Hemelse Verborgenheden in Genesis en Exodus #5287

Door Emanuel Swedenborg

Bestudeer deze passage

  
/ 10837  
  

5287. Een inzichtsvolle en wijze man; dat dit betekent ten aanzien van het invloeiende ware en goede, staat vast uit de betekenis van de inzichtsvolle man, namelijk het ware en van de wijze man, namelijk het goede daarvan. Men moet weten dat in de innerlijke zin onder de inzichtsvolle en wijze man niet enige zodanige man wordt verstaan, maar los van de persoon dat wat van de inzichtsvolle en de wijze is, vandaar het ware en het goede; in het andere leven, vooral in de hemelen, vindt alle denken plaats en vandaar alle spreken door van personen geabstraheerde dingen; daarom is het denken en spreken daar universeel en naar verhouding onbegrensd; voor zoveel immers als het denken en spreken tot personen, tot hun hoedanigheden in het bijzonder en voor zoveel als het tot namen en ook tot woorden wordt bepaald, wordt het minder universeel en wordt het ook tot een zaak bepaald en blijft daarin; maar voor zoveel als het niet tot die dingen wordt bepaald, maar tot dingen die daarvan zijn geabstraheerd, wordt het door de zaak bepaald en breidt het zich buiten zich uit en wordt een hogere en als gevolg daarvan een meer universele beschouwing. Dit blijkt duidelijk uit het denken van de mens: voor zoveel als dit de woorden beschouwt van iemand die spreekt, beschouwt het niet de zin ervan en voor zoveel als het bij zich de bijzondere dingen van het geheugen beschouwt en daarin blijft, doorvat het niet de hoedanigheden van een zaak; en meer nog, voor zoveel het in de afzonderlijke dingen zichzelf beschouwt, trekt het het denken samen en verwijdert het zich van de beschouwing van een zaak in het universele; vandaar komt het dat voor zoveel als iemand zichzelf boven anderen liefheeft, hij in die mate minder wijs is. Daaruit blijkt nu waarom van personen geabstraheerde dingen in de innerlijke zin worden aangeduid met dingen die in de zin van de letter tot personen zijn bepaald, nr. 5225. In het Woord wordt hier en daar onderscheid gemaakt tussen de wijsheid, het inzicht en de wetenschap; en onder wijsheid wordt datgene verstaan wat vanuit het goede is, onder inzicht datgene wat vanuit het ware is en onder wetenschap dat ene en andere in het natuurlijke van de mens; zoals bij Mozes:

‘Ik heb Bezaleël vervuld met de geest van God naar de wijsheid en naar het inzicht en naar de wetenschap en naar alle werk’, (Exodus 31:1-3; 35:30, 31) en bij dezelfde:

‘Geeft u wijze mannen en inzichtsvolle en wetende, naar uw stammen, opdat ik hen stelle tot uw hoofden’, (Deuteronomium 1:13).

  
/ 10837  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, van 2012 t/m 2021 op www.swedenborg.nl