Goddelijke Voorzienigheid #151

Goddelijke Voorzienigheid (Weevers vertaling)      

Study this Passage

Ga naar sectie / 340  

← Vorige   Volgende →

151. Hier zal iets worden gezegd hoe de innerlijke mens hervormd wordt en daardoor de uitwendige mens. De innerlijke mens wordt niet hervormd door alleen weten, maar door datgene te willen wat de wetenschap, het inzicht en de wijsheid leert. Wanneer de mens weet, verstaat en de wijsheid heeft om te zien dat er een hemel en een hel zijn en dat al het boze vanuit de hel is en al het goede vanuit de hemel, dan is hij, indien hij dan het boze niet wil omdat het uit de hel is, maar het goede wil omdat het vanuit de hemel is, in de eerste graad van de hervorming en op de drempel vanuit de hel tot de hemel. Wanneer hij verder voortgaat en wil aflaten van de boze dingen, is hij in de tweede graad van de hervorming en dan is hij buiten de hel maar nog niet in de hemel; deze ziet hij boven zich. Dit innerlijke moet er zijn opdat de mens hervormd kan worden; maar tenzij het ene en het andere, zowel het uitwendige als het innerlijke hervormd wordt, is de mens niet hervormd. Het uitwendige wordt hervormd door het innerlijke, wanneer het uitwendige aflaat van de boze dingen die het innerlijk niet wil omdat die hels zijn, en te meer wanneer hij die daarom schuwt en daartegen strijdt. Zo is het innerlijk ‘het willen’ en het uitwendige ‘het doen’, want tenzij iemand doet wat hij wil, is van binnen dat wat hij niet wil, en het wordt tenslotte ‘niet willen’. Uit dit weinige kan men zien hoe de uitwendige mens wordt hervormd door de innerlijke. Dit is het ook dat verstaan wordt onder de woorden van de Heer tot Petrus: ‘Jezus zei: Indien ik u niet zou wassen, gij hebt geen deel met Mij; Petrus zei tot Hem: Heer, niet mijn voeten alleen, maar ook de handen en het hoofd; Jezus zei tot hem: Die gewassen is, heeft niet van node tenzij dat hij naar de voeten gewassen wordt, maar hij is gans rein’, (Johannes 13:8, 9, 19). Onder de wassing wordt de geestelijke wassing verstaan, die de zuivering is van de boze dingen; onder het hoofd en de handen wassen wordt verstaan de innerlijke mens zuiveren, en onder de voeten wassen wordt verstaan de uitwendige mens zuiveren. Wanneer de innerlijke mens gezuiverd is, moet de uitwendige mens gezuiverd worden, dit wordt verstaan onder, ‘die gewassen is, heeft niet van node tenzij dat hij naar de voeten gewassen wordt’. Dat alle zuivering van de boze dingen is uit de Heer, wordt verstaan onder dit, ‘indien Ik u niet zou wassen, gij hebt geen deel met Mij’. Dat de wassing bij de Joden de zuivering van de boze dingen uitbeeldde en dat deze door de wassing in het Woord wordt aangeduid, en dat door de wassing van de voeten de zuivering van de natuurlijke of de uitwendige mens wordt aangeduid, is met vele dingen getoond in het werk ‘Hemelse Verborgenheden’.

Ga naar sectie / 340  

← Vorige   Volgende →

   Study this Passage
From Swedenborg's Works

Inbound References:

Goddelijke Voorzienigheid 244, 249

Other New Christian Commentary

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, 2017, op www.swedenborg.nl


Vertalen: