Hemelse Verborgenheden in Genesis en Exodus #5126

Door Emanuel Swedenborg

Bestudeer deze passage

  
/ 10837  
  

5126. En gij zult Farao’s beker in zijn hand geven; dat dit betekent opdat zij vandaar het innerlijk natuurlijke van dienst zijn, staat vast uit de betekenis van de beker geven om te drinken, namelijk toe-eigenen, nr. 5120;

dat het ook is van dienst zijn, is duidelijk; en uit de uitbeelding van Farao, namelijk het innerlijk natuurlijke, waarover de nrs. 5080, 5095, 5118.

Dat er een innerlijk natuurlijke en een uiterlijk natuurlijke is en dat het uiterlijk natuurlijke wordt samengesteld uit de dingen die rechtstreeks door de zinlijke dingen vanuit de wereld in het natuurlijk gemoed, namelijk in zijn geheugen en daaruit in de verbeelding binnenkomen, zie nr. 5118. Opdat men zal weten wat het uiterlijk natuurlijke en wat het innerlijk natuurlijke is, die van de uiterlijke mens zijn en vandaar wat het redelijke is, dat van de innerlijke mens is, moet dit in het kort worden gezegd. De mens is vanaf zijn kindsheid tot aan de knapenjaren toe louter zinlijk, want dan neemt hij de aardse, de lichamelijke en de wereldse dingen alleen op door de zinlijke dingen van het lichaam; vanuit die zijn dan ook zijn voorstellingen en zijn denken; de vergemeenschapping met de innerlijke mens is nog niet geopend, dan alleen voor zoveel dat hij die dingen kan vatten en vasthouden. De onschuld die hij dan heeft, is alleen uiterlijk en niet innerlijk, want de ware onschuld ligt in de wijsheid. Daardoor, namelijk door de uiterlijke onschuld, brengt de Heer de dingen in orde die door de zinlijke dingen binnenkomen, zonder de invloeiing van de onschuld uit de Heer in die eerste leeftijd, zou er nooit enig fundament ontstaan waarop het verstandelijke of het redelijke, dat de mens eigen is, gebouwd zou kunnen worden. Van de knapenjaren tot de jongelingsjaren wordt de vergemeenschapping naar het innerlijk natuurlijke daardoor geopend, dat hij het fatsoenlijke, het burgerlijke en het eerzame leert, zowel door het onderricht van de ouders en de leermeesters als door studies. Van de jongelingsjaren echter tot de leeftijd van de jongeman wordt de vergemeenschapping geopend tussen het natuurlijke en het redelijke en wel daardoor dat hij dan de ware en de goede dingen van het burgerlijk en het zedelijk leven leert en bovenal de ware en de goede dingen van het geestelijk leven, door het aanhoren en het lezen van het Woord. Maar voor zoveel als hij zich dan doordrenkt van de goede dingen door de ware dingen, dat wil zeggen, voor zoveel hij de ware dingen doet die hij leert, wordt het redelijke geopend; maar voor zoveel als hij zich niet doordrenkt van de goede dingen door de ware dingen, of voor zoveel hij de ware dingen niet doet, wordt het redelijke niet geopend, niettemin blijven de erkentenissen in het natuurlijke, namelijk in zijn geheugen, dus als het ware buiten het huis op de drempel. Voor zoveel als hij echter dan en in de daarop volgende leeftijd die dingen verzwakt, loochent en daartegen handelt, dat wil zeggen, in de plaats ervan de valse dingen gelooft en de boze dingen doet, wordt het redelijke toegesloten en eveneens het innerlijk natuurlijke; toch blijft, vanuit de Goddelijk Voorzienigheid van de Heer, zoveel van vergemeenschapping over, dat hij met enig verstand die dingen kan vatten, maar die zich toch niet kan toe-eigenen, tenzij hij ernstig boete doet en lange tijd daarna met de valse en de boze dingen worstelt.

Bij degenen echter die zich laten wederverwekken, gebeurt het tegendeel; bij graden of geleidelijk wordt bij hen het redelijke geopend en daaraan wordt het innerlijk natuurlijke ondergeschikt en aan dit het uiterlijk natuurlijke; dit vindt vooral plaats in de jeugdige tot aan de volwassen leeftijd en al voortgaande tot aan de laatste tijd van hun leven en daarna in de hemel tot in het eeuwige. Daaruit kan men weten wat het innerlijke en wat het uiterlijke bij de mens is.

  
/ 10837  
  

Nederlandse vertaling door Henk Weevers. Digitale publicatie Swedenborg Boekhuis, van 2012 t/m 2021 op www.swedenborg.nl