Goddelijke Voorzienigheid #19

Door Emanuel Swedenborg

Bestudeer deze passage

  
/ 340  
  

19. VIII. Dat wat in het goede en het ware tegelijk is, is iets, en dat wat in het boze en het valse tegelijk is, is niet iets.

Dat wat in het goede en het ware tegelijk is, iets is, zie men boven in n. 11; daaruit volgt dat het boze en tegelijk het valse niet iets is. Onder ‘niet iets zijn’ wordt verstaan dat dit niets van macht heeft en niets van geestelijk leven. Zij die in het boze en het valse tegelijk zijn, die allen in de hel zijn, hebben weliswaar onderling macht, want de boze kan boosdoen en ook doet hij op duizend manieren boos; maar toch kan hij niet dan vanuit dat boze de bozen boosdoen, maar niet in het minst kan hij de goeden boosdoen. En als hij de goeden boosdoet, wat soms geschiedt, is het door een verbinding met het boze van hen; daarvandaan zijn de verzoekingen, die bestokingen zijn uit de boze dingen die men bij zich heeft, en vandaar de worstelingen, waardoor de goeden bevrijd kunnen worden van hun boze dingen. Aangezien de bozen niets van macht hebben, is daarom de algehele hel voor de Heer niet slechts gelijk niets, maar zij is volslagen niets ten aanzien van de macht. Dat dit zo is, heb ik door veel ondervinding bevestigd gezien. Maar er is dit wonderlijke dat alle bozen geloven machtig te zijn omdat de bozen aan de eigen macht en zo aan de sluwheid en de boosaardigheid alle dingen toekennen, en niets aan de Heer. Maar de goeden kennen niets aan de eigen voorzichtigheid toe, maar alle dingen aan de Heer, die almachtig is. Dat het boze en tegelijk het valse niet iets zijn, is eveneens omdat zij niets van het geestelijk leven hebben; wat de oorzaak is dat het leven van de helsen niet het leven wordt genoemd, maar de dood; en daarom, omdat alles wat iets is, tot het leven behoort, kan niet iets dat werkelijk is tot de dood behoren.

  
/ 340  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, 2017, op www.swedenborg.nl