk erkennen, doen zij dit vanuit de vrees voor het verlies van de eer. De oorzaak dat die liefde het meest van binnen de haat tegen de Heer verbergt, is omdat het meest van binnen in die liefde is dat zij God wil zijn, zij vereert immers en aanbidt alleen zichzelf. Vandaar komt het dat indien iemand die liefde eert dermate dat hij zegt dat dit de Goddelijke Wijsheid heeft en dat dit de godheid van de wereld is, die liefde hem van harte liefheeft. Anders is het gesteld met de liefde van de waardigheden en van de rijkdommen ter wille van de nutten; deze liefde is hemels, omdat zij, zoals gezegd is, hetzelfde is als de liefde van de naaste. Onder de nutten worden de goede dingen verstaan en vandaar wordt onder de nutten doen verstaan de goede dingen doen; en onder de nutten of de goede dingen doen wordt verstaan anderen dienen en diensten bewijzen. Deze mensen, hoewel zij in waardigheid en welgesteldheid zijn, beschouwen niettemin de waardigheid en de welgesteldheid niet anders dan als middelen om de nutten te doen, en zo dus om te dienen en diensten te bewijzen. Dezen zijn het die verstaan worden onder deze woorden van de Heer: ‘Zo wie tussen u groot zal willen worden, zal uw dienaar moeten zijn; en zo wie zal willen de eerste zijn, zal uw knecht moeten zijn’. (Mattheüs 20:26, 27). Dezen zijn het ook aan wie de heerschappij in de hemel uit de Heer wordt toevertrouwd, voor hen immers is de heerschappij het middel om de nutten of de goede dingen te doen en zo dus te dienen. Wanneer de nutten of de goede dingen de doelen of de liefden zijn, dan heersen niet zij maar de Heer, want al het goede is uit Hemzelf. Ten vierde: het onderscheid tussen deze twee liefden kan bezwaarlijk door de mens worden geweten, dit komt omdat de meesten die in waardigheid en in welgesteldheid zijn, ook nutten doen, maar zij weten niet of zij de nutten doen ter wille van zich dan wel ter wille van de nutten; en des te minder omdat in de liefde van zich en van de wereld meer vuur en gloed gelegen is van nutten te doen, dan in hen die niet in de liefde van zich en van de wereld zijn. De eerstgenoemden doen de nutten ter wille van de goede naam of ter wille van het gewin en dus ter wille van zich; maar wie de nutten doen ter wille van de nutten, of de goede dingen ter wille van de goede dingen, die doen deze dingen niet uit zich maar uit de Heer. Het onderscheid tussen hen kan nauwelijks door de mens gekend worden; de oorzaak hiervan is dat de mens niet weet of hij door de duivel wordt geleid dan wel door de Heer. Hij die door de duivel wordt geleid, doet nutten ter wille van zich en van de wereld, maar hij die door de Heer wordt geleid, doet de nutten ter wille van de Heer en van de hemel. Al diegenen doen de nutten uit de Heer die de boze dingen als zonden schuwen; maar al diegenen doen nutten uit de duivel, die niet de boze dingen als zonden schuwen. Het boze immers is de duivel en het nut of het goede is uit de Heer, daaruit en nergens anders vandaan wordt het onderscheid gekend. Het ene en het andere verschijnt in de uitwendige vorm eender, maar in de inwendige vorm zijn zij geheel en al oneender. Het ene is als goud waarin van binnen metaalslak is, maar het andere is als goud waarin van binnen zuiver goud is. Het ene is als een kunstmatige vrucht die in de uitwendige vorm verschijnt als de vrucht van een boom, terwijl zij echter gekleurde was is, waarin van binnen stof of pek is; maar het andere als een edele vrucht, liefelijk van smaak en geur, waarin van binnen de zaden zijn.

  
/ 340  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, 2017, op www.swedenborg.nl