Echtelijke Liefde #444

Door Emanuel Swedenborg

Bestudeer deze passage

  
/ 535  
  

444. Hieraan zal de volgende gedenkwaardigheid worden toegevoegd.

Nadat ik mijn overdenkingen ten aanzien van de echtelijke liefde had beëindigd en was begonnen met de overdenkingen ten aanzien van de losbandige liefde, stonden plotseling twee engelen bij mij en zeiden: ‘Wij hebben bemerkt en verstaan de dingen die u eerder heeft overdacht; maar de dingen die u nu overdenkt, gaan ons voorbij en wij doorvatten die niet.

Laat deze achterwege omdat zij niets zijn.

Maar ik antwoordde: ‘Deze liefde waarover ik nu nadenk, is niet niets, omdat die voorkomt. ’

Maar zij zeiden: ‘Hoe kan enige liefde voorkomen die niet uit de schepping is? Is niet daaruit de echtelijke liefde? Is niet deze liefde tussen twee die één kunnen worden? Hoe kan er een liefde voorkomen die verdeelt en scheidt? Welke jongeman kan een andere maagd liefhebben dan die welke hem wederzijds bemint? Zal niet de liefde van de een de liefde van de ander kennen en erkennen, en die liefden, als zij elkaar ontmoeten, zich vanzelf verbinden? Wie kan de niet-liefde liefhebben? Is niet alleen de echtelijke liefde wederzijds en wederkerig? Indien zij niet wederkerig is, deinst zij dan niet terug en vergaat?’

Na dit gehoord te hebben, vroeg ik aan die twee engelen uit welk hemels gezelschap zij waren en zij zeiden: ‘Wij zijn uit de hemel der onschuld; in deze hemelse wereld kwamen wij als kleine kinderen en werden opgevoed onder het toezicht van de Heer en nadat ik een jongeling ben geworden, en mijn echtgenote, die hier met mij is, een huwbaar meisje, werden wij verloofd en ten huwelijk gegeven en verbonden bij de eerste voortekenen.

En omdat wij niet van een andere liefde dan van een waarlijk huwelijk en een echtelijke liefde hebben geweten, hebben wij daarom, toen ons de ideeën van uw denken werden vergemeenschapt ten aanzien van een vreemde liefde, volslagen tegengesteld aan onze liefde, er niet wat ook van begrepen.

Daarom zijn wij neergedaald om van u de oorzaak te weten te komen waarom u over onbegrijpelijke dingen nadenkt.

Zeg ons dus hoe een liefde die niet alleen maart niet vanuit de schepping is, maar ook tegen de schepping, kan bestaan; wij voor ons, wij beschouwen de aan de schepping tegengestelde dingen als onwezenlijke zaken. ’

Nadat dit was gezegd, was ik van harte verblijd dat het gegeven was om te spreken met engelen van zo’n onschuld, die in het geheel niet wisten wat losbandigheid in de liefde was.

Daarom opende ik mijn mond en leerde en zei toen: ‘Weet u niet dat er het goede en het boze is en dat het goede is vanaf de schepping, maar niet het boze? Toch is het boze in zich beschouwd niet niets, hoewel het niets van het goede is.

Vanaf de schepping is er het goede en eveneens het goede in de hoogste graad en in de kleinste graad; en wanneer dit kleinste niets wordt, rijst van de andere zijde het boze op en daarna bestaat er niet een verhouding noch een voortzetting van het goede tot het boze, maar een verhouding en een voortgang van het goede tot een meer en minder goede en van het boze tot een meer en minder boze; zij zijn immers tegengestelden in alle en de afzonderlijke dingen en omdat het goede en het boze tegengesteld zijn, bestaat er een tussenliggend gebied met een evenwicht daardoor, waarin het boze tegen het goede optreedt, maar omdat het niet de overhand heeft, blijft het bij een streven.

Elk mens wordt in dit evenwicht opgevoed, dat, omdat het er een is tussen het goede en het boze of wat hetzelfde is tussen de hemel en de hel, een geestelijk evenwicht is, dat bij hen die daarin zijn, het vrije voortbrengt.

De Heer trekt krachtens dit evenwicht allen tot Zich en Hij leidt de mens die vanuit het vrije volgt, uit het boze weg in het goede en zo in de hemel.

Hetzelfde is het geval met de liefde, vooral met de echtelijke liefde en met de losbandige liefde; deze liefde is het boze en het eerstgenoemde het goede.

Elk mens die de stem van de Heer hoort en uit het vrije volgt, wordt door de Heer binnengeleid in de echtelijke liefde en in alle verkwikkingen en voorrechten ervan; maar wie niet luistert en niet volgt, die leidt zichzelf binnen in die losbandige liefde; eerst in de verkwikkingen ervan, maar daarna in de onverkwikkelijke en tenslotte in de heilloze dingen. ’

Nadat dit was gezegd vroegen die twee engelen: ‘Hoe heeft het boze kunnen ontstaan wanneer niet dan alleen het goede vanaf de schepping had bestaan? Opdat iets ontstaat, moet er een oorsprong van zijn. Het goede heeft niet de oorsprong van het boze kunnen zijn, omdat het boze niets van het goede is, het is immers het berovende en het vernietigende ten aanzien van het goede. ’

Niettemin, omdat het voorkomt en gevoeld wordt, is het niet niets, maar is het iets. ’

Hierop antwoordde ik: ‘Deze verborgenheid kan niet worden onthuld tenzij men weet dat niemand goed is dan God alleen en dat er niet enig goede is dat in zich goed is, tenzij uit God; daarom is degene die tot God schouwt en geleid wil worden door Hem in het goede; maar hij die zich afkeert van God en geleid wil worden door zichzelf, is niet in het goede; want het goede dat hij doet, is ter wille van zichzelf, of ter wille van de wereld; en dan is het of op verdienste gericht, of geveinsd of gehuicheld; waaruit blijkt dat de mens zelf de oorsprong van het boze is.

Niet dat die oorsprong vanuit de schepping in de mens gelegd is geweest, maar hijzelf heeft dat in zich gelegd door de omkering van God af naar zichzelf toe.

Die oorsprong van het boze is niet in Adam en zijn echtgenote geweest, maar toen de slang zei: ‘Ten dage als gij zult hebben gegeten van de boom der wetenschap van het goede en het boze, zo zult gij zijn zoals God’, (Genesis 3:5); en toen hebben zij, omdat zij zich afkeerden van God en zich omkeerden tot zichzelf als tot een god, in zich de oorsprong van het boze gemaakt.

Eten van die boom, betekende geloven dat men het goede en het boze weet en wijs is uit zich en niet uit God. ’

Maar toen vroegen de twee engelen: ‘Hoe heeft de mens zich van God kunnen afkeren en zich kunnen omkeren naar zichzelf, terwijl toch de mens niets kan willen en denken en vandaar doen, tenzij uit God? Waarom heeft God dit toegelaten?’

Maar ik antwoordde daarop: ‘De mens is geschapen opdat hij alles wat hij wil, denkt en doet, hem toeschijnt als in zich en zo uit zich; de mens zou zonder deze schijn niet een mens zijn; hij zou immers niet iets van het goede en het ware, of van de liefde en de wijsheid kunnen opnemen, vasthouden en zich als het ware toe-eigenen; waaruit volgt dat zonder die, als het ware levende schijn, de mens geen verbinding zou hebben met God en vandaar ook niet het eeuwige leven.

Indien hij echter vanwege deze schijn zich het geloof bijbrengt dat hij het goede wil, denkt en vandaar doet uit zichzelf en niet uit de Heer, hoewel in alle schijn als uit zich, dan verkeert hij het goede in het boze bij zich en zo maakt hij dan in zich de oorsprong van het boze.

Dit is de zonde van Adam geweest.

Maar ik zal deze zaak duidelijker uiteenzetten: de Heer ziet elk mens aan in het voorhoofd en dit aanzien gaat door tot in diens achterhoofd; onder het voorhoofd liggen de hersenen en onder het achterhoofd de kleine hersenen; dit is bestemd voor de liefde en de goede dingen ervan en het eerstgenoemde is bestemd voor de wijsheid en de ware dingen ervan; en daarom neemt hij die met het aangezicht tot de Heer schouwt, van Hem de wijsheid op en door deze de liefde.

Maar wie achterwaarts schouwt van de Heer weg, neemt de liefde en niet de wijsheid op en de liefde zonder de wijsheid is de liefde uit de mens en niet uit de Heer; en omdat deze liefde zich met de valse dingen verbindt, erkent zij niet God, maar erkent zij zichzelf voor god en dit bevestigt zij stilzwijgend door het vermogen van verstaan en wijs zijn, die er vanaf de schepping is ingelegd als uit zich; daarom is deze liefde de oorsprong van het boze.

Dat dit zo is, kan voor het oog worden aangetoond; ik zal een geest hierheen roepen die zich van God heeft afgekeerd en ik zal tot hem spreken aan de rugzijde of aan het achterhoofd en u zult zien dat de dingen die worden gezegd, worden veranderd in het tegendeel. ’

Ik riep een geest die zodanig was en toen hij er was sprak ik tot hem aan de rugzijde en zei: ‘Kent u niet iets over de hel, over de verdoemenis en over de marteling daar?’

En direct daarop, toen hij zich tot mij had omgekeerd, vroeg ik: ‘Wat heeft u gehoord?’

Hij antwoordde: ‘Ik heb dit gehoord: Kent u niet iets over de hemel, over de zaliging en over de gelukzaligheid daar?’

Daarna, toen deze dingen hem achter zijn rug werden gezegd, zei hij dat hij de eerdere dingen had gehoord; daarna werden hem aan zijn rugzijde deze dingen gezegd: ‘Weet u niet dat degenen die in de hel zijn, waanzinnig zijn vanuit valse dingen?’

En nadat ik hem hierover had gevraagd wat hij had gehoord, zei hij: ‘Ik heb gehoord: Weet u niet dat zij die in de hemel zijn, wijs zijn uit de ware dingen?’

En toen hem deze dingen achter de rug werden gezegd, zei hij dat hij had gehoord: Weet u niet dat zij die in de hel zijn, waanzinnig zijn vanuit valse dingen? enzovoort.

Hieruit blijkt duidelijk dat het gemoed, als het zich van de Heer afkeert, zich omkeert tot zichzelf en dan het tegendeel doorvat.

‘Dit is de oorzaak dat het, zoals u bekend is, in deze geestelijke wereld, niet aan iemand is toegestaan om aan de rugzijde van een ander te staan en tot hem te spreken; zo immers wordt hem een liefde ingeblazen waaraan het eigen inzicht vanwege het verkwikkelijke ervan zijn gunst schenkt en gehoorzaamt; maar omdat zij uit de mens is en niet uit God, is zij de liefde van het boze of de liefde van het valse.

Behalve dit zal ik u nog iets soortgelijks meedelen, namelijk dat ik talloze malen goede en ware dingen heb gehoord die waren omlaaggegleden uit de hemel in de hel en dat die daar gaandeweg werden verkeerd in tegengestelden: het goede in het boze en het ware in het valse; de oorzaak hiervan is onmiskenbaar dezelfde, omdat allen die in de hel zijn zich afwenden van de Heer. ’

Nadat zij dit hadden gehoord, bedankten die twee engelen en zeiden: Omdat u nu nadenkt en schrijft over een liefde die aan onze echtelijke liefde is tegengesteld en dat wat aan die liefde is tegengesteld ons bedroeft, zullen wij heengaan. ’

En toen zij zeiden: Vrede zij met u’, verzocht ik hun dat zij niets zouden vertellen aan hun broeders en zusters in de hemel, omdat het hun onschuld zou kwetsen.

Dat zij die als kleine kinderen sterven, opgroeien in de hemel en dat zij, waarin zij de gestalte hebben bereikt waarin in de wereld de jongemannen van achttien jaar en de maagden van vijftien jaar zijn, daarin blijven staan en dat door de Heer dan voor hen in een huwelijk wordt voorzien en verder dat zij zowel vóór het huwelijk als daarna volstrekt niet weten wat losbandigheid in de liefde is en dat die kan bestaan, dit kan ik met stelligheid verzekeren.

  
/ 535  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, 2017, op www.swedenborg.nl