Goddelijke Voorzienigheid #187

Door Emanuel Swedenborg

Bestudeer deze passage

        |   
/ 340  
  

187. 4. Het is de mens gegeven de Goddelijke Voorzienigheid aan de rug en niet in het aangezicht te zien, en ook alleen in een geestelijke staat en niet in de natuurlijke staat.

De Goddelijke Voorzienigheid aan de rug en niet in het aangezicht zien, is ná de werking en niet ervóór zien; en uit een geestelijke staat en niet uit de natuurlijke staat, is vanuit de hemel en niet vanuit de wereld. Al diegenen die de invloed vanuit de hemel opnemen en de Goddelijke Voorzienigheid erkennen, en vooral zij die door hervorming geestelijk zijn geworden, zien, wanneer zij gebeurtenissen zien in een bepaalde wonderlijke reeks, dit als het ware vanuit innerlijke erkenning, en belijden dit ook. Deze mensen willen dit niet zien in het aangezicht, dat wil zeggen, voordat zij bestaat, want zij vrezen dat hun wil mocht binnentreden in iets van de orde en van de voortgang ervan. Anders zij die niet enige invloed toelaten vanuit de hemel, maar alleen vanuit de wereld; vooral zij die vanuit de bevestiging van schijnbaarheden bij zich natuurlijk zijn geworden. Dezen zien niet iets van de Goddelijke Voorzienigheid aan de rug of na haar, maar zij willen haar zien in het aangezicht of voordat zij bestaat. Omdat de Goddelijke Voorzienigheid werkt door middelen en middelen gemaakt worden door de mens of door de wereld, schrijven zij het daarom, hetzij zij dit in het aangezicht hetzij aan de rug zien, òf aan de mens òf aan de natuur toe, en bevestigen zich zo in de ontkenning ervan. De oorzaak dat zij dit zo toeschrijven, is omdat hun verstand gesloten is van hoger af, en alleen geopend vanuit het lagere, dus gesloten naar de hemel en geopend naar de wereld, en vanuit de wereld de Goddelijke Voorzienigheid zien is niet mogelijk, maar die vanuit de hemel zien, is wel mogelijk. Soms heb ik bij mijzelf gedacht of zij als hun verstand van hoger af werd geopend en zij, als op klaarlichte dag zagen dat de natuur in zich dood is en dat het menselijk inzicht in zich er geen is, maar dat het vanuit de invloed is dat het ene en het andere schijnt te zijn, de Goddelijke Voorzienigheid zouden erkennen, maar ik doorvatte dat zij die zich voor de natuur en voor de menselijke voorzichtigheid hebben bevestigd niet zouden erkennen, omdat het van beneden invloeiende natuurlijke licht terstond het van boven invloeiende licht zou uitblussen.

  
/ 340  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, 2017, op www.swedenborg.nl